regelbalk



 

Canto 8

S'rî S'rî S'ikshâshthaka

 

 

Hoofdstuk 8: Meer Verschijnt door het Karnen: Moeder Lakshmî en Dhanvantari

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen het gif door hem die de stier berijdt [Heer S'iva] was opgedronken, hervatten de onsterfelijken en Dânava's blij snel het karnen van de oceaan en verscheen daarop de koe van overvloed [de surabhi, de bron van de ghee]. (2) De wijzen bekend met de voorschriften voor de yajña's ontfermden zich over haar o Koning, omdat ze vanwege haar geklaarde boter van nut was voor de heilige offerplechtigheden.

(3) Daaropvolgend manifesteerde zich een paard zo wit als de maan genaamd Uccaihs'ravâ dat Mahârâja Bali graag wilde hebben, terwijl Indra op aanraden van de Heer er van afzag het te claimen [zie B.G. 10: 27 en vergelijk 4.19: 23].

(4) Daarna werd de koning der weerbaarheid, de olifant Airâvata voortgebracht die met zijn vier slagtanden de glorie van de witte berg [Kailâsa] overschaduwde, de verblijfplaats van de Eerste Toegewijde [Heer S'iva, zie 6.11: 11 en nog eens B.G. 10: 27]. (5) Airâvana was de eerste van een achttal olifanten voor iedere windrichting en op hem volgend werd er ook een groep van acht wijfjesolifanten voortgebracht aangevoerd door een olifant die Abhramu heette, o Koning.

(6) Vervolgens werd uit de grote melkzee een waardevol lotuskleurig juweel voortgebracht dat bekend staat als het Kaustubhajuweel. Heer Hari die het graag wilde hebben siert er Zijn borst mee. Daarna werd de pârijâtaboom voortgebracht die de hemelse plaatsen verfraait en ongeveer zoals u, die graag ieders wensen vervult, iedere wens op deze planeet in vervulling doet gaan door te verschaffen wat men maar wil o Koning.

(7) Daarna werden de Apsara's voortgebracht, de buitengewoon mooie en aantrekkelijke bewoners van de hemel die, verfijnd gekleed en met goud behangen, zich sierlijk rond bewegen en ieders hart op hol brengen.

(8) Nadat zich dat had voorgedaan manifesteerde zich de Godin der Schittering [Ramâ of Lakshmî] in eigen persoon. Met haar stralende luister verlichtte ze [zo helder] als [de berg] Saudâmanî in het gezelschap van de Heer alle richtingen [voor het omgaan met die pracht zie de 'vredesformule' in B.G. 5: 29]. (9) Iedere Sura, Asura en menselijk wezen begeerde haar, daar de oogstrelende schoonheid van haar trekken, jeugd, uitstraling en heerlijkheden hun geesten in haar greep had. (10) De koning van de hemel bracht een glorieuze, prachtige zitplaats voor haar en al de heilige rivieren namen een persoonlijke gedaante aan door gouden vaten te vullen met zuiver water. (11) Het land bood al de kruiden die nodig zijn voor het installeren van de godheid. De koeien droegen bij met hun vijf zuivere producten [melk, yoghurt, ghee, uitwerpselen en urine] en de lentetijd leverde bloemen en vruchten. (12) De wijzen voerden de baadceremonie uit zoals voorgeschreven, de Gandharva's zongen gelukbrengende mantra's en hun echtgenotes dansten en zongen mee. (13) De wolken lieten dubbelzijdige trommels, pauken, muraja's en ânaka's klinken [twee andere soorten trommels] en in combinatie met de geluiden van trompetten, schelphoorns, fluiten en vînâ's vormde dat een tumult van jewelste. (14) En terwijl de tweemaal geborenen hymnen aan het zingen waren goten vervolgens de olifanten potten vol heilig water uit over de kuise godin die zo prachtig was met de lotus in haar hand [zie ook een klassieke afbeelding van Lakshmî]. (15) De oceaan bood gele zijde om haar van top tot teen te kleden en Varuna leverde een grote bloemenslinger met hommels eromheen die bedwelmd waren door de zoete geur. (16) Van Prajâpati Vis'vakarmâ was er een keur aan sieraden, Sarasvatî [de godin der wijsheid] gaf een halsketting, Heer Brahmâ leverde een lotusbloem en de Nâga's [de excellenten] gaven oorbellen. (17) Daaropvolgend aanbeden in een allesbegunstigende eredienst liep ze, een natuurlijke schoonheid uitstralend met de sier van de oorhangers langs haar wangen en een verlegen glimlach op haar gezicht, rond [door het offerperk] met de slinger van lotusbloemen in haar hand en de bijen eromheen. (18) Met haar twee symmetrische borsten, haar slanke middel in harmonie en ingewreven met sandelhoutpasta en kunkuma, zag ze, zich van hier naar daar bewegend met het zachte getinkel van haar enkelbelletjes, eruit als een gouden klimrank. (19) In die positie op zoek naar de eeuwige kwaliteiten kon ze onder de bewoners van de hemel, de volmaakten, de onverlichte zielen, de hoeders van de welvaart, de eerbiedwaardigen en al de andere halfgoden, er niet één vinden die voldeed in ieder opzicht.

(20) [Ze overwoog:] 'Zeker van zijn verzakingen heeft men nog niet de woede overwonnen, geestelijke kennis hebben wil nog niet zeggen dat men vrij is van negatieve invloeden van de omgang met anderen en een grote persoonlijkheid heeft nog niet zijn materiële verlangens overwonnen. Hoe kan iemand die op deze manier beheerst wordt door iets of iemand anders nu [zijn zinnen, zichzelf] de baas zijn? (21) Iemand mag dan van dharma zijn, maar is hij vriendelijk voor alle levende wezens? Iemand kan van verzaking zijn, maar onbekend zijn met de zaak der bevrijding. Een persoon kan macht hebben over mensen, maar nog steeds niet bevrijd zijn van de almacht van de materiële natuur [van de macht van de tijd]. Iemand kan vrij zijn van de invloed van de natuurlijke geaardheden, maar hij zal nimmer een tweede zijn [een andere Heer van Beheersing en Yoga, zie ook 1.2: 8]. (22) Iemand kan lang leven maar hoeft nog niet te weten hoe hij zich moet gedragen en gelukkig zijn, iemand mag de kunst van het leven meester zijn, maar niet weten hoe hij oud moet worden. Iemand kan van beiden op de hoogte zijn en nog steeds ongelukkig zijn in een ander opzicht. Noch is van iemand die uitblinkt op ieder terrein gezegd dat hij mij wenst [in mijn positie van toewijding aan Vishnu]!'

(23) Met deze overwegingen in gedachten wendde de Godin van de Pracht en Weelde zich tot Hem, Mukunda, het Vergaarbekken der Bovenzinnelijkheid, Hij die in ieder opzicht zo geschikt en wenselijk was als de echtgenoot van haar keuze - hoewel Hij er zelf niet naar verlangde. Hij immers was onafhankelijk van anderen en behept met buitengewone, alleszins goede, transcendentale kwaliteiten. (24) Na om Zijn schouders een schitterende krans te hebben gehangen van verse lotusbloemen die gonsde van de doldwaze hommels, hield ze zich met een bescheiden glimlach en met glinsterende ogen, aan Zijn zijde op met Zijn boezem als haar ware rustpunt. (25) Hij, de vader van de drie afdelingen van het universum, maakte Zijn hart de verblijfplaats van de moeder, de godin, de hoogste [vertegenwoordiging van] de weelde. Zij daar geïnstalleerd zorgt met haar genadige blik toezicht houdend op de drie werelden voor de toename van het geluk van Zijn dienaren en leiders. (26) De dienaren van de goden en hun vrouwen [de dansers en zangers van de hemel], gingen allen over tot gezang en dans begeleid door de luide klanken van muziekinstrumenten als schelphoorns, trompetten en trommels. (27) Brahmâ, S'iva en al de leiders der wereld met Angirâ voorop bewezen de hoogste persoonlijkheid de eer middels het uitstrooien van bloemen en het zingen van mantra's die Zijn ware aard beschreven. (28) Met de genadevolle blik van de Godin rustend op de goddelijken, de vaders der mensheid en hun generaties, werden zij allen gezegend met goed gedrag en goede eigenschappen en bereikten ze de uiteindelijke voldoening.

(29) De Daitya's en Dânava's o Koning, die echter door Lakshmî verwaarloosd werden, raakten, gedeprimeerd in hun kwellende begeerte, moedeloos en verloren al hun gevoel van schaamte. (30) Vervolgens verscheen Vârunî, de godin der dronkenschap, een jong lotusogig meisje dat, met de toestemming van de Heer, door de Asura's werd aanvaard.

(31) Met de zoons van Kas'yapa die daarop [opnieuw] ijverig de oceaan karnden voor de nectar, verscheen er [uiteindelijk] een hoogst wonderbaarlijke manspersoon o grote Koning. (32) Hij was lang, jeugdig, had stoere, sterke armen, een hals als een schelphoorn, een donkere huid, rooddoorlopen ogen, een bloemenslinger en was behangen met allerlei sieraden. (33) In het geel gehuld, met een brede borst, met zorgvuldig gepolijste, met juwelen ingelegde oorhangers, met pols- en enkelbanden gesierd en met glanzende, krullende haarlokken, trad hij, zo krachtig als een leeuw, naar voren met een tot de rand toe gevulde pot vol nectar. (34) Hij was een gedeeltelijke verschijning van een deel van Heer Vishnu in eigen persoon bekend onder de naam Dhanvantari die, zorgend voor de medische wetenschap, een van de halfgoden was met recht op een deel van de offergaven. (35) Al de Asura's die hem zagen met het vat vol nectar, graaiden, verlangend naar de inhoud, hem onmiddellijk de pot uit zijn handen. (36) Toen de pot met nectar door de Asura's werd meegenomen, deden de halfgoden ongelukkig een beroep op de Heer. (37) Toen Hij zag hoezeer ze erover in de put zaten zei de Allerhoogste Heer die altijd handelt overeenkomstig de verlangens van Zijn dienaren: 'Treur er niet om, Ik zal er hoogst persoonlijk op toezien dat de nectar er voor ieder van jullie is.' (38) O meester der mensen, zij [de Asura's] maakten ruzie met elkaar over de nectar waarbij ze met een begeertig hart zeiden: 'Ik eerst, ik eerst, niet jij, niet jij!' (39-40) Anderen riepen: 'De goden spanden zich net zo goed in voor hun plicht met het offerritueel en verdienen een even groot aandeel. Dit is een kwestie van traditionele verplichtingen [sanâtana dharma]!' De Daitya's die met alle geweld de pot probeerden te bemachtigen, ontzegden aldus jaloers en zwak elkaar voortdurend het recht o Koning. (41-46) Nadat dit was voorgevallen nam Heer Vishnu, de Allerhoogste Heer en Meester die voor ieder probleem een oplossing heeft, de gedaante van een allerverrukkelijkste, wonderbaarlijke vrouw aan die voor iedereen een mysterie vormde. Ze was een lust voor het oog. Zo donker als een pas geopende lotus was ze in al haar leden van de grootste schoonheid en harmonie. Ze had een rechte neus, een fraaie kaaklijn en versierde oren. Ze had frisse, ferme, jonge maar zware borsten bij een slank middel en een gelukzalige uitdrukking op haar gezicht. Ze keek wat zorgelijk uit haar ogen vanwege de hommels om haar heen. Met de massa van haar prachtige, golvende haar en haar fraaie hals met daar omheen een mallikâ [jasmijn] bloemenslinger, met de schoonheid van haar armen die waren versierd met de fijnste juwelen en banden, met de propere sari over haar borst gespreid die een eiland van schoonheid was en met de gordel die ze om haar middel droeg, bewoog ze zich gracieus voort met haar enkelbelletjes. Verlegen haar blikken werpend en met haar wenkbrauwen in beweging, wekte ze diep in de harten van de Daitya leiders een aanhoudend wellustig verlangen op.'
 

next                          

 

 

 
Derde herziene editie, geladen 1  juli, 2012.
 
 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Toen het gif door hem die de stier berijdt [Heer S'iva] was opgedronken, hervatten de onsterfelijken en Dânava's blij snel het karnen van de oceaan en verscheen daarop de koe van overvloed [de surabhi, de bron van de ghee].
S'rî S'uka zei: 'Toen het gif door hem die de stier berijdt was gedronken, hervatten al de onsterfelijken en dânava's zeer verheugd het karnen van de oceaan en werd door de grote kracht ervan de koe van overvloed voortgebracht [de surabhi, de bron van de ghee]. (Vedabase)

 

Tekst 2

De wijzen bekend met de voorschriften voor de yajña's ontfermden zich over haar o Koning, omdat ze vanwege haar geklaarde boter van nut was voor de heilige offerplechtigheden.

De wijzen bekend met de voorschriften voor de yajña's droegen er zorg voor, o Koning, omdat zij, vanwege de geklaarde boter, geschikt was om offerandes te brengen met de vuuroffers en het vorderen naar God. (Vedabase)

 

Tekst 3

Daaropvolgend manifesteerde zich een paard zo wit als de maan genaamd Uccaihs'ravâ dat Mahârâja Bali graag wilde hebben, terwijl Indra op aanraden van de Heer er van afzag het te claimen [zie B.G. 10: 27 en vergelijk 4.19: 23].

Daarop volgend werd een paard voortgebracht zo wit als de maan, genaamd Uccaihs'ravâ, dat Mahârâja Bali graag wilde hebben, maar niet Indra zo had de Heer hem aangeraden [zie B.G. 10: 27 en vergelijk 4.19: 23]. (Vedabase)

 

Tekst 4

Daarna werd de koning der weerbaarheid, de olifant Airâvata voortgebracht die met zijn vier slagtanden de glorie van de witte berg [Kailâsa] overschaduwde, de verblijfplaats van de Eerste Toegewijde [Heer S'iva, zie 6.11: 11 en nog eens B.G. 10: 27].

Daarna werd de koning van de weerbaarheid, de olifant Airâvata voortgebracht die wit, met vier slagtanden, de berg [Kailâsa] in de schaduw stelde die de glorie is van de Eerste Toegewijde [Heer S'iva]. [zie 6.11: 11 en nog eens B.G. 10: 27]. (Vedabase)

  

Tekst 5

Airâvana was de eerste van een achttal olifanten voor iedere windrichting en op hem volgend werd er ook een groep van acht wijfjesolifanten voortgebracht aangevoerd door een olifant die Abhramu heette, o Koning.

Airâvata was de eerste van een achttal olifanten voor iedere windrichting en op hem volgend werd er ook een groep van acht wijfjesolifanten voortgebracht aangevoerd door een die Abhramu heette, o Koning. (Vedabase)

 

Tekst 6

Vervolgens werd uit de grote melkzee een waardevol lotuskleurig juweel voortgebracht dat bekend staat als het Kaustubhajuweel. Heer Hari die het graag wilde hebben siert er Zijn borst mee. Daarna werd de pârijâtaboom voortgebracht die de hemelse plaatsen verfraait en ongeveer zoals u, die graag ieders wensen vervult, iedere wens op deze planeet in vervulling doet gaan door te verschaffen wat men maar wil o Koning.

Vervolgens werd uit de grote zee melk een waardevolle edelsteen voortgebracht bekend als de Kaustubha en nog een andere Padmarâga geheten; Heer Hari die ze graag in Zijn bezit had siert zijn borst met hen op. Daarna werd de pârijâta bloem voortgebracht die de hemelse plaatsen opsiert en daarmee de wensen vervult van hen die de weelde begeren ongeveer zoals u, o Koning, dat in de wereld doet. (Vedabase)

 

Tekst 7

Daarna werden de Apsara's voortgebracht, de buitengewoon mooie en aantrekkelijke bewoners van de hemel die, verfijnd gekleed en met goud behangen, zich sierlijk rond bewegen en ieders hart op hol brengen.

Toen werden ook de Apsara's voortgebracht, die fijntjes gekleed en met goud behangen de buitengewoon mooie en aantrekkelijke bewoners van de hemel zijn die zich zo sierlijk bewegen met het op hol brengen van een ieder zijn hart. (Vedabase)

 

Tekst 8

Nadat zich dat had voorgedaan manifesteerde zich de Godin der Schittering [Ramâ of Lakshmî] in eigen persoon. Met haar stralende luister verlichtte ze [zo helder] als [de berg] Saudâmanî in het gezelschap van de Heer alle richtingen [voor het omgaan met die pracht zie de 'vredesformule' in B.G. 5: 29].

Daarna manifesteerde zich rechtstreeks de Godin der Schittering [Ramâ of Lakshmî] die de Heer vergezellend alle richtingen verlicht met haar lichtende luister als Saudâmanî [let.: gevorkte bliksem, ook wel de tovenares; voor de omgang met die pracht: zie de 'vredesformule' in B.G. 5: 29]. (Vedabase)

 

Tekst 9

Iedere Sura, Asura en menselijk wezen begeerde haar, daar de oogstrelende schoonheid van haar trekken, jeugd, uitstraling en heerlijkheden hun geesten in haar greep had.

Iedere sura en asura en ieder menselijk wezen begeerde haar, daar haar oogstrelende schoonheid, trekken, jeugd, uitstraling en heerlijkheden hun geesten had gevangen. (Vedabase)

 

Tekst 10

De koning van de hemel bracht een glorieuze, prachtige zitplaats voor haar en al de heilige rivieren namen een persoonlijke gedaante aan door gouden vaten te vullen met zuiver water.

De koning van de hemel regelde een zitplaats voor haar en alle zegenrijke en heilige wateren namen met gouden vaten gevuld met zuiver water een gedaante aan. (Vedabase)

 

Tekst 11

Het land bood al de kruiden die nodig zijn voor het installeren van de godheid. De koeien droegen bij met hun vijf zuivere producten [melk, yoghurt, ghee, uitwerpselen en urine] en de lentetijd leverde bloemen en vruchten.

Het land bracht al de noodzakelijkheden en kruiden op voor het installeren van de godheid; de koeien droegen bij met het zuivere van hun vijf produkten [melk, yoghurt, ghee, uitwerpselen en urine] en de lentetijd bracht haar bloemen en vruchten bijeen. (Vedabase)

  

Tekst 12

De wijzen voerden de baadceremonie uit zoals voorgeschreven, de Gandharva's zongen gelukbrengende mantra's en hun echtgenotes dansten en zongen mee.

De wijzen voerden het ritueel op van de installatie zoals die is voorgeschreven waartoe voor alle voorspoed de Gandharva's overeenkomstig de traditie zongen terwijl hun echtgenotes hun best deden voor de gelegenheid te dansen en ook mantra's te zingen. (Vedabase)

 

Tekst 13

De wolken lieten dubbelzijdige trommels, pauken, muraja's en ânaka's klinken [twee andere soorten trommels] en in combinatie met de geluiden van trompetten, schelphoorns, fluiten en vînâ's vormde dat een tumult van jewelste.

=De wolken lieten de trommels, pauken, muraja's en ânaka's horen [twee andere soorten trommels] en met de geluiden van trompetten, schelphoorns, fluiten en vina's was het een tumult van jewelste. (Vedabase)

 

Tekst 14

En terwijl de tweemaal geborenen hymnen aan het zingen waren goten vervolgens de olifanten potten vol heilig water uit over de kuise godin die zo prachtig was met de lotus in haar hand  [zie ook een klassieke afbeelding van Lakshmî].

Daarna goten de olifanten potten vol met heilig water over de [godheid van de] kuise godin uit zo prachtig met de lotus in haar hand, terwijl de tweemaal geborenen hymnen aan het zingen waren [zie ook een klassieke afbeelding van Laxmi]. (Vedabase)

 

Tekst 15

De oceaan bood gele zijde om haar van top tot teen te kleden en Varuna leverde een grote bloemenslinger met hommels eromheen die bedwelmd waren door de zoete geur.

De oceaan bood gele zijde voor haar kleding van top tot teen en Varuna bracht de grootste bloemenslinger op met dronken bijen uit op de zoetheid. (Vedabase)

 

Tekst 16

Van Prajâpati Vis'vakarmâ was er een keur aan sieraden, Sarasvatî [de godin der wijsheid] gaf een halsketting, Heer Brahmâ leverde een lotusbloem en de Nâga's [de excellenten] gaven oorbellen.

Van Prajâpati Vis'vakarmâ was er een keur aan sieraden, Sarasvatî [de godin der wijsheid] verschafte een halsketting, Heer Brahmâ voorzag in een lotusbloem en de Nâga's [de excellenten] brachten oorbellen. (Vedabase)

Tekst 17

Daaropvolgend aanbeden in een allesbegunstigende eredienst liep ze, een natuurlijke schoonheid uitstralend met de sier van de oorhangers langs haar wangen en een verlegen glimlach op haar gezicht, rond [door het offerperk] met de slinger van lotusbloemen in haar hand en de bijen eromheen.

Daarop volgend aanbeden in een allesbegunstigende eredienst ging zij, met de bijen en de slinger van lotusbloemen vastgegrepen in haar hand, rond, met de opsmuk van haar oorhangers bij haar wangen en haar verlegen glimlach op haar gezicht dat haar natuurlijke schoonheid uitstraalde. (Vedabase)

 

Tekst 18

Met haar twee symmetrische borsten, haar slanke middel in harmonie en ingewreven met sandelhoutpasta en kunkuma, zag ze, zich van hier naar daar bewegend met het zachte getinkel van haar enkelbelletjes, eruit als een gouden klimrank.

Met haar twee borsten in symmetrie en harmonie, ingewreven met sandelhoutpasta en kunkuma en haar slanke middel, verscheen ze, zich van hier naar daar bewegend met het zoet getinkel van haar enkelbelletjes, precies als een gouden klimrank. (Vedabase)

 

Tekst 19

In die positie op zoek naar de eeuwige kwaliteiten kon ze onder de bewoners van de hemel, de volmaakten, de onverlichte zielen, de hoeders van de welvaart, de eerbiedwaardigen en al de andere halfgoden, er niet één vinden die voldeed in ieder opzicht.

Voor het eeuwige van haar positie op onderzoek uit met de bewoners van de hemel, de volmaakten, de onverlichte zielen, de hoeders van de welvaart, de eerbiedwaardigen al de andere halfgoden, kon ze geen van hen aanvaarden als zijnde zonder fouten: (Vedabase)

 

Tekst 20

[Ze overwoog:] 'Zeker van zijn verzakingen heeft men nog niet de woede overwonnen, geestelijke kennis hebben wil nog niet zeggen dat men vrij is van negatieve invloeden van de omgang met anderen en een grote persoonlijkheid heeft nog niet zijn materiële verlangens overwonnen. Hoe kan iemand die op deze manier beheerst wordt door iets of iemand anders nu [zijn zinnen, zichzelf] de baas zijn?

'Van de zekerheid van de verzakingen heeft men nog niet de woede overwonnen, door geestelijke kennis is de geleerde nog niet vrij van gehechtheden en een groot iemand is nog niet zijn materiële verlangens te boven; hoe kan een persoon als zodanig onder kontrole van iets anders staand, iemand van beheersing zijn? (Vedabase)

 

Tekst 21

Iemand mag dan van dharma zijn, maar is hij vriendelijk voor alle levende wezens? Iemand kan van verzaking zijn, maar onbekend zijn met de zaak der bevrijding. Een persoon kan macht hebben over mensen, maar nog steeds niet bevrijd zijn van de almacht van de materiële natuur [van de macht van de tijd]. Iemand kan vrij zijn van de invloed van de natuurlijke geaardheden, maar hij zal nimmer een tweede zijn [een andere Heer van Beheersing en Yoga, zie ook 1.2: 8].

Bedreven in de religie heeft men nog geen vriendschap gevonden met andere levende wezens, boetvaardig mag men zijn maar de oorzaak van de bevrijding kan men over het hoofd zien, en met welke macht dan ook die men met de mensen kan vinden, men raakt niet bevrijdt van de macht van de tijd; nimmer zal er, vrij van de besmetting van de geaardheden der natuur, [naast de Heer] een tweede zijn [zie ook 1.2: 8]. (Vedabase)

 

Tekst 22

Iemand kan lang leven maar hoeft nog niet te weten hoe hij zich moet gedragen en gelukkig zijn, iemand mag de kunst van het leven meester zijn, maar niet weten hoe hij oud moet worden. Iemand kan van beiden op de hoogte zijn en nog steeds ongelukkig zijn in een ander opzicht. Noch is van iemand die uitblinkt op ieder terrein gezegd dat hij mij wenst [in mijn positie van toewijding aan Vishnu]!'

Iemand mag dan lang leven maar er inderdaad geen geluk mee hebben of van het juiste gedrag zijn, iemand kan er een kampioen in zijn maar niet weten hoe lang te leven; als men dan van beide is is zo een persoon in een ander opzicht wel weer ongelukkig, en iemand die de hoogste ogen gooit op alle gebied heeft mij niet nodig!' (Vedabase)


Tekst 23

Met deze overwegingen in gedachten wendde de Godin van de Pracht en Weelde zich tot Hem, Mukunda, het Vergaarbekken der Bovenzinnelijkheid, Hij die in ieder opzicht zo geschikt en wenselijk was als de echtgenoot van haar keuze - hoewel Hij er zelf niet naar verlangde. Hij immers was onafhankelijk van anderen en behept met buitengewone, alleszins goede, transcendentale kwaliteiten.

Op deze manier met de nodige overweging aanvaardde de Godin van de Pracht - omdat Hij behept was met de buitengewone bovenzinnelijke kwaliteiten die in alle opzichten goed zijn en vrij zijn van de afhankelijkheid van anderen - Hem, Mukunda, het vergaarbekken van het Allerhoogste, als de echtgenoot van haar verlangen die in ieder opzicht geschikt was, hoewel Hij er zelf nooit naar had uitgekeken. (Vedabase)

 

Tekst 24

Na om Zijn schouders een schitterende krans te hebben gehangen van verse lotusbloemen die gonsde van de doldwaze hommels, hield ze zich met een bescheiden glimlach en met glinsterende ogen, aan Zijn zijde op met Zijn boezem als haar ware rustpunt.

Na om Zijn schouders een schitterende krans te hebben gehangen van verse lotusbloemen die gonsde van het geluid van doldwaze hommels, verbleef ze, met een bescheiden glimlach bij haar glinsterende ogen, aan Zijn zijde met Zijn boezem als haar ware rustpunt. (Vedabase)

 

Tekst 25

Hij, de vader van de drie afdelingen van het universum, maakte Zijn hart de verblijfplaats van de moeder, de godin, de hoogste [vertegenwoordiging van] de weelde. Zij daar geïnstalleerd zorgt met haar genadige blik toezicht houdend op de drie werelden voor de toename van het geluk van Zijn dienaren en leiders.

Zij, de moeder, de godin, maakte van de boezem van de vader van de drie werelden haar verblijfplaats, waarin verwijlend ze Zijn eigen dienaren met het grootste mededogen overschouwt en met de grote leiders der drie werelden het opperste van de weelde doet toenemen. (Vedabase)


Tekst 26

De dienaren van de goden en hun vrouwen [de dansers en zangers van de hemel], gingen allen over tot gezang en dans begeleid door de luide klanken van muziekinstrumenten als schelphoorns, trompetten en  trommels.

Met hun schelphoorns, trompetten en allerlei soorten trommels was er het grootse rumoer van muziekinstrumenten en begonnen al de goden van de hemel en hun vrouwen te dansen en te zingen. (Vedabase)

 

Tekst 27

Brahmâ, S'iva en al de leiders der wereld met Angirâ voorop bewezen de hoogste persoonlijkheid de eer middels het uitstrooien van bloemen en het zingen van mantra's die Zijn ware aard beschreven.

Brahmâ, S'iva en al de leiders der wereld met Angirâ voorop bewezen de persoonlijkheid die werkelijk de grootste was de eer, middels gezang en het uitstrooien van bloemen bij alles wat ze zagen. (Vedabase)

 

Tekst 28

Met de genadevolle blik van de Godin rustend op de goddelijken, de vaders der mensheid en hun generaties, werden zij allen gezegend met goed gedrag en goede eigenschappen en bereikten ze de uiteindelijke voldoening.

Met de genadevolle blik van de Godin rustend op al de goddelijken, de vaders der mensheid en hun generaties, werden zij allen gezegend met goed gedrag en goede eigenschappen en bereikten ze de uiteindelijke voldoening. (Vedabase)

 

Tekst 29

De Daitya's en Dânava's o Koning, die echter door Lakshmî verwaarloosd werden, raakten, gedeprimeerd in hun kwellende begeerte, moedeloos en verloren al hun gevoel van schaamte.

Toen de daitya's en dânava's, o Koning, verwaarloosd door Lakshmî gefrustreerd raakten, verloren ze in hun kwellende begeerte alle gevoel van schaamte en hun energie. (Vedabase)

 

Tekst 30

Vervolgens verscheen Vârunî, de godin der dronkenschap, een jong lotusogig meisje dat, met de toestemming van de Heer, door de Asura's werd aanvaard.

Vervolgens verscheen Vârunî, de godin der dronkelappen, als een jong lotus-ogig meisje en de asura's aanvaarden haar waarlijk op de manier zoals de Heer het voor hen had uitgestippeld. (Vedabase)

 

Tekst 31

Met de zoons van Kas'yapa die daarop [opnieuw] ijverig de oceaan karnden voor de nectar, verscheen er [uiteindelijk] een hoogst wonderbaarlijke manspersoon o grote Koning.

Met het karnen van de oceaan door de zoons van Kas'yapa zo ijverig uit op de nektar, verscheen er daar, o grote Koning, een hoogst wonderbaarlijke manspersoon. (Vedabase)

 

Tekst 32  

Hij was lang, jeugdig, had stoere, sterke armen, een hals als een schelphoorn, een donkere huid, rooddoorlopen ogen, een bloemenslinger en was behangen met allerlei sieraden.

Hij was lang, had stoere sterke armen, een hals als een schelphoorn, rooddoorlopen ogen, een donker gekleurde huid, zag er zeer jong uit, en was omhangen met een bloemenslinger en over zijn hele lijf opgesierd. (Vedabase)

 

Tekst 33

In het geel gehuld, met een brede borst, met zorgvuldig gepolijste, met juwelen ingelegde oorhangers, met pols- en enkelbanden gesierd en met glanzende, krullende haarlokken, trad hij, zo krachtig als een leeuw, naar voren met een tot de rand toe gevulde pot vol nectar.

In het geel gehuld, met zijn borst breed, zijn oorhangers met parels goed gepolijst en zijn glanzende haar gekruld neerhangend in tressen, bewoog hij zich, met banden opgesierd, zo sterk als een leeuw met het tot de rand toe gevulde vat vol nektar. (Vedabase)

 

Tekst 34

Hij was een gedeeltelijke verschijning van een deel van Heer Vishnu in eigen persoon bekend onder de naam Dhanvantari die, zorgend voor de medische wetenschap, een van de halfgoden was met recht op een deel van de offergaven.

Hij daadwerkelijk was een deel van een volkomen aspekt van de Allerhoogste Heer Vishnu bekend onder de naam Dhanvantari die, staand voor het geheel van de medische kennis, er was om zijn aandeel van de offers voor zich op te eisen. (Vedabase)


Tekst 35

Al de Asura's die hem zagen met het vat vol nectar, graaiden, verlangend naar de inhoud, hem onmiddellijk de pot uit zijn handen.

De asura's die hem zagen met het vat vol nektar, graaiden, belust op alle dingen, onmiddellijk de pot van hem weg. (Vedabase)

 

Tekst 36

Toen de pot met nectar door de Asura's werd meegenomen, deden de halfgoden ongelukkig een beroep op de Heer.

Toen die pot met de nektar erin door de asura's werd weggedragen, waren al de godbewusten terneergeslagen en zochten ze hun toevlucht bij de Heer. (Vedabase)

 

Tekst 37

Toen Hij zag hoezeer ze erover in de put zaten zei de Allerhoogste Heer die altijd handelt overeenkomstig de verlangens van Zijn dienaren: 'Treur er niet om, Ik zal er hoogst persoonlijk op toezien dat de nectar er voor ieder van jullie is.'

Getuige van hun droefheid erover zei de Allerhoogste Heer die altijd probeert de wensen te vervullen: 'Weest niet bedroefd, middels een ruzie onder hen zal ik door Mijn eigen energie zorg dragen voor de nektar voor een ieder van jullie.' (Vedabase)

 

Tekst 38

O meester der mensen, zij [de Asura's] maakten ruzie met elkaar over de nectar waarbij ze met een begeertig hart zeiden: 'Ik eerst, ik eerst, niet jij, niet jij!'

O meester der mensen, toen was er onder hen een meningsverschil over de nektar ter wille waarvan ze met een dorstig hart zeiden: 'Laat mij eerst, ik eerst, niet jij, wacht maar even! (Vedabase)

 

Tekst 39-40

Anderen riepen: 'De goden spanden zich net zo goed in voor hun plicht met het offerritueel en verdienen een even groot aandeel. Dit is een kwestie van traditionele verplichtingen [sanâtana dharma]!' De Daitya's die met alle geweld de pot probeerden te bemachtigen, ontzegden aldus jaloers en zwak elkaar voortdurend het recht o Koning.

Als de goddelijken hun aandeel toekomt, hebben allen die zich in gelijke mate inspanden met de plicht van het ritueel, hetzelfde recht; dit is een kwestie van traditionele verplichtingen [sanâtana dharma]!' Aldus probeerden de daitya's jaloers en zwak, o Koning, gewelddadig, zich het vat toe te eigenen in feite het elkaar voortdurend ontzeggend. (Vedabase)

 

Tekst 41-46

Nadat dit was voorgevallen nam Heer Vishnu, de Allerhoogste Heer en Meester die voor ieder probleem een oplossing heeft, de gedaante van een allerverrukkelijkste, wonderbaarlijke vrouw aan die voor iedereen een mysterie vormde. Ze was een lust voor het oog. Zo donker als een pas geopende lotus was ze in al haar leden van de grootste schoonheid en harmonie. Ze had een rechte neus, een fraaie kaaklijn en versierde oren. Ze had frisse, ferme, jonge maar zware borsten bij een slank middel en een gelukzalige uitdrukking op haar gezicht. Ze keek wat zorgelijk uit haar ogen vanwege de hommels om haar heen. Met de massa van haar prachtige, golvende haar en haar fraaie hals met daar omheen een mallikâ [jasmijn] bloemenslinger, met de schoonheid van haar armen die waren versierd met de fijnste juwelen en banden, met de propere sari over haar borst gespreid die een eiland van schoonheid was en met de gordel die ze om haar middel droeg, bewoog ze zich gracieus voort met haar enkelbelletjes. Verlegen haar blikken werpend en met haar wenkbrauwen in beweging, wekte ze diep in de harten van de Daitya leiders een aanhoudend wellustig verlangen op.'

Nadat dit was voorgevallen nam Heer Vishnu, de Allerhoogste Beheerser die voor ieder probleem een oplossing heeft, de gedaante van een allerverrukkelijkste, wonderbaarlijke vrouw aan die door niemand kon worden geplaatst. Een lust voor het oog, was ze zo donker als een nieuwe lotus, in al haar leden van de grootste schoonheid en harmonie, en had ze een rechte neus bij haar opgesierde oren en fraaie kaaklijn. Haar nieuwe, ferme, jonge maar zware borsten bij haar slanke middel en haar gelukzalige gezicht trok de hommels aan van wie ze wat zorgelijk uit haar ogen keek. Met de massa van haar golvende haar en haar fraaie hals met een mallikâ bloemenslinger, de schoonheid van haar armen die waren opgesierd met de fijnste juwelen en banden, met de propere sari over haar borst gespreid die een eiland van schoonheid was en met de gordel die ze om haar middel had, bewoog ze zich gracieus met haar enkelbelletjes. Verlegen haar blikken werpend met haar wenkbrauwen in beweging, wekte ze diep in de harten van de daitya leiders een aanhoudend wellustig verlangen. (Vedabase)

 

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
Het eerste schilderij van Moeder Lakshmî is van Raja Ravi Varma.
Het tweede schilderij is een vintagevoorstelling van Dhanvantari.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties