Tweede
editie, geladen 19 april 2009

Voorgaande
Aadhar-editie en
Vedabase links:
Tekst
1
De
Allerhoogste Heer zei: 'De verklaring van het als gevolg van
Mijn geaardheden gebonden en bevrijd zijn is dat ze in
werkelijkheid in het geheel niet van de geaardheden zijn; Mijn
begoochelende energie is niet de oorzaak van de gebondenheid of
de bevrijding van [het zich verhouden tot] Mij
[*].
De
Allerhoogste Heer zei: 'De verklaring van het als gevolg van
Mijn geaardheden gebonden en bevrijd zijn is dat ze in
werkelijkheid in het geheel niet van de geaardheden zijn;
mijn illusieverwekkende energie is niet de oorzaak van de
gebondenheid of de bevrijding van [het zich verhouden
tot] Mij. (Vedabase)
Tekst
2
Weeklagen en
illusie, geluk en leed en het aanvaarden van een materieel
lichaam onder de invloed van mâyâ zijn niet
meer dan indrukken van het intelligente zelf die laten zien
hoezeer de wereldse bestaanstoestanden net zo onwerkelijk zijn
als wat men ervaart in een droom.
Weeklagen
en illusie, geluk en leed en het aanvaarden van een
materieel lichaam onder de invloed van mâyâ
vormt het geconditioneerde bestaan dat als een
hersenspinsel, net als een droom, inderdaad niet het
werkelijke bestaan is.
(Vedabase)
Tekst
3
Alsjeblieft
Uddhava, begrijp dat kennis en onwetendheid twee vormen van
Mijn manifestatie zijn die, als de producten van Mijn
oorspronkelijk vermogen, leiden tot gebondenheid en bevrijding.
Alsjeblieft
Uddhava, begrijp dat kennis en onwetendheid, twee van Mijn
gemanifesteerde energieën voortgebracht door Mijn
oorspronkelijk vermogen, de aanleiding vormen voor de
gebondenheid en de bevrijding [*].
(Vedabase)
Tekst
4
Van het levende
wezen, dat een deel en een geheel van Mijn Eenheid vormt o
grote intelligentie, is sedert mensenheugenis de gebondenheid
er als gevolg van de onwetendheid en is er ook het tegendeel
van [de bevrijding door] kennis.
Van
het levende wezen, dat voorzeker deel uitmaakt en een geheel
vormt van Mijn Eenheid o grote intelligentie, is sedert
mensenheugenis de gebondenheid er van de onwetendheid en is
zo ook het tegendeel er van de kennis.
(Vedabase)
Tekst
5
Laat me nu
uitweiden, mijn beste, over de verschillende kenmerken van de
tegengestelde aard van het geconditioneerd zijn en het bevrijd
zijn, die er aldus is in één vertoning van
karakter.
Laat
me nu uitweiden, mijn beste, over de verschillende kenmerken
van de tegengestelde aard van het geconditioneerd zijn en
het bevrijd zijn, zich aldus bevindend in één
vertoning van karakter. (Vedabase)
Tekst
6
De twee
vrienden vormen een paar vogels van een gelijke
[spirituele] aard die een nest in een boom blijken te
hebben. Daarbij eet de ene vogel van de vruchten van de boom
terwijl de andere afziet van voedsel, hoewel hij de krachtigste
van de twee is [zie ook 6.4:
24].
Het
viel zo voor dat deze twee vrienden, deze gelijksoortige
vogels, een nest bouwden in een boom waarbij een ervan de
vruchten van de boom eet terwijl de andere niet uit is op
voedsel, alhoewel hij de meerdere is qua kracht [zie ook
6.4: 24]. (Vedabase)
Tekst
7
Hij die niet
van de vruchten van de boom eet, kent alwetend zichzelf
[Zichzelf] zowel als de andere vogel. Zonder verder na
te denken is de etende vogel altijd maar gebonden, terwijl hij
die vol van kennis is steeds degene is die bevrijd is [zie
ook B.G. 4:
5].
Hij
niet etend van de vruchten van de boom, kent alwetend als
hij is zichzelf [Zichzelf] zowel als de andere die
zonder een idee te hebben inderdaad altijd maar gebonden is;
hij die vol van kennis is, is inderdaad steeds degene die
bevrijd is [zie ook B.G.: 4: 5].
(Vedabase)
Tekst
8
De verlichte
persoon beschouwt zichzelf niet als gelijk aan het lichaam dat
hij bewoont, zoals een dromer bij het opstaan zijn gedroomde
zelf vergeet. Een dwaas echter denkt daar, hoewel hij zich
[als de zinsbeheerser] in het lichaam ophoudt, anders
over, hij denkt alsof hij droomt [hij heeft zich
vereenzelvigd, zie B.G. 16:
18].
Een
verlichte persoon ziet, alsof hij opstond uit een droom,
zichzelf, hoewel aanwezig in het lichaam, niet als het
lichaam; een dwaas iemand ziet hoewel zich bevindend in het
lichaam, net als in een droom, zichzelf niet als zodanig
[hij heeft zich vereenzelvigd, zie B.G. 16:
18].
(Vedabase)
Tekst
9
Vrij van de
smet van het verlangen zal de verlichte persoon zichzelf niet
zien als de doener, hij ziet het handelen meer als de
werkzaamheid van de door de natuurlijke geaardheden gestuurde
zintuigen die reageren op de door de geaardheden voortgebrachte
zinsobjecten [zie B.G. 3:
28].
Zelfs
al is hij door de zinnen voortgebracht uit de geaardheden
van de zinnen gericht op de voorwerpen voortgebracht door de
geaardheden, dan nog is de verlichte ziel, die, ze
aanvaardend, inderdaad niet bezeten is van verlangen, niet
valselijk ermee vereenzelvigd dat hij het zou moeten maken
[zie B.G. 3: 28]. (Vedabase)
Tekst
10
Als gevolg van
de handelingen die feitelijk door de geaardheden worden
afgeroepen zit de onwetende ziel, die het door het lot
beheerste lichaam bewoont, zodoende vast aan [het
egoïstische idee van] 'ik ben degene die bezig is'
[zie ook B.G. 3:
27].
Door
de lotsbeschikking onder de invloed van het karma zich
bevindend in dit lichaam voortgebracht uit de geaardheden,
is een dwaas iemand daarop aldus gebonden aan het 'Ik ben
degene die handelt' [zie ook B. G. 3: 27].
(Vedabase)
Tekst
11
Een intelligent
iemand die niet hecht aan uiterlijkheden is in zijn rusten,
zitten, lopen, baden, zien, aanraken, ruiken, eten, luisteren
enzovoorts, aldus nimmer gebonden, ongeacht in welke richting
hij zich beweegt met zijn zintuiglijkheid.
Alzo
is een intelligent persoon, waar dan ook met zijn zinnen aan
de gang, onverschillig als hij is in het rusten, zitten,
lopen, baden, zien, aanraken ruiken, eten, luisteren en zo
voorts, op die manier niet gebonden.
(Vedabase)
Tekst
12-13
Ookal bevindt
hij zich in de materiële wereld, hij snijdt, zich afzijdig
houdend van de heersende machten, alle twijfels aan stukken met
behulp van de meest ervaren, door de onthechting aangescherpte
zienswijze. Zoals de ether, de zon en de wind afzijdig zijn
heeft hij, als iemand die ontwaakt uit een droom, zich
afgekeerd van de veelheid van [of de eenzaamheid met]
de dingen.
Ookal
bevindt hij zich in de materiële wereld snijdt hij,
volledig afzijdig van de heersende machten ervan, alle
twijfels aan stukken middels de meest deskundige visie zoals
aangescherpt door de onthechting, net zoals de ether, de zon
en de wind afzijdig zijn; als was hij ontwaakt uit een droom
heeft hij zich afgekeerd van de afzonderlijkheid der dingen.
(Vedabase)
Tekst
14
De persoon van
wie de functies van de levensadem, de zinnen, de geest en de
intelligentie niet gestuurd worden door verlangens, is geheel
vrij, ookal bevindt hij zich in het door de zintuigen bepaalde
lichaam.
De
persoon vrij van verlangen van wie de functies van de
levensadem, de zinnen, de geest, en de intelligentie
volledig vrijgemaakt zijn is, hoewel zich in het lichaam
bevindend, zeker van Zijn kwaliteiten.
(Vedabase)
Tekst
15
Soms wordt het
lichaam aangevallen [door vijanden of dieren], soms
wordt het aanbeden [door geliefden of toegewijden], een
intelligent iemand is daar echter nooit door van zijn stuk
[zie B.G. 14:
22-25].
Hij
die in het lichaam wordt aangevallen door hen die
gewelddadig zijn of een andere keer weer om een of andere
reden wordt aanbeden, is, intelligent zijnde, daar niet door
aangedaan [zie B.G. 14:
22-25].
(Vedabase)
Tekst
16
Ontstegen aan
het idee van goed en kwaad zal een wijze nimmer zij die zich
uitmuntend gedragen en uitdrukken prijzen, noch zal hij degenen
die het er slecht van afbrengen in woord en daad kritiseren
[zie ook B.G. 5:
18].
Zij
die heel goed of heel slecht hun werk doen of zo spreken
worden door een geheiligde persoon geprezen noch
bekritiseerd; bevrijdt van goede en slechte kwaliteiten
beziet hij de dingen gelijkgezind [zie ook B.G. 5:
18]. (Vedabase)
Tekst
17
Hij die
innerlijk tevreden is behoort niet handelend op te treden in,
zich uit te laten over of zich te bezinnen op kwesties van goed
en kwaad. Een wijze moet zich met die manier van doen door het
leven bewegen als was hij een versuft, materialistisch iemand
[zie ook 5.9].
Hij
die van binnen tevreden is behoort niet te handelen, te
spreken of zich te bezinnen in termen van goed en kwaad; met
deze manier van leven moet een muni zich rondbewegen als was
hij een materialistisch iemand traag van begrip [zie ook
5.9]. (Vedabase)
Tekst
18
Iemand die
volledig op de hoogte is van de vedische geschriften maar niet
in die mate slim tewerk gaat met het allerhoogste belang
[de Heer], zal als de vrucht van zijn inspanningen een
resutaat bereiken dat te vergelijken is met dat van iemand die
voor een koe zorgt die geen melk meer geeft.
Van
iemand die, volledig thuis in de vedische literatuur, niet
in die mate slim is met het Allerhoogste [de Heer],
is de vrucht van zijn grote inspanning voorzeker gelijk die
van iemand die zorg draagt voor een koe die geen melk geeft.
(Vedabase)
Tekst
19
O Uddhava, hij
die zorgt voor een koe die haar melk gegeven heeft, een onkuise
vrouw, een lichaam dat altijd maar afhankelijk is van anderen,
kinderen die zich onwaardig gedragen, ontvangers van giften die
niet terecht zijn, en zich wil uitlaten zonder kennis van Mij
te hebben [zie ook 10.14:
4 en
5.6:
11], heeft
de ene ellende na de andere te verduren.
O
Uddhava, hij die zorgt voor een koe die haar melk gegeven
heeft, een onkuise vrouw, een lichaam dat altijd maar
afhankelijk is van anderen, kinderen onwaardig, ontvangers
onwaardig als men schenkingen doet en zich wil uitlaten
verstoken van de kennis van Mij [zie ook 10.14: 4 en
5.6: 11], heeft de ene ellende na de andere te verduren.
(Vedabase)
Tekst
20
Een wijs
iemand, Mijn beste, moet zich niet uitlaten in termen van
minachting voor Mijn zuiverende activiteiten of gewenste
verschijnen in de vorm van de incarnaties van spel en vermaak
[de lîlâ-avatâra's]
terwille van het handhaven, scheppen en vernietigen van de
wereld, o Uddhava.
Een
wijs iemand, mijn beste, moet niet die uitdrukkingen
sanctioneren welke niet van eerbied zijn voor Mijn
zuiverende aktiviteiten of gewenste verschijnen als de
incarnaties van spel en vermaak [de
lîlâ-avatâra's] van het handhaven,
scheppen en vernietigen van de wereld, o Uddhava.
(Vedabase)
Tekst
21
Als men nu dit
op een rijtje zet en aldus de waanvoorstelling van een los van
de ziel bestaande [**]
materiële verscheidenheid opgeeft, behoort men met het
fixeren van zijn gezuiverde geest op Mij, de Allesdoordringende
[zie ook B.G. 7:
19], een
punt te zetten achter zijn materialistische bestaan [B.G.
18:
55].
Aldus
met dat verlangen te weten de vergissing loslatend van het
zelf dat afzonderlijk zou bestaan [**] behoort men,
de geest in Mij de Al-doordringende fixerend [zie ook
B.G. 7: 19], een punt te zetten achter zijn
materialistische bestaan [B.G. 18: 55].
(Vedabase)
Tekst
22
En als je er
dan niet toe in staat bent je geest te bestendigen op het
spirituele vlak, draag dan zonder [van de regulerende
beginselen] af te wijken al je handelingen aan Mij op
terwijl je er niets voor terugverwacht [B.G.
12:
11,
10:
10,
18:
54].
Als
je er niet toe in staat bent de geest vast te leggen op het
spirituele vlak, probeer dan, zonder in Mij te wankelen, om
activiteiten te ontplooien zonder verwachtingen te koesteren
[B.G. 12: 11, 10: 10, 18: 54].
(Vedabase)
Tekst
23-24
Een gelovig
persoon die luistert naar de verhalen over Mijn geboorte en
handelingen, welke met iemands zuiveren, zingen, voortdurend
heugen en ook dramatisch uitbeelden in ieder opzicht de wereld
goed doen, zal, als hij onder Mijn bescherming terwille van Mij
zijn religiositeit, zijn lusten en zijn geldzaken op orde
brengt [de purushârta's],
een onversaagde toewijding ontwikkelen voor Mij, de Eeuwige, o
Uddhava.
Een
gelovige persoon die de vertellingen aanhoort over Mijn
geboorte en handelingen, welke zuiverend, zingend en
voortdurend herinnerd alleszins gunstig zijn voor de wereld,
zal, beschut in Mij te Mijnent wille het dharma, de
kâma en de artha ten uitvoer brengend [de
purushârta's], een onversaagde toewijding in
relatie tot Mijn permanentie verkrijgen, o Uddhava.
(Vedabase)
Tekst
25
Met de
toewijding voor Mij zoals men die ontwikkelde in de
sat-sanga
[de omgang met de toegewijden], wordt men Mijn
aanbidder. Zoals men dat kan zien bij Mijn toegewijden bereiken
die mensen ongetwijfeld met gemak Mijn verblijf.'
Door
de toewijding tot Mij zoals verworven door de sat-sanga
[de associatie met de toegewijden], wordt hij Mijn
aanbidder; die persoon bereikt ongetwijfeld met gemak Mijn
verblijf zoals Mijn toegewijden dat laten zien.'
(Vedabase)
Tekst
26-27
S'rî
Uddhava zei: 'Wat voor iemand zou naar Jouw mening, o
Uttamas'loka,
nu de ware toegewijde zijn, en welke vorm van Jou aanbidden kan
de goedkeuring wegdragen van Jouw zuivere toegewijden?
AlsJeblieft laat Je hierover uit voor mij, Jouw overgegeven
toegewijde die van Je houdt als zijn enige toevlucht, o Meester
van het Universum, Jij die Waakt over de Wereld, o Gebieder van
de Persoon.
S'rî
Uddhava zei: 'Welk type persoon zou naar Jouw menig, o
Uttamas'loka, een geheiligde persoon zijn, en welk soort van
aanbidding voor Jou behoort, zoals goedgekeurd door Jouw
zuivere toegewijden, te worden volbracht; alsJeblieft spreek
Je hierover voor mij uit, Jouw overgegeven toegewijde die
van Je houdt als zijn enige toevlucht, o Meester van het
Universum, Jij die Waakt over de Wereld, o Gebieder van de
Persoon. (Vedabase)
Tekst
28
Jij, de
Allerhoogste God en Geest gelijk de ether, de Oorspronkelijke
Persoon transcendentaal aan de materiële natuur, bent
geïncarneerd zijnde, met het aangenomen hebben van
verschillende lichamen, de Opperheer overeenkomstig het
verlangen van hen die bij Je horen.'
Jij,
de Allerhoogste God en Geest gelijk de ether, de
Oorspronkelijke Persoon transcendentaal aan de
materiële natuur, bent geïncarneerd zijnde, met
het aangenomen hebben van verschillende lichamen, de
Opperheer naar het verlangen van hen die bij Je
horen.
(Vedabase)
Tekst
29-32
De Allerhoogste
Heer zei: 'Als iemand genadig is, geen leed berokkent, tolerant
is jegens alle belichaamden, stevig verankerd is in de waarheid
en een ziel is die niets te verwijten valt; als iemand
gelijkgezind is, altijd te goeder trouw handelt, van een
intelligentie is die niet verstoord wordt door materiële
verlangens, ingetogen, zachtgeaard, zuiver van hart, niet
bezitterig, niet werelds is, weinig eet en vreedzaam is; als
iemand stabiel is, Mij als zijn toevlucht heeft, bedachtzaam
is, waakzaam, innerlijk bezonken is, zijn respect niet
verliest, de shath-guna
[de verschillende vormen van materiële ellende],
overwonnen heeft, bescheiden is, van eerbetoon is en
inspireert; als iemand vriendelijk, medelevend en onderlegd is
en aldus bekend is met de kwaliteiten en tekortkomingen zoals
het door Mij wordt onderricht, is zo iemand, zelfs als die zijn
eigen religieuze voorkeuren opgeeft [zie ook B.G.
18:
66] met
het van aanbidding zijn voor alles van Mij, de beste der
waarheidlievenden [zie ook 5.18:
12, B.G.
12:
13-20].
De
Allerhoogste Heer zei: 'Genadig, geen leed berokkenend,
tolerant jegens alle belichaamden, stevig verankerd in de
waarheid en een ziel die niets te verwijten valt;
gelijkgezind, altijd handelend ten goede, van een
intelligentie niet verstoord door materiële verlangens,
ingetogen, zachtgeaard, zuiver van hart, niet bezitterig,
niet werelds, weinig etend en vreedzaam; stabiel, met Mij
als de toevlucht, bedachtzaam, waakzaam, diepzinnig van
ziel, respect houdend, de shath-guna overwonnen hebbend,
bescheiden, de eer betonend en inspirerend; vriendelijk,
mededogend en onderlegd aldus de kwaliteiten en tekorten
kennend zoals door Mij onderricht, is hij, zelfs zijn eigen
religieuze voorkeuren opgevend [zie ook B.G. 18: 66]
in aanbidding voor alles van Mij, iemand die inderdaad de
beste der waarheidlievenden is [zie ook 5.18: 12, B.G.
12: 13-20 ]. (Vedabase)
Tekst
33
Zij die, of ze
nu weten of niet wie Ik precies ben of hoe Ik precies tewerk
ga, Mij toegewijd zijn zonder zich te laten afleiden door
andere zaken, beschouw ik als de de beste
toegewijden.
Zij
die, voorzeker aldus wetend of niet wetend wie Ik zou zijn
of hoe Ik zou zijn, uitsluitend van toewijding zijn voor
Mij, worden door Mij de beste toegewijden beschouwd.
(Vedabase)
Tekst
34-41
Mij ziend, Mij
aanrakend en Mijn verschijning in deze wereld aanbiddend
brengen Mijn toegewijden in hun persoonlijke dienstverlening
gebeden die Mij verheerlijken en vereren en zingen ze
regelmatig over Mijn kwaliteiten en handelingen. In het
luisteren naar de onderwerpen over Mij mediteren ze steeds met
geloof op Mij, o Uddhava, en offeren ze als dienaren ter
verdediging van de Ziel alles wat ze verwerven. Met het
bespreken van Mijn verschijnen en handelen beleven ze het
grootste genoegen met muziekinstrumenten, liederen en dansen,
met bijeenkomsten naar de orde van de maan [op zondagen of
naar de maanfasen] en met feestelijke plechtigheden die ze
organiseren in Mijn [gods-]huizen. Met alle vieringen
en jaarlijkse feestelijkheden zoals vermeld in de vedische
geschriften en hun tantra's
brengen ze offers, nemen ze geloften in acht, en zijn ze van
initiatie in relatie tot Mij. Met het installeren van Mijn
beeltenis trouwhartig gehecht, ondernemen ze in het, voor
zichzelf zowel als voor anderen, zich inspannen voor
bloementuinen, boomgaarden, recreatiegebieden, steden en
tempels. Recht-door-zee als dienaren zijn ze te Mijnentwille
ten dienste van het huis [de tempel] bezig met het
grondig reinigen en afstoffen, met het met water [en
koeienmest, zie ook 10.6:
20*]
schoonwassen, met het besprenkelen met reukwater en met het
maken van mandala's. Bescheiden zonder trots, zonder te koop te
lopen met de toegewijde dienst, en niet voor zichzelf het licht
reserverend van de lampen aangeboden aan Mij, behoort iemand
Mij datgene te offeren wat hem als persoon het meest lief is of
wat dan ook dat begeerlijk is in de materiële wereld. Door
dat soort van offeren komt iemand in aanmerking voor
onsterfelijkheid.
Ziend,
aanrakend en Mijn verschijning in deze wereld aanbiddend
brengen Mijn toegewijden persoonlijk dienst verlenend
gebeden van verheerlijking en eerbetoon, regelmatig zingend
over Mijn kwaliteiten en handelingen. In het luisteren naar
de onderwerpen over Mij met geloof altijd op Mij mediterend,
o Uddhava, offeren zij als dienaren ter verdediging van de
Ziel alles wat ze verwerven. Met het bespreken van Mijn
geboorte en handelingen beleven ze het grootste genoegen met
muziekinstrumenten en liederen te dansen, naar de maan
[op zondagen of naar de maanfasen] bijeenkomsten en
feestelijke plechtigheden organiserend in Mijn
[gods-]huizen. Met alle vieringen en jaarlijkse
feestelijkheden zoals vermeld in de vedische geschriften en
hun tantra's offers brengend, nemen ze geloften in acht, van
initiatie zijnde in relatie tot Mij. Met het installeren van
Mijn beeltenis trouwhartig gehecht, ondernemen ze in het,
voor zichzelf zowel als voor anderen, zich inspannen voor
bloementuinen, boomgaarden, recreatiegebieden, steden en
tempels. Recht-door-zee als dienaren zijn ze te Mijnent
wille in dienst van het huis [de tempel] bezig met
het grondig reinigen en afstoffen, met het met water [en
koeienmest, zie ook 10.6: 20*] schoonwassen, met het
besprenkelen met reukwater en met het maken van mandala's.
Bescheiden zonder trots, zonder te koop te lopen met hun
toegewijde dienst, en niet voor zichzelf het licht te
reserveren van de lampen aangeboden aan Mij, behoort iemand
aan Mij datgene te offeren wat hem als persoon het meest
lief is of wat dan ook dat begeerlijk is in de
materiële wereld, daar dat offer iemand kwalificeert
voor de onsterfelijkheid. (Vedabase)
Tekst
42
De zon, het
vuur, de brahmanen, de koeien, de Vaishnava's, de ether, de
wind, het water, de aarde, de ziel en alle levende wezens, Mijn
beste, vormen allen een medium voor Mijn eredienst.
De
zon, het vuur, de brahmanen, de koeien, de vaishnava's, de
ether, de wind, het water, de aarde, de ziel en alle levende
wezens, mijn beste, vormen alle een medium voor Mijn
eredienst. (Vedabase)
Tekst
43-45
Via de zon kan
men Mij vinden met een keur aan verzen [als de
Gâyatrî],
met behulp van eerbetoon en met eerbetuigingen [zoals met
de Sûrya-namskar].
In het vuur vindt men Mij als men ghee offert. Men kan Mij
vinden als de beste onder de geschoolden als men Mij respect
betoont door gastvrij voor hen te zijn. Via de koeien, Mijn
beste, bereikt men Mij met offergaven van gras en dergelijke
zaken. In de Vaishnava vindt men Mij door die te eren met
liefdevolle vriendschap. In het hart treft men Mij aan door
zich in meditatie te concentreren op de innerlijke natuur. In
lucht vindt men Mij door die te beschouwen als het levengevend
beginsel [aanwezig als de prâna,
door prânâyâma
zie B.G. 4:
29]. In
water vindt men Mij door te offeren met gebruiksvoorwerpen die
water aanwenden [zie B.G. 9:
26]. In de
aarde vindt men Mij door eetbare zaden te offeren met het
toepassen van mantra's vanuit het hart [zie b.v.
Prasâda
Sevâya
en de Bhoga-ârati].
En binnenin het belichaamde zelf treft men Mij aan als de
kenner van het veld [zie Paramâtmâ
en B.G. 13:
3] door
Mij te aanbidden met een geest in evenwicht [zie
niyama].
In
de zon inderdaad [kan men Mij vinden] door een keur
aan verzen [als de gâyatrî] met
eerbetoon en met eerbetuigingen [zoals met de
sûrya-namskar]; in het vuur met het offeren van
ghee; naar de besten onder de geschoolden toe behoort men
van eerbied voor Mij te zijn door gastvrij te zijn; in de
koeien, Mijn beste, wordt dat gedaan met offergaven van gras
en dergelijke zaken. In de vaishnava vindt men Mij door ze
te eren met liefdevolle vriendschap, in het hart door
gefixeerd te zijn in meditatie in de innerlijke ruimte, in
de lucht door [Mij als aanwezig in de prâna, door
prânâyâma zie B.G. 4: 29] het meest
belangrijke te achten en in het water door de essentie van
het water voorop te stellen [en dergelijke zoals een
blad en een bloem, zie B.G. 9: 26]. In de aarde
[vindt men Mij] door het offeren van aangename
dingen [als voedsel], met het toepassen van heilige
mantra's vanuit het hart [zie b.v. prasâda
sevâya en de bhoga ârati] en binnenin het
belichaamde zelf als de kenner van het veld [zie
paramâtma en B.G. 13: 3] door Mij te aanbidden met
evenwichtigheid [zie niyama].
(Vedabase)
Tekst
46
Aldus devoot
geheel in Mij verzonken op al deze manieren mediterend moet men
van eerbied zijn voor Mijn bovenzinnelijke gedaante die is
uitgerust met de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de
lotusbloem [zie plaatje].
Aldus
devoot op deze manieren mediterend moet men volledig
verzonken in Mij van eerbied getuigen voor Mijn
bovenzinnelijke gedaante uitgerust met de schelphoorn, de
werpschijf, de knots en de lotusbloem [zie
plaatje].
(Vedabase)
Tekst
47
Met de
verlangde en goede werken aldus geheel met de aandacht op Mij
gevestigd van eerbetoon zijnd, realiseert men dankzij de
fijnzinnigheid van de dienstverlening een duurzame vorm van
bhakti zodat men Mij in herinnering kan houden [zie ook
B.G. 5:
29].
Met
de verlangde en goede werken aldus geheel in Mij gevestigd
van eerbetoon zijnde verkrijgt men bij de genade van de
fijnzinnigheid van de dienstverlening duurzame bhakti en de
herinnering aan Mij [zie ook B.G.
5.29].'
(Vedabase)
Tekst
48
O Uddhava, over
het algemeen bestaan er, buiten de bhakti-yoga zoals men die
realiseert door om te gaan met toegewijden, geen andere
methoden die echt werken, omdat Ik voor hen die van de deugd
zijn de ware weg ben [zie ook 4.31:
12].
O
Uddhava, over het geheel genomen zijn er, zonder de
bhakti-yoga gerealiseerd door de omgang met de toegewijden,
niet echt methoden te vinden die echt werken, omdat Ik de
ware weg ben voor hen die van de deugd zijn [zie ook
4.31: 12]. (Vedabase)
Tekst
49
Om die reden, o
kind van de Yadu's, zal Ik tot jou, die er oren naar hebt,
spreken over zelfs het hoogst vertrouwelijke opperste geheim
[van de intieme omgang met Mij], aangezien je Mijn
dienaar bent, Mijn weldoener en vriend [vergelijk B.G.
18:
63 &
68].'
Daarom,
o kind van de Yadu's, zal Ik tot je spreken, omdat je er
oren naar hebt, over zelfs dit [nu volgende] meest
vertrouwelijke hoogste geheim [van de vertrouwelijke
omgang], aangezien je Mijn dienaar bent, Mijn weldoener
en vriend [vergelijk B. G. 18: 63 &
68].
(Vedabase)
*: De
paramparâ voegt toe: 'De Allerhoogste
Persoonlijkheid van God verschilt niet van Zijn vermogens,
niettemin is Hij altijd boven hen verheven als de hoogste
beheerser.... Bevrijding houdt in dat het levende wezen
zichzelf moet overbrengen in het spirituele vermogen van de
Heer, welk kan worden verdeeld in drie categorieën -
hlâdinî, het vermogen van de verrukking;
sandhinî, het vermogen van het eeuwigdurend
bestaan; en samvit, het vermogen der alwetendheid.' Dit
is een andere formulering van de goddelijkheid in de termen
van sat-cit-ânanda; Krishna als zijnde eeuwigheid,
bewustzijn en gelukzaligheid.
**:
Citerend uit de Viveka, stelt S'rîla
Madhvâcârya dat nânâtva-bhramam,
de fout die men maakt met de materiële verscheidenheid,
wijst op de volgende illusies: denkend dat het levende wezen
het Allerhoogste is; denkend dat alle levende wezens
uiteindelijk één wezen zijn zonder een
afzonderlijke identiteit; denken dat er vele Goden zijn
[onafhankelijk van elkaar, zie 5.18:
12];
denken dat Krishna God niet is [d.w.z. niet zowel
persoonlijk als onpersoonlijk het volkomen geheel is,
vâsudeva sarvam iti, B.G. 7:
19];
en denken dat het materiële universum [het
onpersoonlijke] de uiteindelijke werkelijkheid is [zie
ook 1.2:
11].
Al deze illusies worden tezamen bestreden in het twee uur per
dag zingen van de Mahâmantra
of het zo lang aandacht besteden aan de
andere bhajans.