regelbalk



 

Canto 10

Sarvasva Tomāra

 


   

Hoofdstuk 63: De Koorts in de Strijd en Bāna Verslagen

(1) S'rī S'uka zei: 'Toen ze Aniruddha niet meer zagen o zoon van Bharata, brachten Zijn verwanten de vier maanden van het regenseizoen door in treurnis. (2) Op het moment ze van Nārada het nieuws hoorden over wat Hij had gedaan en dat Hij gevangen was genomen, begaven de Vrishni's, die Krishna als hun aanbiddelijke godheid hadden, zich naar S'onitapura. (3-4) De besten der Sātvata's, te weten Pradyumna, Yuyudhāna [Sātyaki], Gada, Sāmba, en Sārana, Nanda, Upananda, Bhadra en anderen, kwamen onder leiding van Balarāma en Krishna bijeen met twaalf akshauhinī's en belegerden aan alle kanten Bāna's stad volledig. (5) Ziend hoe de stadstuinen, de stadsmuren en uitkijktorens werden vernield kwam hij, briesend van woede, naar buiten om hen partij te bieden met een leger dat net zo groot was. (6) Bhagavān S'iva reed samen met zijn zoon [Kārtikeya, zijn generaal] de stad uit zittend op Nandi, zijn stier, om vergezeld door de Pramatha's [zijn verschillende mystieke metgezellen] aan de kant van Bāna tegen Balarāma en Krishna te vechten. (7) Wat zich toen voordeed, o Koning, was een ontstellend heftige strijd die je de haren te berge deed rijzen. Krishna kwam daarin in het geweer tegen S'ankara en Pradyumna tegen Kārtikeya. (8) Balarāma vocht tegen Kumbhānda en Kūpakarna, Sāmba vocht tegen Bāna's zoon en Sātyaki vocht tegen Bāna zelf. (9) Om er getuige van te zijn kwamen de leiders van de goddelijken met Heer Brahmā voorop in hun hemelse voertuigen, alsook de wijzen, de vervolmaakten en de achtenswaardigen, de zangers en dansmeisjes van de hemel en de geesten. (10-11) Scherpgepunte pijlen afschietend met Zijn boog, de S'ārnga, verdreef S'auri [Krishna] de Bhūta's [geesten der overledenen], de Pramatha's [mystieke geesten], de Guhyaka's [de schatbewaarders van Kuvera], de Dākinī's [de vrouwelijke demonen van Kālī], de Yātudhāna's [beoefenaren van de zwarte magie], de Vetāla's [de vampieren], de Vināyaka's [demonen van scholing, afleiders, kankeraars], de Preta's [spoken en gnomen], de Mātā's [demonische moeders], de Pis'āca's [duivelskinderen], de Kushmānda's [meditatieverstoorders, ziekmakers] en de Brahma-rākshasa's [gevallen brahmanen als in 9.9: 25] die allemaal S'ankara volgden. (12) De drager van de drietand [Pinākī ofwel S'iva] die verschillende soorten wapens inzette tegen Hem die de S'ārnga hanteert, zag  hoe ze allemaal geneutraliseerd werden met passende tegenwapens. Ze konden de Drager van de S'ārnga niet van Zijn stuk brengen. (13) Hij zette een brahmāstra in tegen een brahmāstra, een bergwapen tegen een windwapen, een regenwapen tegen een vuurwapen en Zijn nārāyanāstra [Zijn persoonlijke wapen] tegen S'iva's [persoonlijke] pās'upatāstra [het 'beestenriem'-wapen]. (14) Nadat S'auri heer S'iva had begoocheld door hem aan het gapen te brengen met een gaapwapen, viel Hij Bāna's leger aan met Zijn zwaard, Zijn knots en Zijn pijlen. (15) Kārtikeya geplaagd door Pradyumna's pijlen die van alle kanten op hem neerregenden, vluchtte met zijn ledematen stromend van het bloed op zijn pauwenvoertuig weg van het slagveld. (16) Kumbhānda en Kūpakarna geteisterd door de knots [van Balarāma] vielen en hun legers, wiens leiders dood waren, vluchtten in alle richtingen.

(17) Bāna die zijn troepen uiteengeslagen zag, keerde zich af van Sātyaki waarmee hij vocht, stak in zijn strijdwagen het slagveld over en viel hoogst verbeten Krishna aan. (18) Bāna, buiten zichzelf door het vechten, legde twee pijlen aan op ieder van zijn bogen en spande in één keer alle vijfhonderd. (19) Deze bogen werden door Bhagavān allen tegelijk doorkliefd en nadat Hij de strijdwagen, de paarden en de wagenmenner [van Bāna] had getroffen, blies Hij op Zijn schelphoorn. (20) [Toen] plaatste zijn moeder genaamd Kotharā, in de hoop het leven van haar zoon te redden, zichzelf naakt, met haar haar losgemaakt, recht voor Krishna. (21) Op het moment dat Heer Gadāgraja daarop Zijn gelaat afwendde om de naakte vrouw niet te hoeven zien, nam Bāna zonder zijn wagen en met zijn bogen gebroken, de kans waar om de stad in te vluchten. (22) Maar nadat S'iva's volgelingen verdreven waren ging Jvara, de [verpersoonlijking van S'iva's hete] koorts met drie hoofden en drie voeten, de afstammeling van Dās'arha te lijf alsof hij de tien windrichtingen in vuur en vlam wilde zetten [zie *]. (23) Hem ziend stuurde Heer Nārāyana daarop Zijn eigen [extreem koude] koorts zodat de twee Jvara's van Māhes'vara en Vishnu met elkaar in gevecht raakten. (24) Die van Māhes'vara schreeuwde het uit gepijnigd door de kracht van die van Vishnu. Nergens een veilig heenkomen vindend begon Māhes'vara's Jvara toen dorstend naar bescherming devoot Hrishīkes'a te prijzen met gevouwen handen. (25) De Jvara zei: 'Ik buig me neer voor U, de Allerhoogste Heer Onbegrensd in Zijn Vermogens, de Ziel van Allen Zuiver van Bewustzijn, de Oorzaak van het geheel van de schepping, voleinding en handhaving van het universum, voor U de Absolute Waarheid van Volmaakte Vrede naar wie de Veda's indirect verwijzen. (26) Ik benader U omdat U de loochening bent van deze māyā, deze materiėle begoocheling van de tijd, het lot, het karma, de individuele geneigdheden, de subtiele elementen, het veld [dat het lichaam vormt], de levenskracht [prāna], het zelf, de transformaties [de elf zinnen] en dit alles bij elkaar [in de vorm van het subtiele lichaam, de linga]. Die illusoire werkelijkheid vormt een nimmer eindigende stroom [als die] van zaden en spruiten. (27) Met verschillende bedoelingen vervult U goddelijke missies [līlā's] opdat de godsbewusten, de wijzen en de gedragsregels in de wereld worden gehandhaafd en er een einde komt aan hen die het pad verlieten en zich overgaven aan geweld. Deze incarnatie van U is er om de aarde van haar last te verlossen [zie ook B.G. 9: 29 en 4: 8]. (28) Ik wordt geplaagd door deze hoogst verschrikkelijke koorts van Uw macht die ondraaglijk koud is, maar, niettemin, brandt, want inderdaad, zolang de belichaamde zielen in de greep van hun verlangens verkeren en niet Uw voetzolen dienen moeten ze aldoor lijden.'

(29) De Allerhoogste Heer zei: 'O driekoppige, Ik ben tevreden over u, moge uw angst opgewekt door Mijn koorts u verlaten. Voor niemand die zich ons gesprek herinnert zal er een reden zijn om u te vrezen.'

(30) Aldus toegesproken boog het koortswapen van Māhes'vara voor Acyuta en ging hij weg, maar Bāna, rijdend in zijn strijdwagen, kwam naar voren met de bedoeling met Janārdana te gaan vechten. (31) Daarop schoot de demon o Koning, met zijn duizend armen talloze wapens hooghoudend, kokend van woede pijlen af op Hem die de Cakra Hanteert. (32) Terwijl hij keer op keer zijn wapens lanceerde, sneed de Allerhoogste Heer met de messcherpe rand van Zijn schijf zijn armen eraf alsof het de takken van een boom waren. (33) Toen Bāna's armen van zijn romp werden gescheiden, naderde de grote heer Bhava [- van het bestaan, S'iva] uit mededogen voor zijn toegewijde en richtte hij zich tot de Hanteerder van de Schijf. (34) S'rī Rudra zei: 'U alleen bent de Absolute Waarheid, het licht van het Allerhoogste schuilgaand in de taal van het Absolute [in de Veda's]. Zij wiens harten vrij van smetten zijn kunnen U zien als de blauwe lucht zo zuiver. (35-36) De atmosfeer vormt Uw navel, het vuur Uw gezicht, het water Uw zaad, de hemel Uw hoofd en de richtingen zijn Uw gehoorzin. De aarde is Uw voet, de maan Uw geest en de zon is Uw gezichtsvermogen. Ik ben Uw bewustzijn van het Zelf, de oceaan is Uw onderbuik en Indra is Uw arm. Uw goede zelf, met de planten als het haar op Uw lichaam, de wolken als het haar op Uw hoofd, Virińca als Uw intelligentie, de Prajāpati als Uw geslachtsdelen en de religie als Uw hart, bent de Purusha uit wie al de werelden voortkwamen. (37) U, o onbegrensde heerlijkheid, bent er in deze nederdaling om het dharma te verdedigen ten behoeve van het Geheel van het Levende Wezen [het universum] en wij [halfgoden] manifesteren en ontwikkelen allen, door U verlicht, de zeven werelden [zie dvīpa]. (38) U bent de Oorspronkelijke Allerhoogste Persoon zonder Zijns gelijke, de Bovenzinnelijke, Zelfmanifesterende Oorzaak waar geen oorzaak aan vooraf gaat, de Heerser. Niettemin komt U, terwille van de volledige manifestatie van Uw kwaliteiten, hier als een verschijning van Uw begoochelende vermogen  [in verschillende levensvormen, goden en avatāra's]. (39) Net zoals de zon in zijn eigen schaduw [achter de wolken] aan het zicht onttrokken is en de zichtbare vormen verlicht, wordt U o Almachtige, net zo zelfverlicht, overdekt door de kwaliteiten der materie [door vals ego] en verlicht U [van binnenuit] de werkelijkheid van die geaardheden alsook de wezens die deze kwaliteiten hebben. (40) Zij die, geheel verstrikt in hun respect voor hun kinderen, vrouw, huis enzovoorts, met hun verstand in de ban van māyā verkeren, rijzen [als drenkelingen eerst] naar de oppervlakte van de oceaan der misčre en zinken [dan naar de bodem. Zie B.G. 9: 21]. (41) Beklagenswaardig is de persoon die, bij de genade van God deze mensenwereld hebben bereikt, zijn zinnen niet onder controle heeft en niet Uw voeten eert, want zo iemand houdt zichzelf voor de gek. (42) De sterveling die, [b.v. politiek] in oppositie verkerend terwille van de zinsobjecten, U, zijn Ware Zelf en innigste Leidsman afwijst, eet het vergif en mijdt de nectar. (43) Ik, Brahmā alsook de halfgoden en de wijzen met een zuiver bewustzijn hebben ons met hart en ziel overgegeven aan U, de Meester, het hoogst beminde Zelf. (44) Laat ons U aanbidden, de Godheid, de oorzaak van het ontstaan, de handhaving en de neergang van het Levende Wezen dat het Universum is, U die volmaakt in vrede gelijkmoedig, de unieke, ongeėvenaarde Vriend, het ware Zelf en de aanbiddelijke Heer van al de werelden en al de zielen bent, de toevlucht om bevrijd te raken uit je materiėle bestaan. (45) Hij hier [Bāna] is mijn favoriet, mijn meest dierbare volgeling die ik beloonde met onbevreesdheid o Heer, alstUblieft schenk hem daarom Uw genade, zoals U ook van genade was voor de meester der Daitya's [Prahlāda].'

(46) De Allerhoogste Heer zei: 'We zullen doen wat u zei dat u graag wilde o grote heer, ik ben het helemaal eens met uw conclusie. (47) Deze zoon van Virocana [Bali] zal door Mij gespaard worden, want Ik verleende Prahlāda de zegen dat zijn afstammelingen niet door Mij gedood zouden worden [zie ook 7.10: 21]. (48) Zijn armen werden er door Mij afgesneden om zijn trots te breken en Ik vernietigde zijn enorme militaire macht omdat die de aarde tot last geworden was. (49) De Asura die nog vier van zijn armen over heeft, zal één van uw belangrijkste metgezellen worden, hij zal niet verouderen en onsterfelijk zijn, hij hoeft nergens bang voor te wezen.'

(50) Aldus de vrijheid van angst bereikend boog de Asura zijn hoofd voor Krishna, bracht de zoon van Pradyumna en Zijn echtegenote en zette ze op een strijdwagen. (51) Hij [Krishna] plaatste Hem en Zijn vrouw, opgesierd en gestoken in de fijnste kleren, voorop en vertrok, met de toestemming van S'iva, omringd door een akshauhinī [een militaire divisie]. (52) Toen Hij Zijn hoofdstad binnenkwam die geheel versierd was met vlaggen, erebogen en met zijn straten en kruispunten besprenkeld, werd Hij respectvol door de mensen van de stad, Zijn verwanten en de tweemaal geboren zielen verwelkomd onder het weerklinken van schelphoorns, tweezijdige trommels en pauken. (53) Voor de persoon die bij het krieken van de dag opstaat en zich deze overwinning van Krishna in de slag met S'ankara herinnert, zal er geen nederlaag zijn.'
 

next                       

 
 

Derde herziene editie, geladen 18  juli, 2014.

 

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rī S'uka zei: 'Toen ze Aniruddha niet meer zagen o zoon van Bharata, brachten Zijn verwanten de vier maanden van het regenseizoen door in treurnis.
S'rī S'uka zei: 'Toen, o zoon van Bharata, brachten Aniruddha's verwanten, hem aldus niet meer ziend, de vier maanden van het regenseizoen door in weeklagen. (Vedabase)

 

Tekst 2

Op het moment ze van Nārada het nieuws hoorden over wat Hij had gedaan en dat Hij gevangen was genomen, begaven de Vrishni's, die Krishna als hun aanbiddelijke godheid hadden, zich naar S'onitapura.

Met van Nārada het nieuws horend over wat Hij had gedaan en dat Hij gevangen was genomen, gingen de Vrishni's, die Krishna als hun aanbiddelijke godheid hadden, naar S'onitapura. (Vedabase)

 

Tekst 3-4

De besten der Sātvata's, te weten Pradyumna, Yuyudhāna [Sātyaki], Gada, Sāmba, en Sārana, Nanda, Upananda, Bhadra en anderen, kwamen onder leiding van Balarāma en Krishna bijeen met twaalf akshauhinī's en belegerden aan alle kanten Bāna's stad volledig.

De besten der Sātvata's te weten Pradyumna, Yuyudhāna [Sātyaki], Gada, Sāmba, en Sārana; Nanda, Upananda, Bhadra en anderen, kwamen Rāma en Krishna volgend bijeen met twaalf akshauhinī's en belegerden van alle zijden het geheel van Bāna's stad. (Vedabase)

  

Tekst 5

Ziend hoe de stadstuinen, de stadsmuren en uitkijktorens werden vernield kwam hij, briesend van woede, naar buiten om hen partij te bieden met een leger dat net zo groot was.

Toen hij zag hoe de stadstuinen, de stadsmuren en uitkijktorens werden vernield kwam hij, vol van woede, voor hen naar buiten met een leger dat net zo groot was. (Vedabase)

 

Tekst 6

Bhagavān S'iva reed samen met zijn zoon [Kārtikeya, zijn generaal] de stad uit zittend op Nandi, zijn stier, om vergezeld door de Pramatha's [zijn verschillende mystieke metgezellen] aan de kant van Bāna tegen Balarāma en Krishna te vechten.

Bhagavān S'iva reed uit op Nandi, zijn stier, tezamen met zijn zoon [Kārtikeya, zijn generaal] en werd vergezeld door de Pramatha's [zijn verschillende mystieke toegehorigen] om terwille van Bāna te vechten met Rāma en Krishna. (Vedabase)

 

Tekst 7

Wat zich toen voordeed, o Koning, was een ontstellend heftige strijd die je de haren te berge deed rijzen. Krishna kwam daarin in het geweer tegen S'ankara en Pradyumna tegen Kārtikeya.

Wat zich toen voordeed, o Koning, was een heftige, ontstellende, strijd die je de haren te berge deed rijzen waarbij Krishna in het geweer kwam tegen S'ankara en Pradyumna tegen Kārtikeya. (Vedabase)

 

Tekst 8

Balarāma vocht tegen Kumbhānda en Kūpakarna, Sāmba vocht tegen Bāna's zoon en Sātyaki vocht tegen Bāna zelf.

Kumbhānda en Kūpakarna hadden een gevecht met Balarāma, Sāmba met de zoon van Bāna en Satyāki met Bāna zelf. (Vedabase)

 

Tekst 9

Om er getuige van te zijn kwamen de leiders van de goddelijken met Heer Brahmā voorop in hun hemelse voertuigen, alsook de wijzen, de vervolmaakten en de achtenswaardigen, de zangers en dansmeisjes van de hemel en de geesten.

Met Heer Brahmā aan het hoofd kwamen om er getuige van te zijn in hun hemelse voertuigen de leiders van de goddelijken, de wijzen, de vervolmaakten en de achtenswaardigen; de zangers en dansmeisjes van de hemel zowel als de geesten. (Vedabase)

    

Tekst 10-11

Scherpgepunte pijlen afschietend met Zijn boog, de S'ārnga, verdreef S'auri [Krishna] de Bhūta's [geesten der overledenen], de Pramatha's [mystieke geesten], de Guhyaka's [de schatbewaarders van Kuvera], de Dākinī's [de vrouwelijke demonen van Kālī], de Yātudhāna's [beoefenaren van de zwarte magie], de Vetāla's [de vampieren], de Vināyaka's [demonen van scholing, afleiders, kankeraars], de Preta's [spoken en gnomen], de Mātā's [demonische moeders], de Pis'āca's [duivelskinderen], de Kushmānda's [meditatieverstoorders, ziekmakers] en de Brahma-rākshasa's [gevallen brahmanen als in 9.9: 25] die allemaal S'ankara volgden.

Scherpgepunte pijlen afschietend met Zijn boog, de S'arnga, verdreef S'auri [Krishna] de Bhūta's [geesten der overledenen], de Pramatha's [mystieke geesten], de Guhyaka's [de schatbewaarders van Kuvera], de Dākinī's [de vrouwelijke demonen van Kāli], de Yātudhāna's [beoefenaren van de zwarte magie], de Vetāla's [de vampieren], de Vināyaka's [demonen van scholing, afleiders, kankeraars], de Preta's [spoken en gnomen], de Mātā's [demonische moeders], de Pis'āca's [duivelskinderen], de Kushmānda's [meditatieverstoorders, ziekmakers] en de Brahma-rākshasa's [gevallen brahmanen als in 9.9: 25] die S'ankara allemaal volgden. (Vedabase)

  

Tekst 12

De drager van de drietand [Pinākī ofwel S'iva] die verschillende soorten wapens inzette tegen Hem die de S'ārnga hanteert, zag  hoe ze allemaal geneutraliseerd werden met passende tegenwapens. Ze konden de Drager van de S'ārnga niet van Zijn stuk brengen.

De hanteerder van de drietand [Pinākī ofwel S'iva] zich bedienend van verschillende soorten wapens tegen Hem die de S'arnga Spande zag ze allemaal geneutraliseerd met wapens van afweer; ze konden de Drager van de S'arnga niet van Zijn stuk brengen. (Vedabase)

 

Tekst 13

Hij zette een brahmāstra in tegen een brahmāstra, een bergwapen tegen een windwapen, een regenwapen tegen een vuurwapen en Zijn nārāyanāstra [Zijn persoonlijke wapen] tegen S'iva's [persoonlijke] pās'upatāstra [het 'beestenriem'-wapen].

Hij zette een brahmāstra in tegen een brahmāstra, een bergwapen tegen een windwapen, een regenwapen tegen een vuurwapen en Zijn nārāyanāstra [Zijn persoonlijke wapen] tegen S'iva's [persoonlijke] pās'upatāstra [het 'beestenriem'-wapen]. (Vedabase)

 

Tekst 14

Nadat S'auri heer S'iva had begoocheld door hem aan het gapen te brengen met een gaapwapen, viel Hij Bāna's leger aan met Zijn zwaard, Zijn knots en Zijn pijlen.

Daarop heer S'iva begoochelend, door hem aan het gapen te brengen met een gaapwapen, trof S'auri Bāna's leger met Zijn zwaard, Zijn knots en Zijn pijlen. (Vedabase)

 

Tekst 15

Kārtikeya geplaagd door Pradyumna's pijlen die van alle kanten op hem neerregenden, vluchtte met zijn ledematen stromend van het bloed op zijn pauwenvoertuig weg van het slagveld.

Kārtikeya geplaagd door Pradyumna's pijlen die van alle kanten op hem neerregenden, vluchtte op zijn pauwe-voertuig weg van het slagveld, met zijn ledematen stromend van het bloed. (Vedabase)

 

Tekst 16

Kumbhānda en Kūpakarna geteisterd door de knots [van Balarāma] vielen en hun legers, wiens leiders dood waren, vluchtten in alle richtingen.

Kumbhānda en Kūpakarna geteisterd door de knots vielen en hun legers, van wie de leiders nu dood waren, vluchtten in alle richtingen. (Vedabase)

    

Tekst 17

Bāna die zijn troepen uiteengeslagen zag, keerde zich af van Sātyaki waarmee hij vocht, stak in zijn strijdwagen het slagveld over en viel hoogst verbeten Krishna aan.

Bāna geplaatst voor zijn uiteengeslagen troepen, liet Sātyaki die hij bevocht voor wat hij was, stak in zijn strijdwagen het slagveld over en viel hoogst verbeten Krishna aan. (Vedabase)

 

Tekst 18

Bāna, buiten zichzelf door het vechten, legde twee pijlen aan op ieder van zijn bogen en spande in één keer alle vijfhonderd.

Bāna buiten zichzelf van het vechten spande met twee pijlen op ieder aanleggend, in één keer het geheel van zijn vijfhonderd bogen. (Vedabase)

 

Tekst 19

Deze bogen werden door Bhagavān allen tegelijk doorkliefd en nadat Hij de strijdwagen, de paarden en de wagenmenner [van Bāna] had getroffen, blies Hij op Zijn schelphoorn.

Deze bogen werden door Bhagavān allen tegelijk doorkliefd en nadat de strijdwagen, de paarden en de wagenmenner waren geraakt, blies Hij op Zijn schelphoorn. (Vedabase)

  

Tekst 20

[Toen] plaatste zijn moeder genaamd Kotharā, in de hoop het leven van haar zoon te redden, zichzelf naakt, met haar haar losgemaakt, recht voor Krishna.

[toen...] In de hoop het leven van haar zoon te redden, plaatste zijn moeder, genaamd Kotharā, zichzelf naakt, met haar haar losgemaakt, pal voor Krishna. (Vedabase)

  

Tekst 21

Op het moment dat Heer Gadāgraja daarop Zijn gelaat afwendde om de naakte vrouw niet te hoeven zien, nam Bāna zonder zijn wagen en met zijn bogen gebroken, de kans waar om de stad in te vluchten.

Toen Heer Gadāgraja daarop Zijn gelaat afwendde om de naakte vrouw niet te hoeven zien, nam Bāna zonder zijn wagen en met zijn boog gebroken, de kans waar om de stad in te vluchten. (Vedabase)

 

Tekst 22

Maar nadat S'iva's volgelingen verdreven waren ging Jvara, de [verpersoonlijking van S'iva's hete] koorts met drie hoofden en drie voeten, de afstammeling van Dās'arha te lijf alsof hij de tien windrichtingen in vuur en vlam wilde zetten [zie *].

Maar met S'iva's volgelingen verdreven wierp Jvara, de [verpersoonlijking van S'iva's hete] koorts met drie hoofden en drie voeten, zich naar voren op de afstammeling van Dās'arha af alsof hij de tien windrichtingen in vuur en vlam zou zetten [zie *]. (Vedabase)

 

Tekst 23

Hem ziend stuurde Heer Nārāyana daarop Zijn eigen [extreem koude] koorts zodat de twee Jvara's van Māhes'vara en Vishnu met elkaar in gevecht raakten.

Heer Nārāyana, hem ziend, liet daarop Zijn koorts los [extreem koud daarentegen] zodat de twee Jvara's van Māhes'vara en Vishnu met elkaar in gevecht raakten. (Vedabase)

 

Tekst 24

Die van Māhes'vara schreeuwde het uit gepijnigd door de kracht van die van Vishnu. Nergens een veilig heenkomen vindend begon Māhes'vara's Jvara toen dorstend naar bescherming devoot Hrishīkes'a te prijzen met gevouwen handen.

Die van Māhes'vara schreeuwde het uit gepijnigd door de kracht van die van Vishnu en nergens een veilig heenkomen vindend begon Māhes'vara's Jvara dorstend naar bescherming devoot Hrishīkes'a te prijzen met gevouwen handen. (Vedabase)

 

 Tekst 25

De Jvara zei: 'Ik buig me neer voor U, de Allerhoogste Heer Onbegrensd in Zijn Vermogens, de Ziel van Allen Zuiver van Bewustzijn, de Oorzaak van het geheel van de schepping, voleinding en handhaving van het universum, voor U de Absolute Waarheid van Volmaakte Vrede naar wie de Veda's indirect verwijzen.

De Jvara zei: 'Ik buig me neer voor U, de Allerhoogste Heer Onbegrensd in Zijn Vermogens, de Ziel van Allen Zuiver van Bewustzijn, de Oorzaak van het geheel van de schepping, voleinding en handhaving van het het universum; U de Absolute Waarheid van Volmaakte Vrede waaraan de Veda's indirect refereren. (Vedabase)

 

Tekst 26

Ik benader U omdat U de loochening bent van deze māyā, deze materiėle begoocheling van de tijd, het lot, het karma, de individuele geneigdheden, de subtiele elementen, het veld [dat het lichaam vormt], de levenskracht [prāna], het zelf, de transformaties [de elf zinnen] en dit alles bij elkaar [in de vorm van het subtiele lichaam, de linga]. Die illusoire werkelijkheid vormt een nimmer eindigende stroom [als die] van zaden en spruiten.

U als de loochening van deze māyā van de tijd, het lot, de karmische werklast, de geneigdheden daaromtrent, de subtiele elementen, het veld dat het lichaam vormt, de levensadem, het idee van een ik, de transformaties [de elf zinnen] en dit alles bijeen tezamen [als het subtiele lichaam, de linga], dat er allemaal is in een constante stroom van zaad en spruit, U benader Ik. (Vedabase)

  

Tekst 27

Met verschillende bedoelingen vervult U goddelijke missies [līlā's] opdat de godsbewusten, de wijzen en de gedragsregels in de wereld worden gehandhaafd en er een einde komt aan hen die het pad verlieten en zich overgaven aan geweld. Deze incarnatie van U is er om de aarde van haar last te verlossen [zie ook B.G. 9: 29 en 4: 8].

U met verschillende bedoelingen bent er waarlijk om missies ten uitvoer te brengen van goddelijke aard [līlā's] teneinde de godbewusten, de wijzen en de gedragsregels in de wereld te handhaven, en om hen ter dood te brengen die het pad verlieten en leven met geweld; Uw incarneren als zodanig is er om de aarde van haar last te verlossen [zie ook B.G. 9: 29 en 4: 8]. (Vedabase)

 

 Tekst 28

Ik wordt geplaagd door deze hoogst verschrikkelijke koorts van Uw macht die ondraaglijk koud is, maar, niettemin, brandt, want inderdaad, zolang de belichaamde zielen in de greep van hun verlangens verkeren en niet Uw voetzolen dienen moeten ze aldoor lijden.'

Door Uw almacht die onverdraaglijk koud niettemin verschroeit, ben ik voor lang geplaagd met deze hoogst verschrikkelijke koorts, daar inderdaad zolang de belichaamde zielen niet Uw voetzolen van dienst zijn ze moeten lijden, onafgebroken gebonden aan begeerten.' (Vedabase)

  

Tekst 29

De Allerhoogste Heer zei: 'O driekoppige, Ik ben tevreden over u, moge uw angst opgewekt door Mijn koorts u verlaten. Voor niemand die zich ons gesprek herinnert zal er een reden zijn om u te vrezen.'

De Allerhoogste Heer zei: 'O driekoppige, Ik ben tevreden over U, moge uw angst opgewekt door Mijn koorts u verlaten; een ieder die zich ons gesprek herinnert zal geen reden hebben u te vrezen.' (Vedabase)

 

Tekst 30

Aldus toegesproken boog het koortswapen van Māhes'vara voor Acyuta en ging hij weg, maar Bāna, rijdend in zijn strijdwagen, kwam naar voren met de bedoeling met Janārdana te gaan vechten.

Aldus toegesproken boog Māhes'vara's Jvara zich voorover voor Acyuta en ging hij weg, maar Bāna, rijdend in zijn strijdwagen, kwam naar voren met het voornemen om de strijd met Janārdana aan te binden. (Vedabase)

 

Tekst 31

Daarop schoot de demon o Koning, met zijn duizend armen talloze wapens hooghoudend, kokend van woede pijlen af op Hem die de Cakra Hanteert.

=Daarop, o Koning, met zijn duizend armen talloze wapens hooghoudend, schoot de demon, kokend van woede, pijlen weg naar Hem Wiens wapen de Cakra is. (Vedabase)

 

Tekst 32

Terwijl hij keer op keer zijn wapens lanceerde, sneed de Allerhoogste Heer met de messcherpe rand van Zijn schijf zijn armen eraf alsof het de takken van een boom waren.

Van hem, die keer op keer wapens wegslingerde, sneed de Allerhoogste Heer met de messcherpe rand van Zijn schijf de armen af als waren het de takken van een boom. (Vedabase)

 

Tekst 33

Toen Bāna's armen van zijn romp werden gescheiden, naderde de grote heer Bhava [- van het bestaan, S'iva] uit mededogen voor zijn toegewijde en richtte hij zich tot de Hanteerder van de Schijf.

Terwijl Bāna's armen van zijn romp werden gescheiden, naderde de grote heer Bhava [- van het bestaan, S'iva] uit mededogen voor zijn toegewijde en richtte hij zich tot de Hanteerder van de Schijf. (Vedabase)

 

Tekst 34

S'rī Rudra zei: 'U alleen bent de Absolute Waarheid, het licht van het Allerhoogste schuilgaand in de taal van het Absolute [in de Veda's]. Zij wiens harten vrij van smetten zijn kunnen U zien als de blauwe lucht zo zuiver.

S'rī Rudra zei: 'U alleen bent de Absolute Waarheid, het licht van het Allerhoogste schuil gaand in de taal [in de Veda's] gebruikt voor het Absolute; zij wiens harten zonder een smet zijn zien U, die zo zuiver bent als de blauwe lucht. (Vedabase)

 

Tekst 35-36

De atmosfeer vormt Uw navel, het vuur Uw gezicht, het water Uw zaad, de hemel Uw hoofd en de richtingen zijn Uw gehoorzin. De aarde is Uw voet, de maan Uw geest en de zon is Uw gezichtsvermogen. Ik ben Uw bewustzijn van het Zelf, de oceaan is Uw onderbuik en Indra is Uw arm. Uw goede zelf, met de planten als het haar op Uw lichaam, de wolken als het haar op Uw hoofd, Virińca als Uw intelligentie, de Prajāpati als Uw geslachtsdelen en de religie als Uw hart, bent de Purusha uit wie al de werelden voortkwamen.

U met de atmosfeer als Uw navel; het vuur als Uw gezicht, het water als Uw zaad, de hemel als Uw hoofd, de richtingen als Uw gehoorzin, de aarde als Uw voet, de maan als Uw geest; Wiens zien de zon is, Wiens bewustzijn van een zelf ik ben, met de oceaan als Uw onderbuik en Indra als Uw arm; U met de planten als het haar op Uw lichaam, de wolken als het haar op Uw hoofd, met Virińca als Uw intelligentie, met de prajāpati als Uw geslachtsdelen, Wiens hart de religie is; Uw goede Zelf voorwaar is de Purusha uit wie al de werelden voortkwamen. (Vedabase)

 

Tekst 37

U, o onbegrensde heerlijkheid, bent er in deze nederdaling om het dharma te verdedigen ten behoeve van het Geheel van het Levende Wezen [het universum] en wij [halfgoden] manifesteren en ontwikkelen allen, door U verlicht, de zeven werelden [zie dvīpa].

U van een onbegrensde heerlijkheid bent in deze nederdaling er om het dharma te verdedigen ten voordele van het Geheel van het Levende Wezen en wij allen manifesteren en ontwikkelen door U verlicht de zeven werelden [zie dvīpa]. (Vedabase)

 

Tekst 38

U bent de Oorspronkelijke Allerhoogste Persoon zonder Zijns gelijke, de Bovenzinnelijke, Zelfmanifesterende Oorzaak waar geen oorzaak aan vooraf gaat, de Heerser. Niettemin komt U, terwille van de volledige manifestatie van Uw kwaliteiten, hier als een verschijning van Uw begoochelende vermogen  [in verschillende levensvormen, goden en avatāra's].

U bent de Oorspronkelijke Allerhoogste Persoon zonder Zijns gelijke, de Bovenzinnelijke Zelfmanifesterende Oorzaak waar geen oorzaak aan vooraf gaat, de Heerser; niettemin wordt U, ter wille van de volledige manifestatie van Uw kwaliteiten, even zo goed waargenomen in de uiteenlopende transformaties [van de verschillende levensvormen, goden en avatāra's] van Uw begoochelende vermogen. (Vedabase)

 

Tekst 39

Net zoals de zon in zijn eigen schaduw [achter de wolken] aan het zicht onttrokken is en de zichtbare vormen verlicht, wordt U o Almachtige, net zo zelfverlicht, overdekt door de kwaliteiten der materie [door vals ego] en verlicht U [van binnenuit] de werkelijkheid van die geaardheden alsook de wezens die deze kwaliteiten hebben.

Net zoals de zon in zijn eigen schaduw onttrokken aan het zicht de zichtbare vormen uitlicht, werpt U, o Almachtige, net zo oplichtend vanuit Uzelf, licht op de kwaliteiten van de overdekkende geaardheden der materie voor de wezens behept met deze kwaliteiten. (Vedabase)

 

Tekst 40

Zij die, geheel verstrikt in hun respect voor hun kinderen, vrouw, huis enzovoorts, met hun verstand in de ban van māyā verkeren, rijzen [als drenkelingen eerst] naar de oppervlakte van de oceaan der misčre en zinken [dan naar de bodem. Zie B.G. 9: 21].

Zij die volledig verstrikt zijn in het respect voor hun kinderen, vrouw, een huis en zo voorts, stijgen in hun intelligentie verbijsterd door māyā [afwisselend] naar de oppervlakte van de oceaan der misčre en zinken [dan weer, zie B.G. 9: 21]. (Vedabase)

 

Tekst 41

Beklagenswaardig is de persoon die, bij de genade van God deze mensenwereld hebben bereikt, zijn zinnen niet onder controle heeft en niet Uw voeten eert, want zo iemand houdt zichzelf voor de gek.

Bij de genade van God deze mensenwereld bereikend is hij, die onbeheerst in zijn zinnen niet bereid is Uw voeten te eren, inderdaad beklagenswaardig iemand die zichzelf voor de gek houdt. (Vedabase)

 

Tekst 42

De sterveling die, [b.v. politiek] in oppositie verkerend terwille van de zinsobjecten, U, zijn Ware Zelf en innigste Leidsman afwijst, eet het vergif en mijdt de nectar.

De sterveling die in oppositie terwille van de zinsobjecten U afwijst, zijn Ware Zelf en innigste Leidsman, eet het vergif en mijdt de nectar. (Vedabase)

 

Tekst 43

Ik, Brahmā alsook de halfgoden en de wijzen met een zuiver bewustzijn hebben ons met hart en ziel overgegeven aan U, de Meester, het hoogst beminde Zelf.

Ik, Brahmā als ook de halfgoden en de wijzen hebben een bewustzijn dat zuiver is met ons hele hart van overgave zijnd voor U, de Meester, het hoogst beminde Zelf. (Vedabase)

 

Tekst 44

Laat ons U aanbidden, de Godheid, de oorzaak van het ontstaan, de handhaving en de neergang van het Levende Wezen dat het Universum is, U die volmaakt in vrede gelijkmoedig, de unieke, ongeėvenaarde Vriend, het ware Zelf en de aanbiddelijke Heer van al de werelden en al de zielen bent, de toevlucht om bevrijd te raken uit je materiėle bestaan.

Laten we van aanbidding zijn voor de Godheid die U bent, de oorzaak van het zich opwerpen, het handhaven en de neergang van het Levende Wezen dat het Universum is; Hij, die volmaakt in vrede gelijkmoedig de unieke, ongeėvenaarde Vriend, het ware Zelf en de aanbiddelijke Heer van al de werelden en al de zielen is, de toevlucht voor de vervolmaking van een materieel leven. (Vedabase)

 

Tekst 45

Hij hier [Bāna] is mijn favoriet, mijn meest dierbare volgeling die ik beloonde met onbevreesdheid o Heer, alstUblieft schenk hem daarom Uw genade, zoals U ook van genade was voor de meester der Daitya's [Prahlāda].'

Deze hier [Bāna] is mijn gunsteling en meest dierbare volgeling, die door mij beloond is met onbevreesdheid, o Heer, alstUblieft vergun hem daarom Uw genade, zoals U ook van genade was voor de meester der daitya's [Prahlāda].' (Vedabase)

 

Tekst 46

De Allerhoogste Heer zei: 'We zullen doen wat u zei dat u graag wilde o grote heer, ik ben het helemaal eens met uw conclusie.

De Allerhoogste Heer zei: 'Wat U ons gezegd hebt, o grote heer, zullen We ten uitvoer brengen, Ik sluit me volledig aan bij wat u bepaalde als zijnde uw genoegen. (Vedabase)

 

Tekst 47

Deze zoon van Virocana [Bali] zal door Mij gespaard worden, want Ik verleende Prahlāda de zegen dat zijn afstammelingen niet door Mij gedood zouden worden [zie ook 7.10: 21].

Hij, deze zoon van Virocana [Bali], zal voorzeker door Mij gespaard worden, daar Ik Prahlāda de volgende zegen gaf: 'Jouw afstammelingen zullen niet door Mij gedood worden' [zie ook 7.10: 21]. (Vedabase)

 

Tekst 48

Zijn armen werden er door Mij afgesneden om zijn trots te breken en Ik vernietigde zijn enorme militaire macht omdat die de aarde tot last geworden was.

Om zijn trots te onderwerpen werden zijn armen er door Mij afgesneden en werd de enorme militaire macht vernietigd die de aarde een last geworden was. (Vedabase)

 

Tekst 49

De Asura die nog vier van zijn armen over heeft, zal één van uw belangrijkste metgezellen worden, hij zal niet verouderen en onsterfelijk zijn, hij hoeft nergens bang voor te wezen.'

De asura met behoud van vier van zijn armen, zal, niet ouder wordend en onsterfelijk, als één van uw belangrijkste metgezellen iemand zijn die niets van welke zijde ook te vrezen heeft.' (Vedabase)

 

Tekst 50

Aldus de vrijheid van angst bereikend boog de Asura zijn hoofd voor Krishna, bracht de zoon van Pradyumna en Zijn echtegenote en zette ze op een strijdwagen.

Aldus de vrijheid van angst bereikend boog de asura zijn hoofd voorover naar Krishna, plaatste de zoon van Pradyumna met Zijn vrouw op Zijn strijdwagen en leidde hem naar voren. (Vedabase)

 

Tekst 51

Hij [Krishna] plaatste Hem en Zijn vrouw, opgesierd en gestoken in de fijnste kleren, voorop en vertrok, met de toestemming van S'iva, omringd door een akshauhinī [een militaire divisie].

Hij [Krishna] met het Hem en Zijn vrouw, opgesierd en met de fijnste kleren aan, op kop plaatsen, vertrok toen met de toestemming van S'iva, omringd door een aksauhinī. (Vedabase)

 

Tekst 52

Toen Hij zijn hoofdstad binnenkwam die geheel versierd was met vlaggen, erebogen en met zijn straten en kruispunten besprenkeld, werd Hij respectvol door de mensen van de stad, Zijn verwanten en de tweemaal geboren zielen verwelkomd onder het weerklinken van schelphoorns, tweezijdige trommels en pauken.

Zijn hoofdstad, volledig opgesierd met vlaggen, erebogen en met de straten en kruispunten besprenkeld, binnenkomend, werd Hij respectvol onder het weerklinken van schelphoorns, tweezijdige trommels en pauken verwelkomd door de mensen van de stad, Zijn verwanten en de tweemaal geborenen. (Vedabase)

 

Tekst 53

Voor de persoon die bij het krieken van de dag opstaat en zich deze overwinning van Krishna in de slag met S'ankara herinnert, zal er geen nederlaag zijn.' 

Voor diegene die, bij het krieken van de dag opstaand, zich aldus de overwinning van Krishna in de slag met S'ankara herinnert, zal er geen nederlaag zijn. (Vedabase)

 

*: Hier citeert S'rīla Vis'vanātha Cakravartī Thhākura de volgende beschrijving van de S'iva-jvara: "De verschrikkelijke S'iva-jvara had drie benen, drie hoofden, zes armen en negen ogen. As rondstrooiend leek hij op Yamarāja ten tijde van de ondergang van het universum."

 

 

 

 

 

 

 

 Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.
De afbeelding van het reliėf toont Bāna die vecht met zijn vele armen. Plaats onbekend.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties