regelbalk

 

Nârada Muni

 

 

 

Canto 11

 

Hoofdstuk 11

 

Gebondenheid en Bevrijding Verklaard en de Geheiligde Persoon Zijn Toegewijde Dienst

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'De verklaring van het als gevolg van Mijn geaardheden gebonden en bevrijd zijn is dat ze in werkelijkheid in het geheel niet van de geaardheden zijn; mijn illusieverwekkende energie is niet de oorzaak van de gebondenheid of de bevrijding van [het zich verhouden tot] Mij. (2) Weeklagen en illusie, geluk en leed en het aanvaarden van een materieel lichaam onder de invloed van mâyâ vormt het geconditioneerde bestaan dat als een hersenspinsel, net als een droom, inderdaad niet het werkelijke bestaan is. (3) Alsjeblieft Uddhava, begrijp dat kennis en onwetendheid, twee van Mijn gemanifesteerde energieën voortgebracht door Mijn oorspronkelijk vermogen, de aanleiding vormen voor de gebondenheid en de bevrijding [*]. (4) Van het levende wezen, dat voorzeker deel uitmaakt en een geheel vormt van Mijn Eenheid o grote intelligentie, is sedert mensenheugenis de gebondenheid er van de onwetendheid en is zo ook het tegendeel er van de kennis. (5) Laat me nu uitweiden, mijn beste, over de verschillende kenmerken van de tegengestelde aard van het geconditioneerd zijn en het bevrijd zijn, zich aldus bevindend in één vertoning van karakter. (6) Het viel zo voor dat deze twee vrienden, deze gelijksoortige vogels, een nest bouwden in een boom waarbij een ervan de vruchten van de boom eet terwijl de andere niet uit is op voedsel, alhoewel hij de meerdere is qua kracht [zie ook 6.4: 24]. (7) Hij niet etend van de vruchten van de boom, kent alwetend als hij is zichzelf [Zichzelf] zowel als de andere die zonder een idee te hebben inderdaad altijd maar gebonden is; hij die vol van kennis is, is inderdaad steeds degene die bevrijd is [zie ook B.G.: 4: 5]. (8) Een verlichte persoon ziet, alsof hij opstond uit een droom, zichzelf, hoewel aanwezig in het lichaam, niet als het lichaam; een dwaas iemand ziet hoewel zich bevindend in het lichaam, net als in een droom, zichzelf niet als zodanig [hij heeft zich vereenzelvigd, zie B.G. 16: 18]. (9) Zelfs al is hij door de zinnen voortgebracht uit de geaardheden van de zinnen gericht op de voorwerpen voortgebracht door de geaardheden, dan nog is de verlichte ziel, die, ze aanvaardend, inderdaad niet bezeten is van verlangen, niet valselijk ermee vereenzelvigd dat hij het zou moeten maken [zie B.G. 3: 28]. (10) Door de lotsbeschikking onder de invloed van het karma zich bevindend in dit lichaam voortgebracht uit de geaardheden, is een dwaas iemand daarop aldus gebonden aan het 'Ik ben degene die handelt' [zie ook B. G. 3: 27]. (11) Alzo is een intelligent persoon, waar dan ook met zijn zinnen aan de gang, onverschillig als hij is in het rusten, zitten, lopen, baden, zien, aanraken ruiken, eten, luisteren en zo voorts, op die manier niet gebonden. (12-13) Ookal bevindt hij zich in de materiële wereld snijdt hij, volledig afzijdig van de heersende machten ervan, alle twijfels aan stukken middels de meest deskundige visie zoals aangescherpt door de onthechting, net zoals de ether, de zon en de wind afzijdig zijn; als was hij ontwaakt uit een droom heeft hij zich afgekeerd van de afzonderlijkheid der dingen. (14) De persoon vrij van verlangen van wie de functies van de levensadem, de zinnen, de geest, en de intelligentie volledig vrijgemaakt zijn is, hoewel zich in het lichaam bevindend, zeker van Zijn kwaliteiten. (15) Hij die in het lichaam wordt aangevallen door hen die gewelddadig zijn of een andere keer weer om een of andere reden wordt aanbeden, is, intelligent zijnde, daar niet door aangedaan [zie B.G. 14: 22-25]. (16) Zij die heel goed of heel slecht hun werk doen of zo spreken worden door een geheiligde persoon geprezen noch bekritiseerd; bevrijdt van goede en slechte kwaliteiten beziet hij de dingen gelijkgezind [zie ook B.G. 5: 18]. (17) Hij die van binnen tevreden is behoort niet te handelen, te spreken of zich te bezinnen in termen van goed en kwaad; met deze manier van leven moet een muni zich rondbewegen als was hij een materialistisch iemand traag van begrip [zie ook 5.9]. (18) Van iemand die, volledig thuis in de vedische literatuur, niet in die mate slim is met het Allerhoogste [de Heer], is de vrucht van zijn grote inspanning voorzeker gelijk die van iemand die zorg draagt voor een koe die geen melk geeft. (19) O Uddhava, hij die zorgt voor een koe die haar melk gegeven heeft, een onkuise vrouw, een lichaam dat altijd maar afhankelijk is van anderen, kinderen onwaardig, ontvangers onwaardig als men schenkingen doet en zich wil uitlaten verstoken van de kennis van Mij [zie ook 10.14: 4 en 5.6: 11], heeft de ene ellende na de andere te verduren. (20) Een wijs iemand, mijn beste, moet niet die uitdrukkingen sanctioneren welke niet van eerbied zijn voor Mijn zuiverende aktiviteiten of gewenste verschijnen als de incarnaties van spel en vermaak [de lîlâ-avatâra's] van het handhaven, scheppen en vernietigen van de wereld, o Uddhava. (21) Aldus met dat verlangen te weten de vergissing loslatend van het zelf dat afzonderlijk zou bestaan [**] behoort men, de geest in Mij de Al-doordringende fixerend [zie ook B.G. 7: 19], een punt te zetten achter zijn materialistische bestaan [B.G. 18: 55]. (22) Als je er niet toe in staat bent de geest vast te leggen op het spirituele vlak, probeer dan, zonder in Mij te wankelen, om activiteiten te ontplooien zonder verwachtingen te koesteren [B.G. 12: 11, 10: 10, 18: 54]. (23-24) Een gelovige persoon die de vertellingen aanhoort over Mijn geboorte en handelingen, welke zuiverend, zingend en voortdurend herinnerd alleszins gunstig zijn voor de wereld, zal, beschut in Mij te Mijnent wille het dharma, de kâma en de artha ten uitvoer brengend [de purushârta's], een onversaagde toewijding in relatie tot Mijn permanentie verkrijgen, o Uddhava. (25) Door de toewijding tot Mij zoals verworven door de sat-sanga [de associatie met de toegewijden], wordt hij Mijn aanbidder; die persoon bereikt ongetwijfeld met gemak Mijn verblijf zoals Mijn toegewijden dat laten zien.'

(26-27) S'rî Uddhava zei: 'Welk type persoon zou naar Jouw menig, o Uttamas'loka, een geheiligde persoon zijn, en welk soort van aanbidding voor Jou behoort, zoals goedgekeurd door Jouw zuivere toegewijden, te worden volbracht; alsJeblieft spreek Je hierover voor mij uit, Jouw overgegeven toegewijde die van Je houdt als zijn enige toevlucht, o Meester van het Universum, Jij die Waakt over de Wereld, o Gebieder van de Persoon. (28) Jij, de Allerhoogste God en Geest gelijk de ether, de Oorspronkelijke Persoon transcendentaal aan de materiële natuur, bent geïncarneerd zijnde, met het aangenomen hebben van verschillende lichamen, de Opperheer naar het verlangen van hen die bij Je horen.

(29-32) De Allerhoogste Heer zei: 'Genadig, geen leed berokkenend, tolerant jegens alle belichaamden, stevig verankerd in de waarheid en een ziel die niets te verwijten valt; gelijkgezind, altijd handelend ten goede, van een intelligentie niet verstoord door materiële verlangens, ingetogen, zachtgeaard, zuiver van hart, niet bezitterig, niet werelds, weinig etend en vreedzaam; stabiel, met Mij als de toevlucht, bedachtzaam, waakzaam, diepzinnig van ziel, respect houdend, de shath-guna overwonnen hebbend, bescheiden, de eer betonend en inspirerend; vriendelijk, mededogend en onderlegd aldus de kwaliteiten en tekorten kennend zoals door Mij onderricht, is hij, zelfs zijn eigen religieuze voorkeuren opgevend [zie ook B.G. 18: 66] in aanbidding voor alles van Mij, iemand die inderdaad de beste der waarheidlievenden is [zie ook 5.18: 12, B.G. 12: 13-20 ]. (33) Zij die, voorzeker aldus wetend of niet wetend wie Ik zou zijn of hoe Ik zou zijn, uitsluitend van toewijding zijn voor Mij, worden door Mij de beste toegewijden beschouwd. (34-41) Ziend, aanrakend en Mijn verschijning in deze wereld aanbiddend brengen Mijn toegewijden persoonlijk dienst verlenend gebeden van verheerlijking en eerbetoon, regelmatig zingend over Mijn kwaliteiten en handelingen. In het luisteren naar de onderwerpen over Mij met geloof altijd op Mij mediterend, o Uddhava, offeren zij als dienaren ter verdediging van de Ziel alles wat ze verwerven. Met het bespreken van Mijn geboorte en handelingen beleven ze het grootste genoegen met muziekinstrumenten en liederen te dansen, naar de maan [op zondagen of naar de maanfasen] bijeenkomsten en feestelijke plechtigheden organiserend in Mijn [gods-]huizen. Met alle vieringen en jaarlijkse feestelijkheden zoals vermeld in de vedische geschriften en hun tantra's offers brengend, nemen ze geloften in acht, van initiatie zijnde in relatie tot Mij. Met het installeren van Mijn beeltenis trouwhartig gehecht, ondernemen ze in het, voor zichzelf zowel als voor anderen, zich inspannen voor bloementuinen, boomgaarden, recreatiegebieden, steden en tempels. Recht-door-zee als dienaren zijn ze te Mijnent wille in dienst van het huis [de tempel] bezig met het grondig reinigen en afstoffen, met het met water [en koeienmest, zie ook 10.6: 20*] schoonwassen, met het besprenkelen met reukwater en met het maken van mandala's. Bescheiden zonder trots, zonder te koop te lopen met hun toegewijde dienst, en niet voor zichzelf het licht te reserveren van de lampen aangeboden aan Mij, behoort iemand aan Mij datgene te offeren wat hem als persoon het meest lief is of wat dan ook dat begeerlijk is in de materiële wereld, daar dat offer iemand kwalificeert voor de onsterfelijkheid.

(42) De zon, het vuur, de brahmanen, de koeien, de vaishnava's, de ether, de wind, het water, de aarde, de ziel en alle levende wezens, mijn beste, vormen alle een medium voor Mijn eredienst. (43-45) In de zon inderdaad [kan men Mij vinden] door een keur aan verzen [als de gâyatrî] met eerbetoon en met eerbetuigingen [zoals met de sûrya-namskar]; in het vuur met het offeren van ghee; naar de besten onder de geschoolden toe behoort men van eerbied voor Mij te zijn door gastvrij te zijn; in de koeien, Mijn beste, wordt dat gedaan met offergaven van gras en dergelijke zaken. In de vaishnava vindt men Mij door ze te eren met liefdevolle vriendschap, in het hart door gefixeerd te zijn in meditatie in de innerlijke ruimte, in de lucht door [Mij als aanwezig in de prâna, door prânâyâma zie B.G. 4: 29] het meest belangrijke te achten en in het water door de essentie van het water voorop te stellen [en dergelijke zoals een blad en een bloem, zie B.G. 9: 26]. In de aarde [vindt men Mij] door het offeren van aangename dingen [als voedsel], met het toepassen van heilige mantra's vanuit het hart [zie b.v. prasâda sevâya en de bhoga ârati] en binnenin het belichaamde zelf als de kenner van het veld [zie paramâtmâ en B.G. 13: 3] door Mij te aanbidden met evenwichtigheid [zie niyama]. (46) Aldus devoot op deze manieren mediterend moet men volledig verzonken in Mij van eerbied getuigen voor Mijn bovenzinnelijke gedaante uitgerust met de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotusbloem [zie plaatje]. (47) Met de verlangde en goede werken aldus geheel in Mij gevestigd van eerbetoon zijnde verkrijgt men bij de genade van de fijnzinnigheid van de dienstverlening duurzame bhakti en de herinnering aan Mij [zie ook B.G. 5.29].'

(48) O Uddhava, over het geheel genomen zijn er, zonder de bhakti-yoga gerealiseerd door de omgang met de toegewijden, niet echt methoden te vinden die echt werken, omdat Ik de ware weg ben voor hen die van de deugd zijn [zie ook 4.31: 12]. (49) Daarom, o kind van de Yadu's, zal Ik tot je spreken, omdat je er oren naar hebt, over zelfs dit [nu volgende] meest vertrouwelijke hoogste geheim [van de vertrouwelijke omgang], aangezien je Mijn dienaar bent, Mijn weldoener en vriend [vergelijk B. G. 18: 63 & 68].

 

 next        

 
 

 

 

Source Teksts:

The Symptoms of Conditioned and Liberated Living Entities

 

Tekst 1:

De Allerhoogste Heer zei: 'De verklaring van het als gevolg van Mijn geaardheden gebonden en bevrijd zijn is dat ze in werkelijkheid in het geheel niet van de geaardheden zijn; mijn illusieverwekkende energie is niet de oorzaak van de gebondenheid of de bevrijding van [het zich verhouden tot] Mij.

The Supreme Personality of Godhead said: My dear Uddhava, due to the influence of the material modes of nature, which are under My control, the living entity is sometimes designated as conditioned and sometimes as liberated. In fact, however, the soul is never really bound up or liberated, and since I am the supreme Lord of mâyâ, which is the cause of the modes of nature, I also am never to be considered liberated or in bondage.

 

Tekst 2:

Weeklagen en illusie, geluk en leed en het aanvaarden van een materieel lichaam onder de invloed van mâyâ vormt het geconditioneerde bestaan dat als een hersenspinsel, net als een droom, inderdaad niet het werkelijke bestaan is.

Just as a dream is merely a creation of one's intelligence but has no actual substance, similarly, material lamentation, illusion, happiness, distress and the acceptance of the material body under the influence of mayâ are all creations of My illusory energy. In other words, material existence has no essential reality.

 

Tekst 3:

Alsjeblieft Uddhava, begrijp dat kennis en onwetendheid, twee van Mijn gemanifesteerde energieën voortgebracht door Mijn oorspronkelijk vermogen, de aanleiding vormen voor de gebondenheid en de bevrijding [*].

O Uddhava, both knowledge and ignorance, being products of mâyâ, are expansions of My potency. Both knowledge and ignorance are beginningless and perpetually award libertation and bondage to embodied living beings.

 

Tekst 4:

Van het levende wezen, dat voorzeker deel uitmaakt en een geheel vormt van Mijn Eenheid o grote intelligentie, is sedert mensenheugenis de gebondenheid er van de onwetendheid en is zo ook het tegendeel er van de kennis.

O most intelligent Uddhava, the living entity, called jîva, is part and parcel of Me, but due to ignorance he has been suffering in material bondage since time immemorial. By knowledge, however, he can be liberated.

 

Tekst 5:

Laat me nu uitweiden, mijn beste, over de verschillende kenmerken van de tegengestelde aard van het geconditioneerd zijn en het bevrijd zijn, zich aldus bevindend in één vertoning van karakter.

Thus, My dear Uddhava, in the same material body we find opposing characteristics, such as great happiness and misery. That is because both the Supreme Personality of Godhead, who is eternally liberated, as well as the conditioned soul are within the body. I shall now speak to you about their different characteristics.

 

Tekst 6:

Het viel zo voor dat deze twee vrienden, deze gelijksoortige vogels, een nest bouwden in een boom waarbij een ervan de vruchten van de boom eet terwijl de andere niet uit is op voedsel, alhoewel hij de meerdere is qua kracht [zie ook 6.4: 24].

By chance, two birds have made a nest together in the same tree. The two birds are friends and are of a similar nature. One of them, however, is eating the fruits of the tree, whereas the other, who does not eat the fruits, is in a superior position due to His potency.

 

 Tekst 7

Hij niet etend van de vruchten van de boom, kent alwetend als hij is zichzelf [Zichzelf] zowel als de andere die zonder een idee te hebben inderdaad altijd maar gebonden is; hij die vol van kennis is, is inderdaad steeds degene die bevrijd is [zie ook B.G.: 4: 5].

The bird who does not eat the fruits of the tree is the Supreme Personality of Godhead, who by His omniscience perfectly understands His own position and that of the conditioned living entity, represented by the eating bird. That living entity, on the other hand, does not understand himself or the Lord. He is covered by ignorance and is thus called eternally conditioned, whereas the Personality of Godhead, being full of perfect knowledge, is eternally liberated.

 

Tekst 8

Een verlichte persoon ziet, alsof hij opstond uit een droom, zichzelf, hoewel aanwezig in het lichaam, niet als het lichaam; een dwaas iemand ziet hoewel zich bevindend in het lichaam, net als in een droom, zichzelf niet als zodanig [hij heeft zich vereenzelvigd, zie B.G. 16: 18].

One who is enlightened in self-realization, although living within the material body, sees himself as transcendental to the body, just as one who has arisen from a dream gives up identification with the dream body. A foolish person, however, although not identical with his material body but transcendental to it, thinks himself to be situated in the body, just as one who is dreaming sees himself as situated in an imaginary body. 

 

Tekst 9

Zelfs al is hij door de zinnen voortgebracht uit de geaardheden van de zinnen gericht op de voorwerpen voortgebracht door de geaardheden, dan nog is de verlichte ziel, die, ze aanvaardend, inderdaad niet bezeten is van verlangen, niet valselijk ermee vereenzelvigd dat hij het zou moeten maken [zie B.G. 3: 28].

An enlightened person who is free from the contamination of material desire does not consider himself to be the performer of bodily activities; rather, he knows that in all such activities it is only the senses, born of the modes of nature, that are contacting sense objects born of the same modes of nature.

 

Tekst 10

Door de lotsbeschikking onder de invloed van het karma zich bevindend in dit lichaam voortgebracht uit de geaardheden, is een dwaas iemand daarop aldus gebonden aan het 'Ik ben degene die handelt' [zie ook B. G. 3: 27].

An unintelligent person situated within the body created by his previous fruitive activities thinks, "I am the performer of action." Bewildered by false ego, such a foolish person is therefore bound up by fruitive activities, which are in fact carried out by the modes of nature.

 

 Tekst 11

Alzo is een intelligent persoon, waar dan ook met zijn zinnen aan de gang, onverschillig als hij is in het rusten, zitten, lopen, baden, zien, aanraken ruiken, eten, luisteren en zo voorts, op die manier niet gebonden.

An enlightened person fixed in detachment engages his body in lying down, sitting, walking, bathing, seeing, touching, smelling, eating, hearing and so on, but is never entangled by such activities. Indeed, remaining as a witness to all bodily functions, he merely engages his bodily senses with their objects and does not become entangled like an unintelligent person.

  

 Tekst 12-13

Ookal bevindt hij zich in de materiële wereld snijdt hij, volledig afzijdig van de heersende machten ervan, alle twijfels aan stukken middels de meest deskundige visie zoals aangescherpt door de onthechting, net zoals de ether, de zon en de wind afzijdig zijn; als was hij ontwaakt uit een droom heeft hij zich afgekeerd van de afzonderlijkheid der dingen.

Although the sky, or space, is the resting place of everything, the sky does not mix with anything, nor is it entangled. Similarly, the sun is not at all attached to the water in which it is reflected within innumerable reservoirs, and the mighty wind blowing everywhere is not affected by the innumerable aromas and atmospheres through which it passes. In the same way, a self-realized soul is completely detached from the material body and the material world around it. He is like a person who has awakened and arisen from a dream. With expert vision sharpened by detachment, the self-realized soul cuts all doubts to pieces through knowledge of the self and completely withdraws his consciousness from the expansion of material variety.

   

 Tekst 14

De persoon vrij van verlangen van wie de functies van de levensadem, de zinnen, de geest, en de intelligentie volledig vrijgemaakt zijn is, hoewel zich in het lichaam bevindend, zeker van Zijn kwaliteiten.

A person is considered to be completely liberated from the gross and subtle material bodies when all the functions of his vital energy, senses, mind and intelligence are performed without material desire. Such a person, although situated within the body, is not entangled.

 

Tekst 15

Hij die in het lichaam wordt aangevallen door hen die gewelddadig zijn of een andere keer weer om een of andere reden wordt aanbeden, is, intelligent zijnde, daar niet door aangedaan [zie B.G. 14: 22-25].

Sometimes for no apparent reason one's body is attacked by cruel people or violent animals. At other times and in other places, one will suddenly be offered great respect or worship. One who becomes neither angry when attacked nor satisfied when worshiped is actually intelligent.

 

Tekst 16

Zij die heel goed of heel slecht hun werk doen of zo spreken worden door een geheiligde persoon geprezen noch bekritiseerd; bevrijdt van goede en slechte kwaliteiten beziet hij de dingen gelijkgezind [zie ook B.G. 5: 18].

A saintly sage sees with equal vision and therefore is not affected by that which is materially good or bad. Indeed, although he observes others performing good and bad work and speaking properly and improperly, the sage does not praise or criticize anyone.

  

Tekst 17

Hij die van binnen tevreden is behoort niet te handelen, te spreken of zich te bezinnen in termen van goed en kwaad; met deze manier van leven moet een muni zich rondbewegen als was hij een materialistisch iemand traag van begrip [zie ook 5.9].

For the purpose of maintaining his body, a liberated sage should not act, speak or contemplate in terms of material good or bad. Rather, he should be detached in all material circumstances, and taking pleasure in self-realization, he should wander about engaged in this liberated life-style, appearing like a retarded person to outsiders.

 

Tekst 18

Van iemand die, volledig thuis in de vedische literatuur, niet in die mate slim is met het Allerhoogste [de Heer], is de vrucht van zijn grote inspanning voorzeker gelijk die van iemand die zorg draagt voor een koe die geen melk geeft.

If through meticulous study one becomes expert in reading Vedic literature but makes no endeavor to fix one's mind on the Supreme Personality of Godhead, then one's endeavor is certainly like that of a man who works very hard to take care of a cow that gives no milk. In other words, the fruit of one's laborious study of Vedic knowledge will simply be the labor itself. There will be no other tangible result.

 

Tekst 19

O Uddhava, hij die zorgt voor een koe die haar melk gegeven heeft, een onkuise vrouw, een lichaam dat altijd maar afhankelijk is van anderen, kinderen onwaardig, ontvangers onwaardig als men schenkingen doet en zich wil uitlaten verstoken van de kennis van Mij [zie ook 10.14: 4 en 5.6: 11], heeft de ene ellende na de andere te verduren.

My dear Uddhava, that man is certainly most miserable who takes care of a cow that gives no milk, an unchaste wife, a body totally dependent on others, useless children or wealth not utilized for the right purpose. Similarly, one who studies Vedic knowledge devoid of My glories is also most miserable.

 

Tekst 20

Een wijs iemand, mijn beste, moet niet die uitdrukkingen sanctioneren welke niet van eerbied getuigen voor Mijn zuiverende aktiviteiten of gewenste verschijnen als de incarnaties van spel en vermaak [de lîlâ-avatâra's] van het handhaven, scheppen en vernietigen van de wereld, o Uddhava.

My dear Uddhava, an intelligent person should never take to literatures that do not contain descriptions of My activities, which purify the whole universe. Indeed, I create, maintain and annihilate the entire material manifestation. Among all My pastime incarnations, the most beloved are Krishna and Balarâma. Any so-called knowledge that does not recognize these activities of Mine is simply barren and is not acceptable to those who are actually intelligent.

 

Tekst 21

Aldus met dat verlangen te weten de vergissing loslatend van het zelf dat afzonderlijk zou bestaan [**] behoort men, de geest in Mij de Al-doordringende fixerend [zie ook B.G. 7: 19], een punt te zetten achter zijn materialistische bestaan [B.G. 18: 55].

Coming to this conclusion of all knowledge, one should give up the false conception of material variety that one imposes upon the soul and thus cease one's material existence. The mind should be fixed on Me, since I am all-pervading.

 

 Tekst 22

Als je er niet toe in staat bent de geest vast te leggen op het spirituele vlak, probeer dan, zonder in Mij te wankelen, om activiteiten te ontplooien zonder verwachtingen te koesteren [B.G. 12: 11, 10: 10, 18: 54].

My dear Uddhava, if you are not able to free your mind from all material disturbance and thus absorb it completely on the spiritual platform, then perform all your activities as an offering to Me, without trying to enjoy the fruits.

 

 Tekst 23-24

Een gelovige persoon die de vertellingen aanhoort over Mijn geboorte en handelingen, welke zuiverend, zingend en voortdurend herinnerd alleszins gunstig zijn voor de wereld, zal, beschut in Mij te Mijnent wille het dharma, de kâma en de artha ten uitvoer brengend [de purushârta's], een onversaagde toewijding in relatie tot Mijn permanentie verkrijgen, o Uddhava.

My dear Uddhava, narrations of My pastimes and qualities are all-auspicious and purify the entire universe. A faithful person who constantly hears, glorifies and remembers such transcendental activities, who through dramatic performances relives My pastimes, beginning with My appearance, and who takes full shelter of Me, dedicating his religious, sensual and occupational activities for My satisfaction, certainly obtains unflinching devotional service to Me, the eternal Personality of Godhead.

 

 Tekst 25

Door de toewijding tot Mij zoals verworven door de sat-sanga [de associatie met de toegewijden], wordt hij Mijn aanbidder; die persoon bereikt ongetwijfeld met gemak Mijn verblijf zoals Mijn toegewijden dat laten zien.'

One who has obtained pure devotional service by association with My devotees always engages in worshiping Me. Thus he very easily goes to My abode, which is revealed by My pure devotees.

 

 Tekst 26-27

S'rî Uddhava zei: 'Welk type persoon zou naar Jouw menig, o Uttamas'loka, een geheiligde persoon zijn, en welk soort van aanbidding voor Jou behoort, zoals goedgekeurd door Jouw zuivere toegewijden, te worden volbracht; alsJeblieft spreek Je hierover voor mij uit, Jouw overgegeven toegewijde die van Je houdt als zijn enige toevlucht, o Meester van het Universum, Jij die Waakt over de Wereld, o Gebieder van de Persoon.

S'rî Uddhava said: My dear Lord, O Supreme Personality of Godhead, what type of person do You consider to be a true devotee, and what type of devotional service is approved by great devotees as worthy of being offered to Your Lordship? My dear ruler of the universal controllers, O Lord of Vaikunthha and almighty God of the universe, I am Your devotee, and because I love You I have no other shelter than You. Therefore please explain this to me.

 

 Tekst 28

Jij, de Allerhoogste God en Geest gelijk de ether, de Oorspronkelijke Persoon transcendentaal aan de materiële natuur, bent geïncarneerd zijnde, met het aangenomen hebben van verschillende lichamen, de Opperheer naar het verlangen van hen die bij Je horen.

My dear Lord, as the Absolute Truth You are transcendental to material nature, and like the sky You are never entangled in any way. Still, being controlled by Your devotees' love, You accept many different forms, incarnating according to Your devotees' desires.

 

 Tekst 29-32

De Allerhoogste Heer zei: 'Genadig, geen leed berokkenend, tolerant jegens alle belichaamden, stevig verankerd in de waarheid en een ziel die niets te verwijten valt; gelijkgezind, altijd handelend ten goede, van een intelligentie niet verstoord door materiële verlangens, ingetogen, zachtgeaard, zuiver van hart, niet bezitterig, niet werelds, weinig etend en vreedzaam; stabiel, met Mij als de toevlucht, bedachtzaam, waakzaam, diepzinnig van ziel, respect houdend, de shath-guna overwonnen hebbend, bescheiden, de eer betonend en inspirerend; vriendelijk, mededogend en onderlegd aldus de kwaliteiten en tekorten kennend zoals door Mij onderricht, is hij, zelfs zijn eigen religieuze voorkeuren opgevend [zie ook B.G. 18: 66] in aanbidding voor alles van Mij, iemand die inderdaad de beste der waarheidlievenden is [zie ook 5.18: 12, B.G. 12: 13-20 ].

The Supreme Personality of Godhead said: O Uddhava, a saintly person is merciful and never injures others. Even if others are aggressive he is tolerant and forgiving toward all living entities. His strength and meaning in life come from the truth itself, he is free from all envy and jealousy, and his mind is equal in material happiness and distress. Thus, he dedicates his time to work for the welfare of all others. His intelligence is never bewildered by material desires, and he has controlled his senses. His behavior is always pleasing, never harsh and always exemplary, and he is free from possessiveness. He never endeavors in ordinary, worldly activities, and he strictly controls his eating. He therefore always remains peaceful and steady. A saintly person is thoughtful and accepts Me as his only shelter. Such a person is very cautious in the execution of his duties and is never subject to superficial transformations, because he is steady and noble, even in a distressing situation. He has conquered over the six material qualities - namely hunger, thirst, lamentation, illusion, old age and death. He is free from all desire for prestige and offers honor to others. He is expert in reviving the Krishna consciousness of others and therefore never cheats anyone. Rather, he is a well-wishing friend to all, being most merciful. Such a saintly person must be considered the most learned of men. He perfectly understands that the ordinary religious duties prescribed by Me in various Vedic scriptures possess favorable qualities that purify the performer, and he knows that neglect of such duties constitutes a discrepancy in one's life. Having taken complete shelter at My lotus feet, however, a saintly person ultimately renounces such ordinary religious duties and worships Me alone. He is thus considered to be the best among all living entities.

 

 Tekst 33

Zij die, voorzeker aldus wetend of niet wetend wie Ik zou zijn of hoe Ik zou zijn, uitsluitend van toewijding zijn voor Mij, worden door Mij de beste toegewijden beschouwd.

My devotees may or may not know exactly what I am, who I am and how I exist, but if they worship Me with unalloyed love, then I consider them to be the best of devotees.

 

 Tekst 34-41

Ziend, aanrakend en Mijn verschijning in deze wereld aanbiddend brengen Mijn toegewijden persoonlijk dienst verlenend gebeden van verheerlijking en eerbetoon, regelmatig zingend over Mijn kwaliteiten en handelingen. In het luisteren naar de onderwerpen over Mij met geloof altijd op Mij mediterend, o Uddhava, offeren zij als dienaren ter verdediging van de Ziel alles wat ze verwerven. Met het bespreken van Mijn geboorte en handelingen beleven ze het grootste genoegen met muziekinstrumenten en liederen te dansen, naar de maan [op zondagen of naar de maanfasen] bijeenkomsten en feestelijke plechtigheden organiserend in Mijn [gods-]huizen. Met alle vieringen en jaarlijkse feestelijkheden zoals vermeld in de vedische geschriften en hun tantra's offers brengend, nemen ze geloften in acht, van initiatie zijnde in relatie tot Mij. Met het installeren van Mijn beeltenis trouwhartig gehecht, ondernemen ze in het, voor zichzelf zowel als voor anderen, zich inspannen voor bloementuinen, boomgaarden, recreatiegebieden, steden en tempels. Recht-door-zee als dienaren zijn ze te Mijnent wille in dienst van het huis [de tempel] bezig met het grondig reinigen en afstoffen, met het met water [en koeienmest, zie ook 10.6: 20*] schoonwassen, met het besprenkelen met reukwater en met het maken van mandala's. Bescheiden zonder trots, zonder te koop te lopen met hun toegewijde dienst, en niet voor zichzelf het licht te reserveren van de lampen aangeboden aan Mij, behoort iemand aan Mij datgene te offeren wat hem als persoon het meest lief is of wat dan ook dat begeerlijk is in de materiële wereld, daar dat offer iemand kwalificeert voor de onsterfelijkheid.

My dear Uddhava, one can give up false pride and prestige by engaging in the following devotional activities. One may purify oneself by seeing, touching, worshiping, serving, and offering prayers of glorification and obeisances to My form as the Deity and to My pure devotees. One should also glorify My transcendental qualities and activities, hear with love and faith the narrations of My glories and constantly meditate on Me. One should offer to Me whatever one acquires, and accepting oneself as My eternal servant, one should give oneself completely to Me. One should always discuss My birth and activities and enjoy life by participating in festivals, such as Janmâshthamî, which glorify My pastimes. In My temple, one should also participate in festivals and ceremonies by singing, dancing, playing musical instruments and discussing Me with other Vaishnavas. One should observe all the regularly celebrated annual festivals by attending ceremonies, pilgrimages and making offerings. One should also observe religious vows such as Ekâdas'î and take initiation by the procedures mentioned in the Vedas, Pañcarâtra and other, similar literatures. One should faithfully and lovingly support the installation of My Deity, and individually or in cooperation with others one should work for the construction of Krishna conscious temples and cities as well as flower gardens, fruit gardens and special areas to celebrate My pastimes. One should consider oneself to be My humble servant, without duplicity, and thus should help to clean the temple, which is My home. First one should sweep and dust thoroughly, and then one should further cleanse with water and cow dung. Having dried the temple, one should sprinkle scented water and decorate the temple with mandalas. One should thus act just like My servant. A devotee should never advertise his devotional activities; therefore his service will not be the cause of false pride. One should never use lamps that are offered to Me for other purposes simply because there is need of illumination, and similarly, one should never offer to Me anything that has been offered to or used by others. Whatever is most desired by one within this material world, and whatever is most dear to oneself &emdash; one should offer that very thing to Me. Such an offering qualifies one for eternal life.

 

 Tekst 42

De zon, het vuur, de brahmanen, de koeien, de vaishnava's, de ether, de wind, het water, de aarde, de ziel en alle levende wezens, mijn beste, vormen alle een medium voor Mijn eredienst.

O saintly Uddhava, please know that you may worship Me in the sun, fire, brâhmanas, cows, Vaishnavas, sky, wind, water, earth, individual soul and all living entities.

 

 Tekst 43-45

In de zon inderdaad [kan men Mij vinden] door een keur aan verzen [als de gâyatrî] met eerbetoon en met eerbetuigingen [zoals met de sûrya-namskar]; in het vuur met het offeren van ghee; naar de besten onder de geschoolden toe behoort men van eerbied voor Mij te zijn door gastvrij te zijn; in de koeien, Mijn beste, wordt dat gedaan met offergaven van gras en dergelijke zaken. In de vaishnava vindt men Mij door ze te eren met liefdevolle vriendschap, in het hart door gefixeerd te zijn in meditatie in de innerlijke ruimte, in de lucht door [Mij als aanwezig in de prâna, door prânâyâma zie B.G. 4: 29] het meest belangrijke te achten en in het water door de essentie van het water voorop te stellen [en dergelijke zoals een blad en een bloem, zie B.G. 9: 26]. In de aarde [vindt men Mij] door het offeren van aangename dingen [als voedsel], met het toepassen van heilige mantra's vanuit het hart [zie b.v. prasâda sevâya en de bhoga ârati] en binnenin het belichaamde zelf als de kenner van het veld [zie paramâtmâ en B.G. 13: 3] door Mij te aanbidden met evenwichtigheid [zie niyama].

My dear Uddhava, one should worship Me within the sun by chanting selected Vedic mantras and by performing worship and offering obeisances. One may worship Me within fire by offering oblations of ghee, and one may worship Me among the brâhmanas by respectfully receiving them as guests, even when uninvited. I can be worshiped within the cows by offerings of grass and other suitable grains and paraphernalia for the pleasure and health of the cows, and one may worship Me within the Vaishnavas by offering loving friendship to them and honoring them in all respects. Through steady meditation I am worshiped within the inner space of the heart, and within the air I can be worshiped by knowledge that prâna, the life air, is the chief among elements. I am worshiped within water by offerings of water itself, along with other elements such as flowers and tulasî leaves, and one may worship Me within the earth by proper application of confidential seed mantras. One may worship Me within the individual living entity by offering food and other enjoyable substances, and one may worship Me within all living entities by seeing the Supersoul within all of them, thus maintaining equal vision.

 

 Tekst 46

Aldus devoot op deze manieren mediterend moet men volledig verzonken in Mij van eerbied zijn voor Mijn bovenzinnelijke gedaante uitgerust met de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotusbloem [zie plaatje].

Thus, in the previously mentioned places of worship and according to the processes I have described, one should meditate on My peaceful, transcendental form with four arms holding a conchshell, Sudars'ana disc, club and lotus flower. In this way, one should worship Me with fixed attention.

 

 Tekst 47

Met de verlangde en goede werken aldus geheel in Mij gevestigd van eerbetoon zijnde verkrijgt men bij de genade van de fijnzinnigheid van de dienstverlening duurzame bhakti en de herinnering aan Mij [zie ook B.G. 5.29].'

One who has executed sacrificial performances and pious works for My satisfaction, and who thus worships Me with fixed attention, obtains unflinching devotional service unto Me. By the excellent quality of his service such a worshiper obtains realized knowledge of Me.

 

 Tekst 48

O Uddhava, over het geheel genomen zijn er, zonder de bhakti-yoga gerealiseerd door de omgang met de toegewijden, niet echt methoden te vinden die echt werken, omdat Ik de ware weg ben voor hen die van de deugd zijn [zie ook 4.31: 12].

My dear Uddhava, I am personally the ultimate shelter and way of life for saintly liberated persons, and thus if one does not engage in My loving devotional service, which is made possible by associating with My devotees, then for all practical purposes, one possesses no effective means for escaping from material existence.

 

 Tekst 49

Daarom, o kind van de Yadu's, zal Ik tot je spreken, omdat je er oren naar hebt, over zelfs dit [nu volgende] meest vertrouwelijke hoogste geheim [van de vertrouwelijke omgang], aangezien je Mijn dienaar bent, Mijn weldoener en vriend [vergelijk B. G. 18: 63 & 68].

My dear Uddhava, O beloved of the Yadu dynasty, because you are My servant, well-wisher and friend, I shall now speak to you the most confidential knowledge. Please hear as I explain these great mysteries to you.

 

*: De paramparâ voegt toe: 'De Allerhoogste Persoonlijkheid van God verschilt niet van Zijn vermogens, niettemin is Hij altijd boven hen verheven als de hoogste beheerser.... Bevrijding houdt in dat het levende wezen zichzelf moet overbrengen in het spirituele vermogen van de Heer, welk kan worden verdeeld in drie categorieën - hlâdinî, het vermogen van de verrukking; sandhinî, het vermogen van het eeuwigdurend bestaan; en samvit, het vermogen der alwetendheid.' Dit is een andere formulering van de goddelijkheid in de termen van sat-cit-ânanda; Krishna als zijnde eeuwigheid, bewustzijn en gelukzaligheid.

**: Citerend uit de Viveka, stelt S'rîla Madhvâcârya dat nânâtva-bhramam, de fout die men maakt met de materiële verscheidenheid, wijst op de volgende illusies: denkend dat het levende wezen het Allerhoogste is; denkend dat alle levende wezens uiteindelijk één wezen zijn zonder een afzonderlijke identiteit; denken dat er vele Goden zijn [onafhankelijk van elkaar, zie: 5.18: 12]; denken dat Krishna God niet is [d.w.z. niet zowel persoonlijk als onpersoonlijk het volkomen geheel is, vâsudeva sarvam iti, 7: 19]; en denken dat het materiële universum [het onpersoonlijke] de uiteindelijke werkelijkheid is [zie ook 1.2: 11]. Al deze illusies worden tezamen bestreden in het twee uur per dag zingen van de mahâmantra of het zo lang aandacht besteden aan de andere bhajans.

 

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties