regelbalk


 

Canto 7

Mahâmantra 2

 

Hoofdstuk 15: Nârada's Instructies over Vegetarisch Delen, Goddeloosheid, Genezen, Yoga en Advaita

(1) S'rî Nârada zei: 'Sommige van de tweemaal geborenen wijden zich aan baatzuchtige activiteiten, sommigen houden zich bezig met ontzeggingen, o heerser der mensen, sommigen munten uit in Vedische studie terwijl anderen de retoriek beoefenen en sommigen zich ook verenigen in [het bewustzijn van] de geestelijke kennis [in bhakti- en jñâna-yoga]. (2) Een persoon die de bevrijding verlangt behoort de opbrengst van zijn offers weg te schenken aan iemand die de geestelijke kennis is toegewijd [doorgaans een brahmaan of een jñânî]. Mocht het zo zijn dat zo iemand niet te vinden is, moet er worden gedoneerd aan andere personen voor zover die dat waard zijn. (3) Offerend aan de halfgoden moet men er twee te eten geven, offerend aan de voorvaderen behoort men er drie te eten te geven, of anders moet men er in ieder geval tenminste één voeden. Men moet niet een groot aantal van hen erbij betrekken, ook al heeft men er de middelen voor. (4) In geval men het offeren in geloof [de s'raddha-ceremonie] aan een groot aantal van hen en hun [gezelschap aan] familieleden toevertrouwt, zal het allemaal niet goed lukken wat betreft de meest geschikte plaats en tijd, de benodigdheden, de persoon die de eer toekomt en de methode aangewend. (5) Als men het heilige voedsel, dat men verkreeg door het op de juiste plaats en tijd met liefde en toewijding volgens de regels aan de beeltenis van de Heer te offeren, aanbiedt aan de persoon die de eer verdient, vormt zo'n aanpak een bron van duurzame welvaart [zie ook B.G. 3: 10].  (6)  Met het aanbieden van [gewijd] voedsel aan de goddelijken, de heiligen, de voorvaderen, de levende wezens in het algemeen, zichzelf en zijn familieleden, moet men hen allen beschouwen als deel uitmakend van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid Gods. (7) Hij die bekend is met de principes van het dharma moet nooit vlees [vis of eieren] offeren tijdens de geloofsceremoniën, noch moet hij in zijn normale leven een vleeseter zijn. De hoogste voldoening ontleent men aan het [vegetarisch] voedsel van de wijzen en niet zo zeer aan het [voedsel verkregen door het nodeloos] doden van dieren. (8) Voor personen die ware rechtschapenheid verlangen bestaat er geen hogere religie dan dit: het in geest, woorden en handelingen opgeven van alle geweld jegens andere levende wezens.

(9) Personen die door hun aandacht te vestigen op het ware zelf [in samyama] vrij zijn van materiële verlangens, weten heel goed wat de bedoeling is van het brengen van offers. Verlicht in de kennis der spiritualiteit weten die transcendentalisten dat sommige offers [zoals het offeren van dieren] karmische gevolgen hebben. (10) Levende wezens die een offeraar zien worden bang als er een schepsel moet worden geofferd. Ze denken: 'Deze onwetende, onaardige persoon zal ons zeker snel ter dood brengen!' (11) Daarom wordt hij die weet wat dharma is [zie ook B.G. 18: 66] verondersteld dag in dag uit, met tevredenheid zijn reguliere en gelegenheidsplichten na te komen met het voedsel dat door de Heer geschonken wordt, het [vegetarische] voedsel der wijzen. (12) Iemand die weet wat dharma is spreekt van vijf takken of vijf soorten van adharma die als vormen van slecht bezig zijn moeten worden opgegeven: vidharma, paradharma, upadharma, âbhâsa en chala-dharma. (13) Vidharma moet [worden begrepen als] dat wat een tegenwerping vormt tegen of een benadeling vormt van het dharma [de rechtschapenheid, natuurlijkheid en religiositeit, de oorspronkelijke bedoeling van de plichtsvervulling]. Paradharma bestaat uit het aanzetten tot plichten die haaks staan op de eigen plicht [op iemands aard], upadharma is wat iemand doet die voorwendt zijn plicht te doen, iemand die een hypocriet is en chala heeft betrekking op het voorwenden van plichtsvervulling door met woorden te goochelen. (14) Âbhâsa is dat wat personen eigenwillig, eigenzinnig doen in weerwil van hun geestelijke afdeling [hun âs'rama, hun burgerlijke status]. Waarom zou het zich gedragen overeenkomstig de eigen natuurlijke plicht geen vrede brengen? (15) Wat betreft de religie moet men niet ondernemen ter wille van zijn levensonderhoud [ofwel: verwacht geen inkomsten uit religieus bezig zijn, zie B.G. 2: 47 en 18: 9], noch moet men armlastig zijnde streven naar bezittingen. De begeerteloosheid van iemand die vrij is van zulk ondernemen is als die van de python [zie 7.13: 11] die leeft zonder noemenswaardige inspanning. (16) Waar zou iemand die, voortgedreven door lust en hebzucht, van hot naar haar rent voor de rijkdom, nu het geluk vinden dat eigen is aan de tevreden persoon die niet ondernemend voor zijn onderhoud gelukkig is van binnenuit? (17) Voor een altijd vreedzame geest is iedere weg die hij bewandelt even gunstig, net zoals het is met iemand die met schoenen aan zijn voeten niets te vrezen heeft van steentjes en doorns. (18) O Koning, waarom zou een in zichzelf tevreden iemand niet gelukkig leven op enkel een beetje water als hij van het moeilijke gedoe met zijn geslachtsdelen en zijn tong een mens wordt die niet beter is dan een huishond? (19) Een geschoold maar ontevreden iemand zal vanwege zijn begeerte, geleidelijk aan zijn zinsvermogen, geleerdheid, verzaking, faam en spirituele inzicht zien afnemen en verdwijnen. (20) Voor iemand die hongerig en dorstig is eindigen de verlangens [als hij eet], men raakt bevrijd van woede door die op een bepaalde manier te uiten, maar een persoon raakt niet verlost van zijn begeerte als het hem zint om alle uithoeken van de aarde te veroveren [zie ook B.G. 16: 21]. (21) O Koning, vele geleerden met een hoop kennis, vele raadslieden en vele politieke leiders belandden in de hel eenvoudigweg omdat het hen ontbrak aan [innerlijke] tevredenheid.

(22) Lusten overwint men door vastbeslotenheid, woede wordt men de baas door af te zien van het voorwerp der begeerte, om hebzucht te verslaan moet men bedenken dat bezit tot bezetenheid leidt en angst overwint men door zich te bezinnen op beginselen [op de werkelijkheid, de waarheid]. (23) Uitweiden [over spirituele aangelegenheden] geneest je van treurnis en illusie, valse trots wordt genezen door dienst aan een grote ziel, stilte overwint de hindernissen op het pad van de yoga en gewelddadigheid [kwaad, vijandigheid] wordt verholpen door af te zien van zinsbevrediging [zie ook B.G. 4: 10]. (24) Door begaan te zijn, [genadevol te zijn, betrokken te zijn] met anderen kan men het leed verzachten dat werd veroorzaakt door andere levende wezens en door de natuur en door systematische meditatie in yoga bestrijdt men lijden als gevolg van de eigen [karmische] handelingen. Slaap kan worden overwonnen door goedheid te beoefenen. (25) Door de geestelijk leraar toegewijd te dienen kan iemand in de geaardheid goedheid makkelijk al deze [symptomen van] gehechtheid in hartstocht, onwetendheid en ook goedheid overwinnen.  (26) De goeroe die het licht op het pad vormt moet men zien als de Allerhoogste Heer in eigen persoon en degene die hem en wat hij van hem hoorde beschouwt als sterfelijk en tijdgebonden, is als een olifant die is schoongewassen [en dan een stofbad neemt](27) Hij [de leraar], die de Allerhoogste Heer in eigen persoon is, de heerser over de eigenlijke materiële oorzaak [pradhâna, de oerether] die de oorspronkelijke persoon is alsmede de Heer van de Yoga wiens voeten worden gezocht door de meesters van de yoga, wordt door de gewone [niet-toegewijde] man aangezien voor een normaal mens [zie ook B.G. 9: 11]! (28) Men heeft zijn tijd verspild als al de voorgeschreven activiteiten en inachtnemingen, die waren gericht op het definitieve onderwerpen van de zes afdelingen [van de vijf zinnen en de geest], niet hebben geleid tot het uiteindelijke doel: de verbondenheid in de yoga [van het individuele bewustzijn met Hem].

(29) Zoals beroepsmatige bezigheden gericht op het verwerven van een inkomen niet het belang van de yoga dienen, dragen ook de traditionele deugdzame publieke werken die door een materialistische persoon worden uitgevoerd, niet bij [tot de nodige bewustzijnsvereniging. Vergelijk B.G. 2: 42-44]. (30) Hij die zijn denken de baas wil zijn moet alleen, op een afgezonderde plaats, zonder de afhankelijkheid van een gezelschap van gehechte mensen [zoals een gezin] als een wereldverzaker van de bedeling leven en karig eten. (31) Op een schone, vereffende plaats o Koning, moet hij voor zichzelf een zitplaats regelen en er stabiel, comfortabel en berustend gaan zitten, zijn lichaam rechtop houden en op die manier de Pranava beoefenen [zie 1.2: 11 en B.G. 8: 11-14 en 6: 11-12]. (32-33) Hij behoort de in- en uitgaande lucht te stoppen met het vasthouden van zijn in- en uitgaande adem en op dat moment al de verlangens die zijn geest bezighouden los te laten. Terwijl hij staart naar het puntje van zijn neus moet hij de geest die van hier naar daar afdwaalt, afwenden van wat dan ook. Een volleerd yogi behoort in zijn hart stap voor stap een einde te maken aan het denken dat door de lust werd verslagen. (34) Dit volhoudend zal de consequente beoefenaar er [met de geest] als een vuur [dat uitgaat] zonder brandstof, altijd snel in slagen de zuivere staat [het nirvâna] te bereiken. (35) Niet afgeleid door de verschillende verlangens wordt de geest kalm en vreedzaam in al zijn bewegingen. [Men is dan] van een bewustzijn dat in aanraking kwam met de gelukzaligheid van het bovenzinnelijk platform, een positie waarvan men zich in feite nimmer kan losmaken [zie ook B.G. 5: 17].

(36) Als iemand eerst zijn huis en haard verliet om rond te zwerven en dan weer terugkeert om te leven van het veld van zijn vroegere drievoudige praktijk van materieel georiënteerde [economische, religieuze en op de zinnen ingestelde] handelingen, kan men zo'n schaamteloze bedelaar vergelijken met iemand die zijn eigen kots opeet [een vântâs'î]. (37) Zij die eerst hun lichaam zien als iets dat losstaat van de ziel, als iets dat sterfelijk is en bestemd voor uitwerpselen, wormen en as, en dan weer dat lichaam verheerlijken en zich ermee identificeren, zijn nutteloze dwazen. (38-39) Voor huishouders om hun plichten te verwaarlozen, voor celibatairen om te breken met hun geloften, voor teruggetrokken personen om zich in dienst van de gewone burger te stellen, voor verzakers om te smachten ten behoeve van de zinnen, is voor al de âs'rama's een hoogst abominabele manier van doen die verraad inhoudt aan de geestelijke orde. Men moet onverschillig staan tegenover hen die aldus verdwaasd zijn door het uitwendig vermogen van de Heer, ze zijn meelijwekkend. (40) Als men eenmaal doorheeft wat de ziel [en Superziel] allemaal inhoudt, als men eenmaal vanuit de bovenzinnelijke positie zijn bewustzijn gezuiverd heeft met spirituele kennis, wat valt er dan nog te verlangen, waarom zou men dan nog langer een slaaf zijn van het lichaam dat men onderhoudt? (41) Men zegt dat het lichaam de strijdwagen is, dat de zinnen de paarden zijn, dat de geest - de meester der zinnen - er als de teugel is, dat de zinsobjecten de wegen vormen die men bewandelt, dat de intelligentie [de rede] de wagenmenner is en het bewustzijn [goedheid, karakter] de grote band vormt die is geschapen door de Heer. (42) De spaken van het wiel [zie ook 7.9: 21] zijn de tien soorten lucht in het lichaam [genaamd prâna, apâna, samâna, vyâna, udâna, nâga, kûrma, krikala, devadatta en dhanañjaya], de binnenkant en de buitenkant van de wielen zijn de religie en de goddeloosheid, hij die vervoerd wordt is het persoonlijke zelf dat zich valselijk identificeert, de Pranava is de boog en de individuele ziel is de pijl, maar de uiteindelijke gelukzaligheid vormt het doelwit. (43-44) Gehechtheid en afkeer, begeerte en weeklagen, illusie, angst, waanzin, vals prestige, belediging, fout vinden en ontgoocheling, geweld en jaloezie, onrust, verdwazing, honger en slaap zijn iemands vijanden; zij en anderen komen voort uit hartstocht en onwetendheid maar soms vormt [gehechtheid aan] de geaardheid goedheid een vijand. (45) Zolang als men deze menselijke gedaante heeft, die als een strijdwagen met alle daarbij behorende onderdelen afhankelijk is van de wil, moet men, in dienst aan de lotusvoeten van de meest vererenswaardige zielen, vasthouden aan het, door de kracht van de Onfeilbare, aangescherpte zwaard van kennis totdat de vijand is verslagen. Als men aldus in zijn bovenzinnelijk geluk de bevrediging heeft gevonden, kan men dit lichaam opgeven. (46) In geval men dat, onachtzaam en geneigd tot het onware, niet doet, zullen de zinnen die dienst doen als de paarden de wagenmenner meevoeren op het pad der begeerte. Daar valt de wagenmenner dan in handen van rovers, de zinsobjecten [die heersen met vishaya, eten, slapen en paren] en zal hij door hen, samen met de paarden en de rest, in de duistere, overwoekerde put belanden van het materieel bestaan en gebukt gaan onder de grote angst voor de dood. (47) Geneigd zijn tot en afgekeerd zijn van materiële betrokkenheid [pravritti en nivritti], zijn de twee soorten van bezig zijn die besproken worden in de Veda's [4.4: 20]. Geneigd tot materieel handelen keert men telkens weer terug [naar een werelds bestaan] terwijl men afziend van handelen de nectar der eeuwigheid geniet [zie ook B.G. 16: 7].

(48-49) Het systematisch van geweld zijn [met het offeren van dieren in samenhang] met allerlei soorten van vuuroffers waar zoveel bij komt kijken, is vervuld van verlangen en vormt een bron van zorgen. Het gericht zijn op dars'a, pûrnamâsa, câturmâsya, pas'uh, soma en andere rituele plechtigheden noemt men pravritti. Evenzo moet men de vuuroffers en het aanbieden van de offergaven [huta, prahuta] alsmede het voor het publiek construeren van tempels, uitspanningen en tuinen en het slaan van putten en het voorzien in voedsel en water, als vormen van pravritti handelingen zien. (50-51) De fijne substanties [van het offer] resulteren in de rook [geassocieerd met] de goddelijkheid van de nacht, de donkere helft van de maand, de zon die door het zuiden gaat en de nieuwe maan [vergelijk B.G. 8: 25]. Met die goddelijkheid [vindt men] de granen om ons te voeden die de zaden zijn van de vegetatie op de oppervlakte van de aarde o heerser der aarde. Aldus door de vader [van de Tijd] in het leven geroepen leiden zij [door ons te voeden via de offers] tot de ene na de andere geboorte, tot het keer op keer, regelmatig aannemen van een fysieke gedaante om in deze wereld aanwezig te zijn [zie ook B.G. 9: 21]. (52) [Maar] een tweemaal geborene [een brahmaan] die vanaf het moment van zijn bevruchting tot aan zijn begrafenis gezuiverd wordt door verschillende rituelen, offert bij het licht der geestelijke kennis zijn bezigheid in offerplechtigheden in [het vuur van] zijn zintuiglijkheid [en is zo van nivritti handelingen]. (53) De zinnen doen opgaand in de geest - die wordt besmet door de woorden die zich bewegen in golven van materiële voorkeur - beperkt hij de woorden tot de verzameling van hun samenstellende delen, de letters. Die elementen worden dan beperkt tot het AUM van de Pranava welke wordt beperkt tot een punt [de bindu, een punt tussen de ogen], dit trekt hij terug in de reflectie op het geluid [de nâdi] welke hij offert in de levensadem [prâna] die hij doet opgaan in het geheel van de Heer [in brahman]. (54) [In nivritti vorderend met] het vuur, de zon, de dag, het einde van de dag, de heldere helft van de maand, de volle maan, de gang van de zon door het noorden en de Onafhankelijke Heerser [Brahmâ], komt hij die van onderscheid is en zich van het grofstoffelijke bereik tot de subtiele bestemming beweegt, in een geregelde opeenvolging tot de bovenzinnelijke staat der intelligentie, de ziel [turya, de oorspronkelijke bewustzijnsstaat]. (55) Telkens weer opnieuw geboren wordend op deze weg van God, zoals dit [nivritti proces] wordt genoemd, [zie ook B.G. 8: 16], keert hij die ijvert voor de zelfverwerkelijking en de vrede van de ziel verlangt, niet weer terug als hij eenmaal zijn plaats heeft gevonden in het ware zelf. (56) Hij die op dit in de Veda's aanbevolen pad van de voorvaderen en de goden zijn blik gericht houdt op de geschriften, heeft kennis van zaken en zal niet verdwaasd raken, ook al is hij dan een materiële persoon.

(57) Zowel vanbinnen als vanbuiten er altijd van het begin tot het einde voor alle levende wezens zijnd, is deze Heer transcendentaal aan het grofstoffelijke persoonlijk in deze wereld aanwezig als de kennis en de kenner, als de uitdrukking en het uitgedrukte en als het duister en het licht. (58) Hoewel afgewezen als een echte vorm, wordt de reflectie [van een vorm in de spiegel] niettemin aanvaard als zijnde echt. Op dezelfde manier aanvaardt men [de werkelijkheid van] het [levens]doel [als echt], ook al valt dat moeilijk te bewijzen op basis van speculaties over wat de zintuigen je melden. (59) Men is niet het gereflecteerde beeld van de voorwerpen van de zintuigen die bestaan uit het aarde-element enzovoorts, noch is men een combinatie of transformatie van die elementen. Hoewel men geen bestaan heeft los van hen, is het ook een misvatting om zichzelf [en de ziel] als een deel van hen te beschouwen [zie ook B.G. 18: 16]. (60) Het lichaam bestaande uit de vijf elementen kan niet bestaan zonder de zinsobjecten die er deel van uitmaken. Het onware is gelegen in de gefixeerde vorm van een lichaam dat, net als dat wat er deel van uitmaakt, uiteindelijk een tijdverschijnsel blijkt te zijn. (61) Men kan het vergelijken met dezelfde verwarring - en het dienovereenkomstig breken met de regulerende beginselen - als die men met een droom heeft: zolang als men in zijn slaap door de droom gescheiden wordt van de substantie van de waaktoestand, wordt men door dat deel [van het bestaan] in de luren gelegd. (62) Een wijze ziel verwerpt vanuit zijn zelfrealisatie en zijn verkozen eenheid van denkinhoud, handelen en materie in deze wereld, de drie vormen [van onwetendheid die ermee samenhangen als zijnde drie verschillende vormen] van slaap [vergelijk 1.18: 26 en B.G. 6: 16]. (63) Men spreekt van eenheid van denkinhoud [genaamd bhâvâdvaita] als men denkt aan oorzaak en gevolg [als deel uitmakend van één en dezelfde werkelijkheid], zoals je de schering en inslag van een stuk stof hebt. Hen afzonderlijk beschouwen herkent men dan als de grond van het onware [zie ook B.G. 18: 16]. (64) Men spreekt van eenheid van handelen [genaamd kriyâdvaita] als men in al zijn activiteiten van de geest, de woorden en het lichaam rechtstreeks van toewijding is voor de bovenzinnelijkheid van de absolute geest [Brahman], o Yudhishthhira [vergelijk B.G. 9: 27]. (65) Men spreekt van eenheid in materieel opzicht [dravyâdvaita] als het uiteindelijke doel en de verlangde situatie van de echtgenote en de kinderen, van andere mensen of van welke levende wezens dan ook, één en dezelfde is [dit noemt men ook wel de 'gouden regel']. (66) O koning, een persoon behoort zijn plichten te vervullen overeenkomstig zijn [varnâs'rama] positie in de samenleving, tewerk gaand met de middelen, de plaats en de tijd die niet [schriftuurlijk] verboden zijn. Hij moet dat niet op een andere manier doen tenzij er sprake is van een noodsituatie [zie ook 7.11: 17 en B.G. 3: 35]. (67) Iedere mens die, met achting voor deze en andere beginselen beschreven in de Vedische literatuur, toegewijde dienst verricht in navolging en zich daarbij houdt aan zijn beroepsmatige verplichtingen, kan zelfs thuis blijvend Zijn hemelrijk bereiken o Koning [zie ook B.G. 9: 32]. (68) Het is zoals jullie allen [Pândava's], o heer der koningen, ontsnapten aan al dat onoverkomelijke gevaar. Door de voeten te dienen van jullie Meester [Krishna] slaagden jullie erin de rituelen te volbrengen en de sterkste olifanten te verslaan [de last der onrechtvaardige koningen].

(69) Ikzelf bestond lang, heel lang geleden, in een voorgaande mahâkalpa [in een ander tijdperk van Brahmâ], als een ingezetene van de hemel genaamd Upabarhana en was zeer gerespecteerd onder de Gandharva's. (70) Ik had een prachtig lichaam en was hoogst aantrekkelijk, ik rook lekker, was opgesierd en betoverend om te zien. Steeds door de vrouwen aangetrokken was ik in de opwinding van mijn verlangens [echter] een losbol. (71) Op een dag was er een bijeenkomst van de goden en werden voor de gelegenheid ter verheerlijking van de Heer in gezang en dans, al de Ghandarva's en Apsara's uitgenodigd door de heersers van het universum [de Prajâpati's]. (72) Ook ik, als een expert in het bezingen [van de heerlijkheden van het goddelijk bestaan], ging erheen omringd door vrouwen. Maar kennis makend met mijn houding, vervloekten de goddelijke heersers van het universum me vervolgens uit alle macht vanwege mijn geflirt: 'Wees jij, in overtreding met de goede zeden, van nu af aan maar een s'ûdra verstoken van de schoonheid!' (73) Toen ik daarop werd geboren uit een dienstmaagd, verwierf ik desalniettemin een leven als een zoon van Brahmâ omdat ik toen predikers van de spiritualiteit van dienst kon zijn [Vaishnava's, zie ook 1.5: 23-31]. (74) Ik heb u uitgelegd met welk dharma een gehechte huishouder de zonde kan overwinnen en snel de positie van de wereldverzakende orde kan bereiken. (75) Jullie [Pândava's] zijn zo heel gelukkig om in deze wereld al de heiligen die zuivering brengen bij jullie langs te zien komen omdat bij jullie thuis, hoogst vertrouwelijk, het Allerhoogste Brahman in eigen persoon te vinden is in de gedaante van een normaal mens [Krishna, zie ook 7.1o: 48]. (76) Hij is het Ene Brahman en wordt gezocht door de grote zielen om tot de verwerkelijking van hun bevrijding en de gelukzaligheid van de hemel te komen. Hij, jullie beroemde neef [Heer Krishna], is jullie aller geliefde weldoener,  meest aanbiddelijke persoon, jullie hart en ziel en [oorspronkelijke] leraar van instructie wat betreft de regulerende beginselen [de vidhi; zie ook 7.10: 48 en 49]. (77) Deze gedaante, die zich buiten de reikwijdte bevindt van Heer S'iva, Heer Brahmâ en de anderen [zie ook B.G. 7: 26], kan feitelijk worden begrepen middels meditatie, stilte, bhakti en door een punt te zetten achter alle materiële betrekkingen. Moge die Ene Heer, deze zelfde persoonlijkheid, deze goeroe van instructie en het voorwerp van toewijding voor de toegewijden, tevreden over ons zijn.'

(78) S'rî S'uka zei: '[Koning Yudhishthhira], de beste van de Bhârata-dynastie in opperste vreugde over het aanhoren van de beschrijvingen van de devarishi, vereerde gegrepen door de extase der liefde toen zowel hem als Heer Krishna. (79) Na het eerbetoon dat hij had ontvangen van Heer Krishna en van Yudhishthhira - die zich als de zoon van Prithâ [zie stamboom] zeer verwonderde over het feit dat Krishna het Parabrahman, de Allerhoogste van de Geest was - nam de muni afscheid van hen en vertrok.  (80) Aldus gaf ik u een beschrijving van de verschillende dynastieën van de dochters van Daksha, waarin al de werelden ontstonden met hun bewegende en niet-bewegende levende wezens bestaande uit goden, demonen, menselijke wezens en zo meer.'

 

Aldus eindigt het zevende Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: De Wetenschap van God.

 

next                            

 

 

 
Derde herziene editie, geladen 4 mei, 2012.

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî Nârada zei: 'Sommige van de tweemaal geborenen wijden zich aan baatzuchtige activiteiten, sommigen houden zich bezig met ontzeggingen, o heerser der mensen, sommigen munten uit in Vedische studie terwijl anderen de retoriek beoefenen en sommigen zich ook verenigen in [het bewustzijn van] de geestelijke kennis [in bhakti- en jñâna-yoga].

S'rî Nârada zei: 'Sommige van de tweemaal geborenen zijn gewetensvol in baatzuchtige aktiviteiten, sommigen zijn gewetensvol in ontzeggingen, o heerser der mensen, sommigen zijn van vedische studie terwijl anderen de retoriek beoefenen en sommigen ook zich verenigen [in het bewustzijn] in de geestelijke kennis [in bhakti- en jnana-yoga]. (Vedabase)

 

Tekst 2

Een persoon die de bevrijding verlangt behoort de opbrengst van zijn offers weg te schenken aan iemand die de geestelijke kennis is toegewijd [doorgaans een brahmaan of een jñânî]. Mocht het zo zijn dat zo iemand niet te vinden is, moet er worden gedoneerd aan andere personen voor zover die dat waard zijn.

Een persoon die verlangt naar de bevrijding behoort de opbrengst van zijn offers weg te schenken aan degenen die de geestelijke kennis zijn toegewijd en ook behoort, dat wat geofferd is aan de goddelijken, los van hen, te worden uitgereikt aan anderen, zij het dan met onderscheid.  (Vedabase)

 

Tekst 3

Offerend aan de halfgoden moet men er twee te eten geven, offerend aan de voorvaderen behoort men er drie te eten te geven, of anders moet men er in ieder geval tenminste één voeden. Men moet niet een groot aantal van hen erbij betrekken, ook al heeft men er de middelen voor.

Offerend aan de halfgoden moeten twee van hen, offerend aan de voorvaderen behoren aan drie van hen of ten minste in beide gevallen behoort een van hen gevoed te worden; zelfs al is men rijk, dan nog moet men met zijn offeranden niet al te breed uitpakken. (Vedabase)

  

Tekst 4

In geval men het offeren in geloof [de s'raddha-ceremonie] aan een groot aantal van hen en hun [gezelschap aan] familieleden toevertrouwt, zal het allemaal niet goed lukken wat betreft de meest geschikte plaats en tijd, de benodigdheden, de persoon die de eer toekomt en de methode aangewend.

Naar de geëigende plaats en tijd, geloof, benodigdheden, persoon van ontvangst en de juiste middelen moet men te werk gaan, terwijl dit alles ongepast is als men probeert er mee uit te breiden of als men steeds meer van zijn eigen mensen erbij wil betrekken. (Vedabase)


Tekst 5

Als men het heilige voedsel, dat men verkreeg door het op de juiste plaats en tijd met liefde en toewijding volgens de regels aan de beeltenis van de Heer te offeren, aanbiedt aan de persoon die de eer verdient, vormt zo'n aanpak een bron van duurzame welvaart [zie ook B.G. 3: 10].

Naar de juiste tijd en plaats behoort, voor zover beschikbaar, het voedsel voor de geheiligden met liefde en toewijding te worden geofferd aan de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, overeenkomstig de regulerende beginselen en woorden van de geestelijk leraar; de offers op deze manier gebracht aan de persoon van ontvangst zullen een oneindige bron van voorspoed worden. (Vedabase)

 

 Tekst 6

Met het aanbieden van [gewijd] voedsel aan de goddelijken, de heiligen, de voorvaderen, de levende wezens in het algemeen, zichzelf en zijn familieleden, moet men hen allen beschouwen als deel uitmakend van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid Gods. 

Aan de goddelijken, de heiligen, de voorvaderen, de levende wezens in het algemeen, de verwanten en voor iemands eigen mensen voedsel offerend, moet men hen allen zien als deel van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God. (Vedabase)

 

Tekst 7

Hij die bekend is met de principes van het dharma moet nooit vlees [vis of eieren] offeren tijdens de geloofsceremoniën, noch moet hij in zijn normale leven een vleeseter zijn. De hoogste voldoening ontleent men aan het [vegetarisch] voedsel van de wijzen en niet zo zeer aan het [voedsel verkregen door het nodeloos] doden van dieren.

Nimmer moet men vlees offeren [noch vis en eieren] met de ceremoniën van geloof, noch behoort degene die weet heeft van het dharma [de bestuurder] er persoonlijk van te eten; met het voedsel voor de geheiligden behoort er de hoogste voldoening te zijn met degenen die aanbeden worden en die zelf niet ten gunste zijn van nodeloos geweld jegens dieren. (Vedabase)

   

Tekst 8

Voor personen die ware rechtschapenheid verlangen bestaat er geen hogere religie dan dit: het in geest, woorden en handelingen opgeven van alle geweld jegens andere levende wezens.

Door rechtgeaarde personen gericht op dat wat het ware is behoort dat verlangen te worden opgegeven dat andere levende wezens moeilijkheden bezorgt; er is geen religie meer verheven dan zo te zijn in je woorden, geest en lichaam.' (Vedabase)

 

Tekst 9

Personen die door hun aandacht te vestigen op het ware zelf [in samyama] vrij zijn van materiële verlangens, weten heel goed wat de bedoeling is van het brengen van offers. Verlicht in de kennis der spiritualiteit weten die transcendentalisten dat sommige offers [zoals het offeren van dieren] karmische gevolgen hebben.

Wel bekend met de bedoeling van de offers en door zelfbeheersing [samyama] bevrijd van verlangens, mogen diegenen die weten van de karmische terugslag van sommige [onzuivere, dieren-] offers, van opoffering zijn als mensen verlicht in de spirituele kennis.  (Vedabase)

 

Tekst 10

Levende wezens die een offeraar zien worden bang als er een schepsel moet worden geofferd. Ze denken: 'Deze onwetende, onaardige persoon zal ons zeker snel ter dood brengen!'

Met het zien van de offeraar die bezig is met de offerdieren raken de levende wezens bevreesd al denkende: 'Deze hier zo meedogenloos met ons, zal voorzeker zo gelukkig met zijn afslachten, ons eveneens in onwetendheid ombrengen!'. (Vedabase)


Tekst 11

Daarom wordt hij die weet wat dharma is [zie ook B.G. 18: 66] verondersteld dag in dag uit, met tevredenheid zijn reguliere en gelegenheidsplichten na te komen met het voedsel dat door de Heer geschonken wordt, het [vegetarische] voedsel der wijzen.

Derhalve met wat door God gegeven is, het voedsel der geheiligden, behoort inderdaad hij die werkelijk van het dharma is [zie ook B.G. 18.66], dag na dag, in de grootste voldoening, zijn reguliere en gelegenheidsplichten na te komen. (Vedabase)

 

Tekst 12

Iemand die weet wat dharma is spreekt van vijf takken of vijf soorten van adharma die als vormen van slecht bezig zijn moeten worden opgegeven: vidharma, paradharma, upadharma, âbhâsa en chala-dharma.

Vidharma, paradharma, upadharma, âbhâsa en chala-dharma zijn de vijf verschillende vormen van goddeloosheid die door degenen trouw aan de schrift worden beschouwd als het adharma dat moet worden opgegeven. (Vedabase)


Tekst 13

Vidharma moet [worden begrepen als] dat wat een tegenwerping vormt tegen of een benadeling vormt van het dharma [de rechtschapenheid, natuurlijkheid en religiositeit, de oorspronkelijke bedoeling van de plichtsvervulling]. Paradharma bestaat uit het aanzetten tot plichten die haaks staan op de eigen plicht [op iemands aard], upadharma is wat iemand doet die voorwendt zijn plicht te doen, iemand die een hypocriet is en chala heeft betrekking op het voorwenden van plichtsvervulling door met woorden te goochelen.

De oorspronkelijke bedoeling in de weg staan is vidharma [ook onwettig genoemd]; doen alsof [ofwel verkeerd opgevat] is het paradharma en ketters of bekokstooft als iets anders is het upadharma; het is [âbhâsa, pretentieus of hypocriet] valse trots en met chala, bedrog, verdraait men de betekenis. (Vedabase)


Tekst 14

Âbhâsa is dat wat personen eigenwillig, eigenzinnig doen in weerwil van hun geestelijke afdeling [hun âs'rama, hun burgerlijke status]. Waarom zou het zich gedragen overeenkomstig de eigen natuurlijke plicht geen vrede brengen?

Dat wat daadwerkelijk luimig wordt uitgevoerd door personen vanuit een andere gezichtshoek dan de eigen levensorde [âs'rama] en het eigen vastgestelde dharma; het op die manier niet in overeenstemming verkeren met de eigen natuur, zou dat in staat zijn vrede te brengen?  (Vedabase)


Tekst 15

Wat betreft de religie moet men niet ondernemen ter wille van zijn levensonderhoud [ofwel: verwacht geen inkomsten uit religieus bezig zijn, zie B.G. 2: 47 & 18: 9], noch moet men armlastig zijnde streven naar bezittingen. De begeerteloosheid van iemand die vrij is van zulk ondernemen is als die van de python [zie 7.13: 11] die leeft zonder noemenswaardige inspanning.

Met religie en economie moet men het in feite niet proberen de noodzaak voorbij te streven van het bij elkaar houden van lichaam en ziel en ook niet, indien berooid, uit te zijn op geld; de begeerteloosheid van iemand die vrij is van dat ondernemen is als die van de python [zie 7.13: 11] die leeft zonder noemenswaardige inspanning. (Vedabase)

Tekst 16

Waar zou iemand die, voortgedreven door lust en hebzucht, van hot naar haar rent voor de rijkdom, nu het geluk vinden dat eigen is aan de tevreden persoon die niet ondernemend voor zijn onderhoud gelukkig is van binnenuit?

Waar is het geluk te vinden van de tevreden persoon, niet ondernemend voor zijn onderhoud en gelukkig van binnenuit, met hem die, gedreven door lust en hebzucht, daarvoor - voor de rijkdom - doolt van hot naar haar en overal? (Vedabase)

 

Tekst 17

Voor een altijd vreedzame geest is iedere weg die hij bewandelt even gunstig, net zoals het is met iemand die met schoenen aan zijn voeten niets te vrezen heeft van steentjes en doorns.

Voor een geest immer van de vrede is alles van waar dan ook afkomstig precies zoals het is met een persoon met schoenen die niets te vrezen heeft van steentjes en doorns. (Vedabase)

 

Tekst 18

O Koning, waarom zou een in zichzelf tevreden iemand niet gelukkig leven op enkel een beetje water als hij van het moeilijke gedoe met zijn geslachtsdelen en zijn tong een mens wordt die niet beter is dan een huishond? 

Of, o Koning, waarom zou een persoon van vrede niet gelukkig leven op een beetje water, als van de geslachtsdelen en de tong men in zijn worsteling een mens wordt niet beter dan een huishond?  (Vedabase)

 

Tekst 19

Een geschoold maar ontevreden iemand zal vanwege zijn begeerte, geleidelijk aan zijn zinsvermogen, geleerdheid, verzaking, faam en spirituele inzicht zien afnemen en verdwijnen.

Voorzeker zal van een ontevreden iemand van scholing, vanwege zijn begeerte, geleidelijk aan de kracht wegkwijnen van zijn zinnen, zijn geleerdheid, verzaking en faam en zal zijn spirituele inzicht verdwijnen. (Vedabase)

 

Tekst 20

Voor iemand die hongerig en dorstig is eindigen de verlangens [als hij eet], men raakt bevrijd van woede door die op een bepaalde manier te uiten, maar een persoon raakt niet verlost van zijn begeerte als het hem zint om alle uithoeken van de aarde te veroveren [zie ook B.G. 16: 21]. 

Voor iemand die hongerig en dorstig is vinden de lusten daadwerkelijk een einde, van geventileerde woede is er opluchting, maar een persoon kan niet van zijn begeerte afkomen met een lust om in alle windrichtingen over de aarde te zegevieren [zie ook B.G. 16: 21]. (Vedabase)

 

Tekst 21

O Koning, vele geleerden met een hoop kennis, vele raadslieden en vele politieke leiders belandden in de hel eenvoudigweg omdat het hen ontbrak aan [innerlijke] tevredenheid.

O Koning, vele geleerden, vele personen van een uiteenlopende ervaring, menige deskundigen in het juridisch advies, of vele kandidaten voor het leiderschap zelfs, zijn in de hel beland eenvoudig vanwege dat enkele gebrek aan tevredenheid. (Vedabase)

 

Tekst 22

Lusten overwint men door vastbeslotenheid, woede wordt men de baas door af te zien van het voorwerp der begeerte, om hebzucht te verslaan moet men bedenken dat bezit tot bezetenheid leidt en angst overwint men door zich te bezinnen op beginselen [op de werkelijkheid, de waarheid].

Met vastbeslotenheid moet de lust worden overwonnen, woede door middel van het verzaken van het object der begeerte, wat betreft de hebzucht moet men zich het ophopen van de weelde wat de problemen veroorzaakt voorhouden, en de angst wordt overwonnen door zich te bezinnen op de waarheid. (Vedabase)

 

Tekst 23

Uitweiden [over spirituele aangelegenheden] geneest je van treurnis en illusie, valse trots wordt genezen door dienst aan een grote ziel, stilte overwint de hindernissen op het pad van de yoga en gewelddadigheid [kwaad, vijandigheid] wordt verholpen door af te zien van zinsbevrediging [zie ook B.G. 4: 10]. 

Het uitweiden over spirituele aangelegenheden is de genezing voor weeklagen en illusie, valse trots wordt genezen door dienst aan een grote ziel, stilte overwint de hindernissen op het pad van de yoga en niet langer malen om je zinsbevrediging is de genezing voor het gewelddadig zijn [zie ook B.G. 4.10]. (Vedabase)

  

Tekst 24

Door begaan te zijn, [genadevol te zijn, betrokken te zijn] met anderen kan men het leed verzachten dat werd veroorzaakt door andere levende wezens en door de natuur en door systematische meditatie in yoga bestrijdt men lijden als gevolg van de eigen [karmische] handelingen. Slaap kan worden overwonnen door goedheid te beoefenen.

Heb medelijden met het leed dat door andere levende wezens en door de natuur wordt berokkend, geef met systematische meditatie in yoga datgene op waaronder je lijdt als gevolg van je eigen daden en overwin de slaap door goedheid te beoefenen. (Vedabase)

 

Tekst 25

Door de geestelijk leraar toegewijd te dienen kan iemand in de geaardheid goedheid makkelijk al deze [symptomen van] gehechtheid in hartstocht, onwetendheid en ook goedheid overwinnen. 

Met de geaardheid goedheid kan een persoon, in toegewijde dienst jegens de geestelijk leraar, gemakkelijk al deze hartstocht, onwetendheid en de goedheid zelf overwinnen die men ook moet opgeven. (Vedabase)

 

Tekst 26

De goeroe die het licht op het pad vormt moet men zien als de Allerhoogste Heer in eigen persoon en degene die hem en wat hij van hem hoorde beschouwt als sterfelijk en tijdgebonden, is als een olifant die is schoongewassen [en dan een stofbad neemt].

De goeroe die het licht op het pad is moet rechtstreeks worden gezien als de Allerhoogste Persoon; hij die hem en alles wat tot de Veda behoort beschouwt als sterfelijk en tijdgebonden, is als een olifant die een stofbad neemt. (Vedabase)

   

Tekst 27

Hij [de leraar], die de Allerhoogste Heer in eigen persoon is, de heerser over de eigenlijke materiële oorzaak [pradhâna, de oerether] die de oorspronkelijke persoon is alsmede de Heer van de Yoga wiens voeten worden gezocht door de meesters van de yoga, wordt door de gewone [niet-toegewijde] man aangezien voor een normaal mens [zie ook B.G. 9: 11]!

Hij wiens lotusvoeten worden gezocht door alle meesters van de yoga, Hij die de Hoogste Beheerser is en de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en het oerbeginsel van de natuur is; rechtstreeks deze Allerhoogste Heer [Krishna] wordt door de mensen in het algemeen beschouwd als zijnde een gewoon mens! [zie ook B.G. 9: 11] (Vedabase)


Tekst 28

Men heeft zijn tijd verspild als al de voorgeschreven activiteiten en inachtnemingen, die waren gericht op het definitieve onderwerpen van de zes afdelingen [van de vijf zinnen en de geest], niet hebben geleid tot het uiteindelijke doel: de verbondenheid in de yoga [van het individuele bewustzijn met Hem].

Als al de handelingen en regelingen naar behoren, voor het doel van het voor eens en altijd onderwerpen van de zes der zinnen en de geest, er niet toe leiden dat men positief in kontakt komt, heeft men alleen maar zijn tijd en moeite verspild. (Vedabase)


Tekst 29

Zoals beroepsmatige bezigheden gericht op het verwerven van een inkomen niet het belang van de yoga dienen, dragen ook de traditionele deugdzame publieke werken die door een materialistische persoon worden uitgevoerd, niet bij [tot de nodige bewustzijnsvereniging. Vergelijk B.G. 2: 42-44].

Aangezien beroepsmatige bezigheden uit op een inkomen niet dat ten goede komen wat yoga is, zijn ze te allen tijde van weinig nut en waarde, net als de rituele vedische plechtigheden dat zijn van een persoon die werelds verstrikt is [vergelijk B.G. 2: 42-44]. (Vedabase)

 

Tekst 30

Hij die zijn denken de baas wil zijn moet alleen, op een afgezonderde plaats, zonder de afhankelijkheid van een gezelschap van gehechte mensen [zoals een gezin] als een wereldverzaker van de bedeling leven en karig eten.

Hij die bezig is met het overwinnen van zijn denken moet alleen zijn, zonder de afhankelijkheid van een gezelschap van gehechte mensen [zoals een gezin], op een afgezonderde plaats en als een verzaakt persoon van de bedeling leven en karig eten. (Vedabase)

 

Tekst 31

Op een schone, vereffende plaats o Koning, moet hij voor zichzelf een zitplaats regelen en er stabiel, comfortabel en berustend gaan zitten, zijn lichaam rechtop houden en op die manier de Pranava beoefenen [zie 1.2: 11 en B.G. 8: 11-14 en 6: 11-12].

Op een schone vereffende plaats, o Koning, moet hij voor zichzelf een zitplaats regelen en stabiel, comfortabel en gelijkmoedig neerzitten zijn lichaam rechtop houden en op die manier de pranava beoefenen [zie 1.2: 11 en B.G. 8: 11-14 en 6.11 ]. (Vedabase)

 

Tekst 32-33

Hij behoort de in- en uitgaande lucht te stoppen met het vasthouden van zijn in- en uitgaande adem en op dat moment al de verlangens die zijn geest bezighouden los te laten. Terwijl hij staart naar het puntje van zijn neus moet hij de geest die van hier naar daar afdwaalt, afwenden van wat dan ook. Een volleerd yogi behoort in zijn hart stap voor stap een einde te maken aan het denken dat door de lust werd verslagen.

Hij behoort de ingaande en uitgaande lucht stil te zetten met het vasthouden van zijn in- en uitademen en voor die tijd alle verlangens in zijn geest op te geven terwijl hij staart naar het puntje van zijn neus. Met de geest die dwaalt naar hier en daar afgewend van wat dan ook is de lust verslagen en behoort een volleerd yogî stap voor stap het denken tot staan te brengen in het hart. (Vedabase)

  

Tekst 34

Dit volhoudend zal de consequente beoefenaar er [met de geest] als een vuur [dat uitgaat] zonder brandstof, altijd snel in slagen de zuivere staat [het nirvâna] te bereiken.

Op deze manier standvastig zal de consequente beoefenaar na de nodige tijd er snel in slagen zo zuiver te zijn als een vuur zonder rook. (Vedabase)

 

Tekst 35

Niet afgeleid door de verschillende verlangens wordt de geest kalm en vreedzaam in al zijn bewegingen. [Men is dan] van een bewustzijn dat in aanraking kwam met de gelukzaligheid van het bovenzinnelijk platform, een positie waarvan men zich in feite nimmer kan losmaken [zie ook B.G. 5: 17].  

Onaangedaan door de verschillende verlangens is men in al zijn handelingen vredig en kalm daar men van het bewustzijn zich bevindt in de gelukzaligheid van het bovenzinnelijk platform waarvan men daadwerkelijk nooit afscheid kan nemen [zie ook B.G. 5.17].   (Vedabase)

 

Tekst 36

Als iemand eerst zijn huis en haard verliet om rond te zwerven en dan weer terugkeert om te leven van het veld van zijn vroegere drievoudige praktijk van materieel georiënteerde [economische, religieuze en op de zinnen ingestelde] handelingen, kan men zo'n schaamteloze bedelaar vergelijken met iemand die zijn eigen kots opeet [een vântâs'î].

Als een verzaakte persoon van de rivierbedding van het eeuwige weer opnieuw raapt van het veld, opnieuw voorrang zou geven aan de burgerlijke waarden van de materialistische bezigheden van het huishoudelijk leven, is zo een persoon inderdaad een schaamteloze vântâs'î [iemand die zijn eigen kots opeet]. (Vedabase)

 

Tekst 37

Zij die eerst hun lichaam zien als iets dat losstaat van de ziel, als iets dat sterfelijk is en bestemd voor uitwerpselen, wormen en as, en dan weer dat lichaam verheerlijken en zich ermee identificeren, zijn nutteloze dwazen.

Zij die hun eigen lichaam sterfelijk en bestemd voor uitwerpselen, wormen en as apart van de ziel opnieuw beschouwen als iets wat te verheerlijken is en waarmee men zich moet identificeren, zijn inderdaad de ergste sukkelaars van de grote leugen. (Vedabase)

 

Tekst 38-39

Voor huishouders om hun plichten te verwaarlozen, voor celibatairen om te breken met hun geloften, voor teruggetrokken personen om zich in dienst van de gewone burger te stellen, voor verzakers om te smachten ten behoeve van de zinnen, is voor al de âs'rama's een hoogst abominabele manier van doen die verraad inhoudt aan de geestelijke orde. Men moet onverschillig staan tegenover hen die aldus verdwaasd zijn door het uitwendig vermogen van de Heer, ze zijn meelijwekkend.

Voor huishouders om hun plichten te verwaarlozen, voor celibatairen om te breken met hun geloften, voor teruggetrokkenen de steedse burger van dienst te zijn, voor verzakers om te smachten ten behoeve van de zinnen - voor al deze âs'rama's is het werkelijk hoogst abominabel om zoals dit allemaal te zijn in een verraad aan de geestelijke orde; voor hen, verdwaasd door de uitwendige energie van God, mag men twijfel en medelijden koesteren. (Vedabase)

 

Tekst 40

Als men eenmaal doorheeft wat de ziel [en Superziel] allemaal inhoudt, als men eenmaal vanuit de bovenzinnelijke positie zijn bewustzijn gezuiverd heeft met spirituele kennis, wat valt er dan nog te verlangen, waarom zou men dan nog langer een slaaf zijn van het lichaam dat men onderhoudt?

Als men van de ziel begrip kreeg, als men vanuit het voorbije zijn bewustzijn gezuiverd heeft met spirituele kennis, wat is dan dat verlangen naar comfort, voor wie of om welke reden zou hij de verslavingen aan het lichamelijke handhaven? (Vedabase)

 

Tekst 41

Men zegt dat het lichaam de strijdwagen is, dat de zinnen de paarden zijn, dat de geest - de meester der zinnen - er als de teugel is, dat de zinsobjecten de wegen vormen die men bewandelt, dat de intelligentie [de rede] de wagenmenner is en het bewustzijn [goedheid, karakter] de grote band vormt die is geschapen door de Heer.

Men zegt dat het lichaam de strijdwagen is, de zinnen zijn de paarden, de geest, de meester der zinnen, de teugel, de zinsobjecten vormen de bestemmingen, de intelligentie is de wagenmenner en het bewustzijn is van de grootste gebondenheid, de konditionering, geschapen door de Heer. (Vedabase)

 

Tekst 42

De spaken van het wiel [zie ook 7.9: 21] zijn de tien soorten lucht in het lichaam [genaamd prâna, apâna, samâna, vyâna, udâna, nâga, kûrma, krikala, devadatta en dhanañjaya], de binnenkant en de buitenkant van de wielen zijn de religie en de goddeloosheid, hij die vervoerd wordt is het persoonlijke zelf dat zich valselijk identificeert, de Pranava is de boog en de individuele ziel is de pijl, maar de uiteindelijke gelukzaligheid vormt het doelwit.

De spaken van het wiel [zie ook 7.9.21 ] zijn de tien soorten lucht in het lichaam [genaamd prâna, apâna, samâna, vyâna, udâna, nâga, kûrma, krkala, devadatta en dhananjaya], de binnenkant en de buitenkant van de wielen zijn de religie en de goddeloosheid, hij die vervoerd wordt is de individuele ziel die zich valselijk identificeert, de pranava is de boog en het levend wezen is de pijl, maar het doelwit is voorzeker het Allerhoogste. (Vedabase)

 

Tekst 43-44

Gehechtheid en afkeer, begeerte en weeklagen, illusie, angst, waanzin, vals prestige, belediging, fout vinden en ontgoocheling, geweld en jaloezie, onrust, verdwazing, honger en slaap zijn iemands vijanden; zij en anderen komen voort uit hartstocht en onwetendheid maar soms vormt [gehechtheid aan] de geaardheid goedheid een vijand.

Gehechtheid en afkeer, begeerte en weeklagen, illusie, angst, waanzin, vals prestige, belediging, foutvinden en ontgoocheling, geweld en jaloezie, onrust, verdwazing, honger en slaap zijn inderdaad iemands vijanden; dezen en meer van deze begrippen zijn somtijds het gevolg van hartstocht en onwetendheid en somtijds ontspruiten ze aan de geaardheid goedheid.  (Vedabase)

 

Tekst 45

Zolang als men deze menselijke gedaante heeft, die als een strijdwagen met alle daarbij behorende onderdelen afhankelijk is van de wil, moet men, in dienst aan de lotusvoeten van de meest vererenswaardige zielen, vasthouden aan het, door de kracht van de Onfeilbare, aangescherpte zwaard van kennis totdat de vijand is verslagen. Als men aldus in zijn bovenzinnelijk geluk de bevrediging heeft gevonden, kan men dit lichaam opgeven.

Zolang als men deze menselijke gedaante heeft, die als een strijdwagen met alle daarbij behorende onderdelen afhangt van de eigen beheersing, moet men in dienst aan de lotusvoeten van de meest vererenswaardige zielen vast houden aan het door de kracht van de Onfeilbare aangescherpte zwaard van kennis totdat de vijand is verslagen, zodat men voldaan over z'n bovenzinnelijk geluk dit lichaam op kan geven ter wille van het zuivere onbesmette wezen. (Vedabase)

 

Tekst 46

In geval men dat, onachtzaam en geneigd tot het onware, niet doet, zullen de zinnen die dienst doen als de paarden de wagenmenner meevoeren op het pad der begeerte. Daar valt de wagenmenner dan in handen van rovers, de zinsobjecten [die heersen met vishaya, eten, slapen en paren] en zal hij door hen, samen met de paarden en de rest, in de duistere, overwoekerde put belanden van het materieel bestaan en gebukt gaan onder de grote angst voor de dood.

Dat niet doend onoplettend en onwaar, zullen de zinnen optredend als de paarden de wagenmenner meevoeren naar het pad der begeerte de zinsobjecten in handen van plunderaars [vishaya, eten, slapen en paren] spelend waarna die plunderaars tezamen met de paarden en de menner bij elkaar in de duistere, blinde put van het materieel bestaan worden geworpen en haar grote angst voor de dood. (Vedabase)

 

Tekst 47

Geneigd zijn tot en afgekeerd zijn van materiële betrokkenheid [pravritti en nivritti], zijn de twee soorten van bezig zijn die besproken worden in de Veda's [4.4: 20]. Geneigd tot materieel handelen keert men telkens weer terug [naar een werelds bestaan] terwijl men afziend van handelen de nectar der eeuwigheid geniet [zie ook B.G. 16: 7]. 

Het materiële genoegen toegenegen of er van afgewend zijn, zijn de twee opties van karma volgens de Veda's [4.4: 20]; materieel van voorkeur is men doelloos maar van verzaking geniet men de nektar van het eeuwige [zie ook B.G. 16: 7]. (Vedabase)

 

Tekst 48-49

Het systematisch van geweld zijn [met het offeren van dieren in samenhang] met allerlei soorten van vuuroffers waar zoveel bij komt kijken, is vervuld van verlangen en vormt een bron van zorgen. Het gericht zijn op dars'a, pûrnamâsa, câturmâsya, pas'uh, soma en andere rituele plechtigheden noemt men pravritti. Evenzo moet men de vuuroffers en het aanbieden van de offergaven [huta, prahuta] alsmede het voor het publiek construeren van tempels, uitspanningen en tuinen en het slaan van putten en het voorzien in voedsel en water, als vormen van pravritti handelingen zien.

Systematisch geweld [dierenoffers] met allerlei soorten van vuur-offers waar zoveel bij komt kijken, is vervuld van verlangen en vormt een bron van zorgen; het doel van al de darsa, pûrnamâsa, câturmâsya, pasuh, soma en andere rituele plechtigheden moet men zien als een vorm van gehechtheid. Inderdaad het voor de offergave en het offer [huta, prahuta] als ook voor het heil van het publiek construeren van tempels, uitspanningen en tuinen en het slaan van putten en voorzien in voedsel en water vormen dergelijke symptomen. (Vedabase)

 

Tekst 50-51

De fijne substanties [van het offer] resulteren in de rook [geassocieerd met] de goddelijkheid van de nacht, de donkere helft van de maand, de zon die door het zuiden gaat en de nieuwe maan [vergelijk B.G. 8: 25]. Met die goddelijkheid [vindt men] de granen om ons te voeden die de zaden zijn van de vegetatie op de oppervlakte van de aarde o heerser der aarde. Aldus door de vader [van de Tijd] in het leven geroepen leiden zij [door ons te voeden via de offers] tot de ene na de andere geboorte, tot het keer op keer, regelmatig aannemen van een fysieke gedaante om in deze wereld aanwezig te zijn [zie ook B.G. 9: 21].

Alles wat men in het vuur offert verandert in rook die zich beweegt met de goddelijkheid van de donkere helft van de maan, de zon die door het zuiden gaat, en de maan die nieuw is [vergelijk B.G. 8: 25]; maar daarna zijn er van de vegetatie op de oppervlakte van de aarde, de granen om ons te voeden, het zaad aldus, o heerser der aarde, dat op deze manier geprojecteerd door de vader [van de Tijd] leidt tot het telkens weer, het ene na het andere, opeenvolgen van het keer op keer geboren zijn om te bestaan naar de victorie der materie [zie ook B.G. 9: 21]. (Vedabase)

 

Tekst 52

[Maar] een tweemaal geborene [een brahmaan] die vanaf het moment van zijn bevruchting tot aan zijn begrafenis gezuiverd wordt door verschillende rituelen, offert bij het licht der geestelijke kennis zijn bezigheid in offerplechtigheden in [het vuur van] zijn zintuiglijkheid [en is zo van nivritti handelingen]. 

Een tweemaal geborene van verlichting in ware kennis raakt [door het pad van afzien] door de zuiveringsprocessen aan het begin van het leven en het einde ervan bij de dood, gezuiverd [hij raakt ongeïnteresseerd] daar hij zijn handelingen offert in [het mediteren van] zijn zinnelijkheid. (Vedabase)

 

Tekst 53

De zinnen doen opgaand in de geest - die wordt besmet door de woorden die zich bewegen in golven van materiële voorkeur - beperkt hij de woorden tot de verzameling van hun samenstellende delen, de letters. Die elementen worden dan beperkt tot het AUM van de Pranava welke wordt beperkt tot een punt [de bindu, een punt tussen de ogen], dit trekt hij terug in de reflectie op het geluid [de nâdi] welke hij offert in de levensadem [prâna] die hij doet opgaan in het geheel van de Heer [in brahman].

De zinnen dan naar de geest gezet die besmet is met woorden in golven van materiële voorkeur, de woorden dan beperkt tot het volledige van haar elementen, de letters, die dan weer ingeperkt zijn tot het AUM van de pranava dat weerklinkt en die uiteindelijke geluidsklank vervolgens opgegeven tot op het punt erin vervat, resulteert dan daadwerkelijk in de levensadem naar het Allerhoogste van het levende wezen. (Vedabase)

Tekst 54

[In nivritti vorderend met] het vuur, de zon, de dag, het einde van de dag, de heldere helft van de maand, de volle maan, de gang van de zon door het noorden en de Onafhankelijke Heerser [Brahmâ], komt hij die van onderscheid is en zich van het grofstoffelijke bereik tot de subtiele bestemming beweegt, in een geregelde opeenvolging tot de bovenzinnelijke staat der intelligentie, de ziel [turya, de oorspronkelijke bewustzijnsstaat].

Van het vuur dan [van de] de zon, de dag, het einde van de dag, de heldere helft van de maand, de volle maan, de gang door het noorden en het Allerhoogste van Brahmâ is hij, zich bewegend van de grove bestemming naar de subtiele, als een natuurlijke consequentie de bovenzinnelijke getuige van de ziel. (Vedabase)


Tekst 55

Telkens weer opnieuw geboren wordend op deze weg van God, zoals dit [nivritti proces] wordt genoemd, [zie ook B.G. 8: 16], keert hij die ijvert voor de zelfverwerkelijking en de vrede van de ziel verlangt, niet weer terug als hij eenmaal zijn plaats heeft gevonden in het ware zelf. 

Op deze weg naar God herhaaldelijk achtereenvolgens geboren, zo zegt men [zie ook B.G. 8:16], keert hij die ijvert voor zelfverwerkelijking en daadwerkelijk uit is op de vrede, zich in het ware zelf bevindend, niet weerom. (Vedabase)

 

Tekst 56

Hij die op dit in de Veda's aanbevolen pad van de voorvaderen en de goden zijn blik gericht houdt op de geschriften, heeft kennis van zaken en zal niet verdwaasd raken, ook al is hij dan een materiële persoon.

Hij die in relatie tot de voorvaderen en de goden deze weg volgt, zal, zoals voorgeschreven door de Veda's regelmatig de geschriften bestuderend, alhoewel hij een materiële persoon is, door de ogen der verlichting kijken en nooit verdwaasd zijn. (Vedabase)

 

Tekst 57

Zowel vanbinnen als vanbuiten er altijd van het begin tot het einde voor alle levende wezens zijnd, is deze Heer transcendentaal aan het grofstoffelijke persoonlijk in deze wereld aanwezig als de kennis en de kenner, als de uitdrukking en het uitgedrukte en als het duister en het licht.

Hij in Eigen Persoon is er waarlijk in het begin en op het einde, is van alle levende wezens, altijd zowel van binnen als van buiten bestaand, ontstegen aan het grove, als de kennis en de kenner, als de uitdrukking en het uitgedrukte en als de duisternis en het licht. (Vedabase)

 

Tekst 58

Hoewel afgewezen als een echte vorm, wordt de reflectie [van een vorm in de spiegel] niettemin aanvaard als zijnde echt. Op dezelfde manier aanvaardt men [de werkelijkheid van] het [levens]doel [als echt], ook al valt dat moeilijk te bewijzen op basis van speculaties over wat de zintuigen je melden.

Alhoewel zeker een enkele reflektie wordt afgewezen als zijnde een ware gedaante, wordt die niettemin aanvaard; dienovereenkomstig accepteert men ook de werkelijkheid alhoewel het moeilijk is die te bewijzen vanuit speculaties op de zintuiglijke informatie. (Vedabase)


Tekst 59

Men is niet het gereflecteerde beeld van de voorwerpen van de zintuigen die bestaan uit het aarde-element enzovoorts, noch is men een combinatie of transformatie van die elementen. Hoewel men geen bestaan heeft los van hen, is het ook een misvatting om zichzelf [en de ziel] als een deel van hen te beschouwen [zie ook B.G. 18: 16].

In deze wereld van de vijf elementen is men van hen noch de schaduw [of de gedaante] welke men daadwerkelijk zo aantreft, noch is men voorzeker een combinatie of transformatie van hen; men moet geen geloof hechten aan een afzonderlijk bestaan ervan noch aan het er één mee zijn. (Vedabase)


Tekst 60

Het lichaam bestaande uit de vijf elementen kan niet bestaan zonder de zinsobjecten die er deel van uitmaken. Het onware is gelegen in de gefixeerde vorm van een lichaam dat, net als dat wat er deel van uitmaakt, uiteindelijk een tijdverschijnsel blijkt te zijn.

De vijf elementen als de oorzaak van het lichamelijk begrip en de zinsobjecten kunnen niet bestaan zonder de subtiele [tegen-]delen; het onware wordt gevonden in de gefixeerde vorm van een lichaam net zoals op het eind dat wat er deel van uitmaakt [het zins-object] ook niet bestaat. (Vedabase)

 

Tekst 61

Men kan het vergelijken met dezelfde verwarring - en het dienovereenkomstig breken met de regulerende beginselen - als die men met een droom heeft: zolang als men in zijn slaap door de droom gescheiden wordt van de substantie van de waaktoestand, wordt men door dat deel [van het bestaan] in de luren gelegd.

Zolang als men een substantie scheidt van haar [gemanifesteerde] deel pakt het zo uit dat men zich vergist, dat men van de overeenkomstigheid in illusie verkeert; precies zoals men in een droom slaapt èn waakt - en dat wordt bevochten door de regulerende beginselen [vidhi, zie 1.17: 24]. (Vedabase)


Tekst 62

Een wijze ziel verwerpt vanuit zijn zelfrealisatie en zijn verkozen eenheid van denkinhoud, handelen en materie in deze wereld, de drie vormen [van onwetendheid die ermee samenhangen als zijnde drie verschillende vormen] van slaap [vergelijk 1.18: 26 en B.G. 6: 16]. 

Naar gelang de eigen positie het eigene [het materiële leven] [her-]overwegend vanuit het gezichtspunt van de eenheid van het bestaan, de handelingen en de middelen, geeft de filosoof het op met het drievoudige van de slaap [vergelijk 1.18: 26 en B.G. 6: 16]. (Vedabase)

 

Tekst 63

Men spreekt van eenheid van denkinhoud [genaamd bhâvâdvaita] als men denkt aan oorzaak en gevolg [als deel uitmakend van één en dezelfde werkelijkheid], zoals je de schering en inslag van een stuk stof hebt. Hen afzonderlijk beschouwen herkent men dan als de grond van het onware [zie ook B.G. 18: 16].

Naar de constatering dat, zoals met de substantie van de draden van een doek, het effect en de oorzaak [van zijn bestaan] één zijn omdat uiteindelijk ze los van elkaar plaatsen het onware vormt, spreekt men van een begrip van eenheid [bhâvâdvaita, zie ook B.G.: 18: 16]. (Vedabase)


Tekst 64

Men spreekt van eenheid van handelen [genaamd kriyâdvaita] als men in al zijn activiteiten van de geest, de woorden en het lichaam rechtstreeks van toewijding is voor de bovenzinnelijkheid van de absolute geest [Brahman], o Yudhishthhira [vergelijk B.G. 9: 27].

In alle aktiviteiten van de geest, de woorden en het lichaam rechtstreeks van toewijding zijn voor het Allerhoogste van het Bovenzinnelijk Absolute, o Yudhishthhira, wordt eenheid in handelingen genoemd [kriyâdvaita, vergelijk B.G. 9.27]. (Vedabase)

 

Tekst 65

Men spreekt van eenheid in materieel opzicht [dravyâdvaita] als het uiteindelijke doel en de verlangde situatie van de echtgenote en de kinderen, van andere mensen of van welke levende wezens dan ook, één en dezelfde is [dit noemt men ook wel de 'gouden regel'].

Als het uiteindelijk doel en het eigenbelang, de vrouw en de kinderen, de anderen of welke levende wezens ook, één is, wordt die eenheid genoemd de eenheid van het belang [dravyâdvaita]. (Vedabase)


Tekst 66

O koning, een persoon behoort zijn plichten te vervullen overeenkomstig zijn [varnâs'rama] positie in de samenleving, tewerk gaand met de middelen, de plaats en de tijd die niet [schriftuurlijk] verboden zijn. Hij moet dat niet op een andere manier doen tenzij er sprake is van een noodsituatie [zie ook 7.11: 17 en B.G. 3: 35].

Een persoon behoort met wat er ook toegestaan zou zijn wat betreft de middelen, de tijd en de plaats te werk te gaan overeenkomstig zijn voorgeschreven plichten, o Koning, een man behoort met dat proces, als alles verder in orde is, het niet op enige andere wijze te proberen. (Vedabase)

 

Tekst 67

Iedere mens die, met achting voor deze en andere beginselen beschreven in de Vedische literatuur, toegewijde dienst verricht in navolging en zich daarbij houdt aan zijn beroepsmatige verplichtingen, kan zelfs thuis blijvend Zijn hemelrijk bereiken o Koning [zie ook B.G. 9: 32].

Op deze en op andere manieren zoals uitgedrukt in de vedische literatuur het houdend op de beroepsmatige bezigheden, kan ieder mensenkind dat daaraan toegewijde dienst verleent, zelfs thuis blijvend de bestemming van Hem bereiken, o Koning [zie ook B.G. 9.32]. (Vedabase)

 

Tekst 68

Het is zoals jullie allen [Pândava's], o heer der koningen, ontsnapten aan al dat onoverkomelijke gevaar. Door de voeten te dienen van jullie Meester [Krishna] slaagden jullie erin de rituelen te volbrengen en de sterkste olifanten te verslaan [de last der onrechtvaardige koningen]. 

Het is inderdaad zoals de manier waarop jullie allen [Pândava's], o heer der koningen, ontsnapten aan al het onoverkomelijke gevaar; door de voeten te dienen van jullie eigen Meester [Krishna] slaagden jullie erin de offers succesvol te volbrengen met het verslaan van de sterkste olifanten [de last der ongerechte koningen]. (Vedabase)


Tekst 69

Ikzelf bestond lang, heel lang geleden, in een voorgaande mahâkalpa [in een ander tijdperk van Brahmâ], als een ingezetene van de hemel genaamd Upabarhana en was zeer gerespecteerd onder de Gandharva's.

Lang, heel lang geleden, bestond ik zelf, in een voorgaande mahâkalpa [millennium van Brahmâ], als een ingezetene van de hemel genaamd Upabharhana en was ik zeer gerespekteerd onder de Gandharva's. (Vedabase)

 

Tekst 70

Ik had een prachtig lichaam en was hoogst aantrekkelijk, ik rook lekker, was opgesierd en betoverend om te zien. Steeds door de vrouwen aangetrokken was ik in de opwinding van mijn verlangens [echter] een losbol.

Ik had een prachtig lichaam en was, hoogst aantrekkelijk, geurend en opgesierd, betoverend om te zien; trots als een gek in zijn eigen stad was ik, dag na dag door de natuurlijke aantrekking van de vrouwen, zeer bevangen door de begeerte. (Vedabase)

 

Tekst 71

Op een dag was er een bijeenkomst van de goden en werden voor de gelegenheid ter verheerlijking van de Heer in gezang en dans, al de Ghandarva's en Apsara's uitgenodigd door de heersers van het universum [de Prajâpati's].

Toen er eens een bijeenkomst was van de goddelijken werden voor de gelegenheid van het verheerlijken van de Heer in gezang en in dans, door hen die over het universum heersten [prajâpati's] al de ghandarva's en apsara's uitgenodigd. (Vedabase)

 

Tekst 72

Ook ik, als een expert in het bezingen [van de heerlijkheden van het goddelijk bestaan], ging erheen omringd door vrouwen. Maar kennis makend met mijn houding, vervloekten de goddelijke heersers van het universum me vervolgens uit alle macht vanwege mijn geflirt: 'Wees jij, in overtreding met de goede zeden, van nu af aan maar een s'ûdra verstoken van de schoonheid!'

Ik ook, expert in het bezingen van de heerlijkheden van het goddelijk bestaan, ging erheen omringd door vrouwen en, wel bekend met mijn houding, vervloekten de goddelijke heersers van het universum me toen uit alle macht vanwege mijn minachting: 'O jij, in overtreding met de gedragsregels, wees vanaf heden maar een s'ûdra, verstoken van de schoonheid!' (Vedabase)

 

Tekst 73

Toen ik daarop werd geboren uit een dienstmaagd, verwierf ik desalniettemin een leven als een zoon van Brahmâ omdat ik toen predikers van de spiritualiteit van dienst kon zijn [Vaishnava's, zie ook 1.5: 23-31].

Om die reden nam ik geboorte uit een dienstmaagd, maar ondanks dat verkreeg ik, dienst verlenend aan uitgesproken spirituele mensen, tegelijkertijd een leven als een zoon van Brahmâ [zie ook 1.5 23-31].(Vedabase)

 

Tekst 74

Ik heb u uitgelegd met welk dharma een gehechte huishouder de zonde kan overwinnen en snel de positie van de wereldverzakende orde kan bereiken.

Aan u denkend als een huishouder, heb ik dat proces uiteengezet waarmee een grihasta de zonde kan overwinnen en heel makkelijk de positie der verzakers kan bereiken.  (Vedabase)

 

Tekst 75

Jullie [Pândava's] zijn zo heel gelukkig om in deze wereld al de heiligen die zuivering brengen bij jullie langs te zien komen omdat bij jullie thuis, hoogst vertrouwelijk, het Allerhoogste Brahman in eigen persoon te vinden is in de gedaante van een normaal mens [Krishna, zie ook 7.1o: 48].

Jullie allen in deze menselijke wereld zijn zo allerfortuinlijkst dat al de heiligen die zuivering kunnen geven jullie komen bezoeken daar in jullie huis dus rechtstreeks de Meest Vertrouwelijke van het Allerhoogste Brahman leeft. (Vedabase)

 

Tekst 76

Hij is het Ene Brahman en wordt gezocht door de grote zielen om tot de verwerkelijking van hun bevrijding en de gelukzaligheid van de hemel te komen. Hij, jullie beroemde neef [Heer Krishna], is jullie aller geliefde weldoener,  meest aanbiddelijke persoon, jullie hart en ziel en [oorspronkelijke] leraar van instructie wat betreft de regulerende beginselen [de vidhi; zie ook 7.10: 48 en 49].

Hij aldus spiritueel gekend, gezocht door de groten voor de realisatie der bevrijding en de gelukzaligheid van de hemel, is de meest dierbare begunstiger van jullie allen, jullie beroemde neef [Heer Krishna], de naar hart en ziel meest aanbiddelijke persoon en goeroe van instructie aangaande de principes [de vidhi; zie ook 7.10: 48 &49]. (Vedabase)

 

Tekst 77

Deze gedaante, die zich buiten de reikwijdte bevindt van Heer S'iva, Heer Brahmâ en de anderen [zie ook B.G. 7: 26], kan feitelijk worden begrepen middels meditatie, stilte, bhakti en door een punt te zetten achter alle materiële betrekkingen. Moge die Ene Heer, deze zelfde persoonlijkheid, deze goeroe van instructie en het voorwerp van toewijding voor de toegewijden, tevreden over ons zijn.'

Deze gedaante, die het bevattingsvermogen van Heer S'iva, Heer Brahmâ en de anderen te boven gaat [zie ook B.G. 7.26], kan feitelijk worden begrepen door meditatie, door stilte, door bhakti en door het beëindigen van alle materiële betrekkingen; moge die Ene, deze zelfde persoonlijkheid, deze Meester der Toegewijden zo aanbeden, tevreden over ons zijn.'  (Vedabase)

 

Tekst 78

S'rî S'uka zei: '[Koning Yudhishthhira], de beste van de Bhârata-dynastie in opperste vreugde over het aanhoren van de beschrijvingen van de devarishi, vereerde gegrepen door de extase der liefde toen zowel hem als Heer Krishna.

S'rî S'uka zei: 'De beste der Bharata dynastie in opperste vreugde over het aanhoren van de beschrijvingen van de deva-rishi, was ook gegrepen door de extase der liefde en vereerde Heer Krishna. (Vedabase)

 

Tekst 79

Na het eerbetoon dat hij had ontvangen van Heer Krishna en van Yudhishthhira - die zich als de zoon van Prithâ [zie stamboom] zeer verwonderde over het feit dat Krishna het Parabrahman, de Allerhoogste van de Geest was - nam de muni afscheid van hen en vertrok. 

Met het eerbetoon van Heer Krishna en Yudhishthhira, met die zoon van Prthâ [zie stamboom] zich hoogst verbazend over Krishna als het Parabrahman, het Allerhoogste van het Spirituele, nam de muni afscheid van hen en vertrok hij. (Vedabase)

 

Tekst 80

Aldus gaf ik u een beschrijving van de verschillende dynastieën van de dochters van Daksha, waarin al de werelden ontstonden met hun bewegende en niet-bewegende levende wezens bestaande uit goden, demonen, menselijke wezens en zo meer.'

Aldus heb ik u beschreven hoe van de afzonderlijk dynastieën van de dochters van Daksha er de goden, de demonen en de menselijke wezens en zo voorts waren en al de werelden met in hen de bewegende en niet bewegende levende wezens. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
De eerste afbeelding is getiteld: "Seven Hindu ascetics under a banyan tree"
Door 'Ináyat. 1630 (circa) Mughal Style".
Bron:
British Museum.
De tweede afbeelding is getiteld: 'Brahmacari' (pp. 327-28).
uit: Solvyns, Les Hindoûs:  II.5.4.  "Bermacharry. Another Sort of Devotee." (
Bron).
beiden zijn © van de collectie van prof
R.L. Hardgrave, University of Texas. Gebruikt met permissie.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd. 


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties