
Source
Teksts:
The
Symptoms of Conditioned and Liberated Living
Entities
Tekst
1:
De Allerhoogste
Heer zei: 'De verklaring van het als gevolg van Mijn
geaardheden gebonden en bevrijd zijn is dat ze in werkelijkheid
in het geheel niet van de geaardheden zijn; mijn
illusieverwekkende energie is niet de oorzaak van de
gebondenheid of de bevrijding van [het zich verhouden
tot] Mij.
The
Supreme Personality of Godhead said: My dear Uddhava, due to
the influence of the material modes of nature, which are
under My control, the living entity is sometimes designated
as conditioned and sometimes as liberated. In fact, however,
the soul is never really bound up or liberated, and since I
am the supreme Lord of mâyâ, which is the cause
of the modes of nature, I also am never to be considered
liberated or in bondage.
Tekst
2:
Weeklagen en
illusie, geluk en leed en het aanvaarden van een materieel
lichaam onder de invloed van mâyâ vormt het
geconditioneerde bestaan dat als een hersenspinsel, net als een
droom, inderdaad niet het werkelijke bestaan is.
Just
as a dream is merely a creation of one's intelligence but
has no actual substance, similarly, material lamentation,
illusion, happiness, distress and the acceptance of the
material body under the influence of mayâ are all
creations of My illusory energy. In other words, material
existence has no essential reality.
Tekst
3:
Alsjeblieft
Uddhava, begrijp dat kennis en onwetendheid, twee van Mijn
gemanifesteerde energieën voortgebracht door Mijn
oorspronkelijk vermogen, de aanleiding vormen voor de
gebondenheid en de bevrijding [*].
O
Uddhava, both knowledge and ignorance, being products of
mâyâ, are expansions of My potency. Both
knowledge and ignorance are beginningless and perpetually
award libertation and bondage to embodied living
beings.
Tekst
4:
Van het levende
wezen, dat voorzeker deel uitmaakt en een geheel vormt van Mijn
Eenheid o grote intelligentie, is sedert mensenheugenis de
gebondenheid er van de onwetendheid en is zo ook het tegendeel
er van de kennis.
O
most intelligent Uddhava, the living entity, called
jîva, is part and parcel of Me, but due to ignorance
he has been suffering in material bondage since time
immemorial. By knowledge, however, he can be
liberated.
Tekst
5:
Laat me nu
uitweiden, mijn beste, over de verschillende kenmerken van de
tegengestelde aard van het geconditioneerd zijn en het bevrijd
zijn, zich aldus bevindend in één vertoning van
karakter.
Thus,
My dear Uddhava, in the same material body we find opposing
characteristics, such as great happiness and misery. That is
because both the Supreme Personality of Godhead, who is
eternally liberated, as well as the conditioned soul are
within the body. I shall now speak to you about their
different characteristics.
Tekst
6:
Het viel zo
voor dat deze twee vrienden, deze gelijksoortige vogels, een
nest bouwden in een boom waarbij een ervan de vruchten van de
boom eet terwijl de andere niet uit is op voedsel, alhoewel hij
de meerdere is qua kracht [zie ook 6.4:
24].
By
chance, two birds have made a nest together in the same
tree. The two birds are friends and are of a similar nature.
One of them, however, is eating the fruits of the tree,
whereas the other, who does not eat the fruits, is in a
superior position due to His potency.
Tekst
7
Hij niet etend
van de vruchten van de boom, kent alwetend als hij is zichzelf
[Zichzelf] zowel als de andere die zonder een idee te
hebben inderdaad altijd maar gebonden is; hij die vol van
kennis is, is inderdaad steeds degene die bevrijd is [zie
ook B.G.: 4:
5].
The
bird who does not eat the fruits of the tree is the Supreme
Personality of Godhead, who by His omniscience perfectly
understands His own position and that of the conditioned
living entity, represented by the eating bird. That living
entity, on the other hand, does not understand himself or
the Lord. He is covered by ignorance and is thus called
eternally conditioned, whereas the Personality of Godhead,
being full of perfect knowledge, is eternally
liberated.
Tekst
8
Een verlichte
persoon ziet, alsof hij opstond uit een droom, zichzelf, hoewel
aanwezig in het lichaam, niet als het lichaam; een dwaas iemand
ziet hoewel zich bevindend in het lichaam, net als in een
droom, zichzelf niet als zodanig [hij heeft zich
vereenzelvigd, zie B.G. 16:
18].
One
who is enlightened in self-realization, although living
within the material body, sees himself as transcendental to
the body, just as one who has arisen from a dream gives up
identification with the dream body. A foolish person,
however, although not identical with his material body but
transcendental to it, thinks himself to be situated in the
body, just as one who is dreaming sees himself as situated
in an imaginary
body.
Tekst
9
Zelfs al is hij
door de zinnen voortgebracht uit de geaardheden van de zinnen
gericht op de voorwerpen voortgebracht door de geaardheden, dan
nog is de verlichte ziel, die, ze aanvaardend, inderdaad niet
bezeten is van verlangen, niet valselijk ermee vereenzelvigd
dat hij het zou moeten maken [zie B.G. 3:
28].
An
enlightened person who is free from the contamination of
material desire does not consider himself to be the
performer of bodily activities; rather, he knows that in all
such activities it is only the senses, born of the modes of
nature, that are contacting sense objects born of the same
modes of nature.
Tekst
10
Door de
lotsbeschikking onder de invloed van het karma zich bevindend
in dit lichaam voortgebracht uit de geaardheden, is een dwaas
iemand daarop aldus gebonden aan het 'Ik ben degene die
handelt' [zie ook B. G. 3:
27].
An
unintelligent person situated within the body created by his
previous fruitive activities thinks, "I am the performer of
action." Bewildered by false ego, such a foolish person is
therefore bound up by fruitive activities, which are in fact
carried out by the modes of nature.
Tekst
11
Alzo is een
intelligent persoon, waar dan ook met zijn zinnen aan de gang,
onverschillig als hij is in het rusten, zitten, lopen, baden,
zien, aanraken ruiken, eten, luisteren en zo voorts, op die
manier niet gebonden.
An
enlightened person fixed in detachment engages his body in
lying down, sitting, walking, bathing, seeing, touching,
smelling, eating, hearing and so on, but is never entangled
by such activities. Indeed, remaining as a witness to all
bodily functions, he merely engages his bodily senses with
their objects and does not become entangled like an
unintelligent person.
Tekst
12-13
Ookal bevindt
hij zich in de materiële wereld snijdt hij, volledig
afzijdig van de heersende machten ervan, alle twijfels aan
stukken middels de meest deskundige visie zoals aangescherpt
door de onthechting, net zoals de ether, de zon en de wind
afzijdig zijn; als was hij ontwaakt uit een droom heeft hij
zich afgekeerd van de afzonderlijkheid der
dingen.
Although
the sky, or space, is the resting place of everything, the
sky does not mix with anything, nor is it entangled.
Similarly, the sun is not at all attached to the water in
which it is reflected within innumerable reservoirs, and the
mighty wind blowing everywhere is not affected by the
innumerable aromas and atmospheres through which it passes.
In the same way, a self-realized soul is completely detached
from the material body and the material world around it. He
is like a person who has awakened and arisen from a dream.
With expert vision sharpened by detachment, the
self-realized soul cuts all doubts to pieces through
knowledge of the self and completely withdraws his
consciousness from the expansion of material variety.
Tekst
14
De persoon vrij
van verlangen van wie de functies van de levensadem, de zinnen,
de geest, en de intelligentie volledig vrijgemaakt zijn is,
hoewel zich in het lichaam bevindend, zeker van Zijn
kwaliteiten.
A
person is considered to be completely liberated from the
gross and subtle material bodies when all the functions of
his vital energy, senses, mind and intelligence are
performed without material desire. Such a person, although
situated within the body, is not entangled.
Tekst
15
Hij die in het
lichaam wordt aangevallen door hen die gewelddadig zijn of een
andere keer weer om een of andere reden wordt aanbeden, is,
intelligent zijnde, daar niet door aangedaan [zie B.G.
14:
22-25].
Sometimes
for no apparent reason one's body is attacked by cruel
people or violent animals. At other times and in other
places, one will suddenly be offered great respect or
worship. One who becomes neither angry when attacked nor
satisfied when worshiped is actually intelligent.
Tekst
16
Zij die heel
goed of heel slecht hun werk doen of zo spreken worden door een
geheiligde persoon geprezen noch bekritiseerd; bevrijdt van
goede en slechte kwaliteiten beziet hij de dingen gelijkgezind
[zie ook B.G. 5:
18].
A
saintly sage sees with equal vision and therefore is not
affected by that which is materially good or bad. Indeed,
although he observes others performing good and bad work and
speaking properly and improperly, the sage does not praise
or criticize anyone.
Tekst
17
Hij die van
binnen tevreden is behoort niet te handelen, te spreken of zich
te bezinnen in termen van goed en kwaad; met deze manier van
leven moet een muni zich rondbewegen als was hij een
materialistisch iemand traag van begrip [zie ook
5.9].
For
the purpose of maintaining his body, a liberated sage should
not act, speak or contemplate in terms of material good or
bad. Rather, he should be detached in all material
circumstances, and taking pleasure in self-realization, he
should wander about engaged in this liberated life-style,
appearing like a retarded person to outsiders.
Tekst
18
Van iemand die,
volledig thuis in de vedische literatuur, niet in die mate slim
is met het Allerhoogste [de Heer], is de vrucht van
zijn grote inspanning voorzeker gelijk die van iemand die zorg
draagt voor een koe die geen melk geeft.
If
through meticulous study one becomes expert in reading Vedic
literature but makes no endeavor to fix one's mind on the
Supreme Personality of Godhead, then one's endeavor is
certainly like that of a man who works very hard to take
care of a cow that gives no milk. In other words, the fruit
of one's laborious study of Vedic knowledge will simply be
the labor itself. There will be no other tangible
result.
Tekst
19
O Uddhava, hij
die zorgt voor een koe die haar melk gegeven heeft, een onkuise
vrouw, een lichaam dat altijd maar afhankelijk is van anderen,
kinderen onwaardig, ontvangers onwaardig als men schenkingen
doet en zich wil uitlaten verstoken van de kennis van Mij
[zie ook 10.14:
4 en
5.6:
11], heeft
de ene ellende na de andere te verduren.
My
dear Uddhava, that man is certainly most miserable who takes
care of a cow that gives no milk, an unchaste wife, a body
totally dependent on others, useless children or wealth not
utilized for the right purpose. Similarly, one who studies
Vedic knowledge devoid of My glories is also most
miserable.
Tekst
20
Een wijs
iemand, mijn beste, moet niet die uitdrukkingen sanctioneren
welke niet van eerbied getuigen voor Mijn zuiverende
aktiviteiten of gewenste verschijnen als de incarnaties van
spel en vermaak [de lîlâ-avatâra's]
van het handhaven, scheppen en vernietigen van de wereld, o
Uddhava.
My
dear Uddhava, an intelligent person should never take to
literatures that do not contain descriptions of My
activities, which purify the whole universe. Indeed, I
create, maintain and annihilate the entire material
manifestation. Among all My pastime incarnations, the most
beloved are Krishna and Balarâma. Any so-called
knowledge that does not recognize these activities of Mine
is simply barren and is not acceptable to those who are
actually intelligent.
Tekst
21
Aldus met dat
verlangen te weten de vergissing loslatend van het zelf dat
afzonderlijk zou bestaan [**]
behoort men, de geest in Mij de Al-doordringende fixerend
[zie ook B.G. 7:
19], een
punt te zetten achter zijn materialistische bestaan [B.G.
18:
55].
Coming
to this conclusion of all knowledge, one should give up the
false conception of material variety that one imposes upon
the soul and thus cease one's material existence. The mind
should be fixed on Me, since I am all-pervading.
Tekst
22
Als je er niet
toe in staat bent de geest vast te leggen op het spirituele
vlak, probeer dan, zonder in Mij te wankelen, om activiteiten
te ontplooien zonder verwachtingen te koesteren [B.G.
12:
11,
10:
10,
18:
54].
My
dear Uddhava, if you are not able to free your mind from all
material disturbance and thus absorb it completely on the
spiritual platform, then perform all your activities as an
offering to Me, without trying to enjoy the fruits.
Tekst
23-24
Een gelovige
persoon die de vertellingen aanhoort over Mijn geboorte en
handelingen, welke zuiverend, zingend en voortdurend herinnerd
alleszins gunstig zijn voor de wereld, zal, beschut in Mij te
Mijnent wille het dharma, de kâma en de artha ten uitvoer
brengend [de purushârta's],
een onversaagde toewijding in relatie tot Mijn permanentie
verkrijgen, o Uddhava.
My
dear Uddhava, narrations of My pastimes and qualities are
all-auspicious and purify the entire universe. A faithful
person who constantly hears, glorifies and remembers such
transcendental activities, who through dramatic performances
relives My pastimes, beginning with My appearance, and who
takes full shelter of Me, dedicating his religious, sensual
and occupational activities for My satisfaction, certainly
obtains unflinching devotional service to Me, the eternal
Personality of Godhead.
Tekst
25
Door de
toewijding tot Mij zoals verworven door de sat-sanga
[de associatie met de toegewijden], wordt hij Mijn
aanbidder; die persoon bereikt ongetwijfeld met gemak Mijn
verblijf zoals Mijn toegewijden dat laten zien.'
One
who has obtained pure devotional service by association with
My devotees always engages in worshiping Me. Thus he very
easily goes to My abode, which is revealed by My pure
devotees.
Tekst
26-27
S'rî
Uddhava zei: 'Welk type persoon zou naar Jouw menig, o
Uttamas'loka,
een geheiligde persoon zijn, en welk soort van aanbidding voor
Jou behoort, zoals goedgekeurd door Jouw zuivere toegewijden,
te worden volbracht; alsJeblieft spreek Je hierover voor mij
uit, Jouw overgegeven toegewijde die van Je houdt als zijn
enige toevlucht, o Meester van het Universum, Jij die Waakt
over de Wereld, o Gebieder van de Persoon.
S'rî
Uddhava said: My dear Lord, O Supreme Personality of
Godhead, what type of person do You consider to be a true
devotee, and what type of devotional service is approved by
great devotees as worthy of being offered to Your Lordship?
My dear ruler of the universal controllers, O Lord of
Vaikunthha and almighty God of the universe, I am Your
devotee, and because I love You I have no other shelter than
You. Therefore please explain this to me.
Tekst
28
Jij, de
Allerhoogste God en Geest gelijk de ether, de Oorspronkelijke
Persoon transcendentaal aan de materiële natuur, bent
geïncarneerd zijnde, met het aangenomen hebben van
verschillende lichamen, de Opperheer naar het verlangen van hen
die bij Je horen.
My
dear Lord, as the Absolute Truth You are transcendental to
material nature, and like the sky You are never entangled in
any way. Still, being controlled by Your devotees' love, You
accept many different forms, incarnating according to Your
devotees' desires.
Tekst
29-32
De Allerhoogste
Heer zei: 'Genadig, geen leed berokkenend, tolerant jegens alle
belichaamden, stevig verankerd in de waarheid en een ziel die
niets te verwijten valt; gelijkgezind, altijd handelend ten
goede, van een intelligentie niet verstoord door materiële
verlangens, ingetogen, zachtgeaard, zuiver van hart, niet
bezitterig, niet werelds, weinig etend en vreedzaam; stabiel,
met Mij als de toevlucht, bedachtzaam, waakzaam, diepzinnig van
ziel, respect houdend, de shath-guna
overwonnen hebbend, bescheiden, de eer betonend en inspirerend;
vriendelijk, mededogend en onderlegd aldus de kwaliteiten en
tekorten kennend zoals door Mij onderricht, is hij, zelfs zijn
eigen religieuze voorkeuren opgevend [zie ook B.G.
18:
66] in
aanbidding voor alles van Mij, iemand die inderdaad de beste
der waarheidlievenden is [zie ook 5.18:
12, B.G.
12:
13-20
].
The
Supreme Personality of Godhead said: O Uddhava, a saintly
person is merciful and never injures others. Even if others
are aggressive he is tolerant and forgiving toward all
living entities. His strength and meaning in life come from
the truth itself, he is free from all envy and jealousy, and
his mind is equal in material happiness and distress. Thus,
he dedicates his time to work for the welfare of all others.
His intelligence is never bewildered by material desires,
and he has controlled his senses. His behavior is always
pleasing, never harsh and always exemplary, and he is free
from possessiveness. He never endeavors in ordinary, worldly
activities, and he strictly controls his eating. He
therefore always remains peaceful and steady. A saintly
person is thoughtful and accepts Me as his only shelter.
Such a person is very cautious in the execution of his
duties and is never subject to superficial transformations,
because he is steady and noble, even in a distressing
situation. He has conquered over the six material qualities
- namely hunger, thirst, lamentation, illusion, old age and
death. He is free from all desire for prestige and offers
honor to others. He is expert in reviving the Krishna
consciousness of others and therefore never cheats anyone.
Rather, he is a well-wishing friend to all, being most
merciful. Such a saintly person must be considered the most
learned of men. He perfectly understands that the ordinary
religious duties prescribed by Me in various Vedic
scriptures possess favorable qualities that purify the
performer, and he knows that neglect of such duties
constitutes a discrepancy in one's life. Having taken
complete shelter at My lotus feet, however, a saintly person
ultimately renounces such ordinary religious duties and
worships Me alone. He is thus considered to be the best
among all living entities.
Tekst
33
Zij die,
voorzeker aldus wetend of niet wetend wie Ik zou zijn of hoe Ik
zou zijn, uitsluitend van toewijding zijn voor Mij, worden door
Mij de beste toegewijden beschouwd.
My
devotees may or may not know exactly what I am, who I am and
how I exist, but if they worship Me with unalloyed love,
then I consider them to be the best of devotees.
Tekst
34-41
Ziend,
aanrakend en Mijn verschijning in deze wereld aanbiddend
brengen Mijn toegewijden persoonlijk dienst verlenend gebeden
van verheerlijking en eerbetoon, regelmatig zingend over Mijn
kwaliteiten en handelingen. In het luisteren naar de
onderwerpen over Mij met geloof altijd op Mij mediterend, o
Uddhava, offeren zij als dienaren ter verdediging van de Ziel
alles wat ze verwerven. Met het bespreken van Mijn geboorte en
handelingen beleven ze het grootste genoegen met
muziekinstrumenten en liederen te dansen, naar de maan [op
zondagen of naar de maanfasen] bijeenkomsten en feestelijke
plechtigheden organiserend in Mijn [gods-]huizen. Met
alle vieringen en jaarlijkse feestelijkheden zoals vermeld in
de vedische geschriften en hun tantra's
offers brengend, nemen ze geloften in acht, van initiatie
zijnde in relatie tot Mij. Met het installeren van Mijn
beeltenis trouwhartig gehecht, ondernemen ze in het, voor
zichzelf zowel als voor anderen, zich inspannen voor
bloementuinen, boomgaarden, recreatiegebieden, steden en
tempels. Recht-door-zee als dienaren zijn ze te Mijnent wille
in dienst van het huis [de tempel] bezig met het
grondig reinigen en afstoffen, met het met water [en
koeienmest, zie ook 10.6:
20*]
schoonwassen, met het besprenkelen met reukwater en met het
maken van mandala's. Bescheiden zonder trots, zonder te koop te
lopen met hun toegewijde dienst, en niet voor zichzelf het
licht te reserveren van de lampen aangeboden aan Mij, behoort
iemand aan Mij datgene te offeren wat hem als persoon het meest
lief is of wat dan ook dat begeerlijk is in de materiële
wereld, daar dat offer iemand kwalificeert voor de
onsterfelijkheid.
My
dear Uddhava, one can give up false pride and prestige by
engaging in the following devotional activities. One may
purify oneself by seeing, touching, worshiping, serving, and
offering prayers of glorification and obeisances to My form
as the Deity and to My pure devotees. One should also
glorify My transcendental qualities and activities, hear
with love and faith the narrations of My glories and
constantly meditate on Me. One should offer to Me whatever
one acquires, and accepting oneself as My eternal servant,
one should give oneself completely to Me. One should always
discuss My birth and activities and enjoy life by
participating in festivals, such as
Janmâshthamî, which glorify My pastimes. In My
temple, one should also participate in festivals and
ceremonies by singing, dancing, playing musical instruments
and discussing Me with other Vaishnavas. One should observe
all the regularly celebrated annual festivals by attending
ceremonies, pilgrimages and making offerings. One should
also observe religious vows such as Ekâdas'î and
take initiation by the procedures mentioned in the Vedas,
Pañcarâtra and other, similar literatures. One
should faithfully and lovingly support the installation of
My Deity, and individually or in cooperation with others one
should work for the construction of Krishna conscious
temples and cities as well as flower gardens, fruit gardens
and special areas to celebrate My pastimes. One should
consider oneself to be My humble servant, without duplicity,
and thus should help to clean the temple, which is My home.
First one should sweep and dust thoroughly, and then one
should further cleanse with water and cow dung. Having dried
the temple, one should sprinkle scented water and decorate
the temple with mandalas. One should thus act just like My
servant. A devotee should never advertise his devotional
activities; therefore his service will not be the cause of
false pride. One should never use lamps that are offered to
Me for other purposes simply because there is need of
illumination, and similarly, one should never offer to Me
anything that has been offered to or used by others.
Whatever is most desired by one within this material world,
and whatever is most dear to oneself &emdash; one should
offer that very thing to Me. Such an offering qualifies one
for eternal life.
Tekst
42
De zon, het
vuur, de brahmanen, de koeien, de vaishnava's, de ether, de
wind, het water, de aarde, de ziel en alle levende wezens, mijn
beste, vormen alle een medium voor Mijn eredienst.
O
saintly Uddhava, please know that you may worship Me in the
sun, fire, brâhmanas, cows, Vaishnavas, sky, wind,
water, earth, individual soul and all living
entities.
Tekst
43-45
In de zon
inderdaad [kan men Mij vinden] door een keur aan verzen
[als de gâyatrî]
met eerbetoon en met eerbetuigingen [zoals met de
sûrya-namskar];
in het vuur met het offeren van ghee; naar de besten onder de
geschoolden toe behoort men van eerbied voor Mij te zijn door
gastvrij te zijn; in de koeien, Mijn beste, wordt dat gedaan
met offergaven van gras en dergelijke zaken. In de vaishnava
vindt men Mij door ze te eren met liefdevolle vriendschap, in
het hart door gefixeerd te zijn in meditatie in de innerlijke
ruimte, in de lucht door [Mij als aanwezig in de
prâna,
door prânâyâma
zie B.G. 4:
29] het
meest belangrijke te achten en in het water door de essentie
van het water voorop te stellen [en dergelijke zoals een
blad en een bloem, zie B.G. 9:
26]. In de
aarde [vindt men Mij] door het offeren van aangename
dingen [als voedsel], met het toepassen van heilige
mantra's vanuit het hart [zie b.v. prasâda
sevâya
en de bhoga
ârati]
en binnenin het belichaamde zelf als de kenner van het veld
[zie paramâtmâ
en B.G. 13:
3] door
Mij te aanbidden met evenwichtigheid [zie
niyama].
My
dear Uddhava, one should worship Me within the sun by
chanting selected Vedic mantras and by performing worship
and offering obeisances. One may worship Me within fire by
offering oblations of ghee, and one may worship Me among the
brâhmanas by respectfully receiving them as guests,
even when uninvited. I can be worshiped within the cows by
offerings of grass and other suitable grains and
paraphernalia for the pleasure and health of the cows, and
one may worship Me within the Vaishnavas by offering loving
friendship to them and honoring them in all respects.
Through steady meditation I am worshiped within the inner
space of the heart, and within the air I can be worshiped by
knowledge that prâna, the life air, is the chief among
elements. I am worshiped within water by offerings of water
itself, along with other elements such as flowers and
tulasî leaves, and one may worship Me within the earth
by proper application of confidential seed mantras. One may
worship Me within the individual living entity by offering
food and other enjoyable substances, and one may worship Me
within all living entities by seeing the Supersoul within
all of them, thus maintaining equal vision.
Tekst
46
Aldus devoot op
deze manieren mediterend moet men volledig verzonken in Mij van
eerbied zijn voor Mijn bovenzinnelijke gedaante uitgerust met
de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotusbloem
[zie plaatje].
Thus,
in the previously mentioned places of worship and according
to the processes I have described, one should meditate on My
peaceful, transcendental form with four arms holding a
conchshell, Sudars'ana disc, club and lotus flower. In this
way, one should worship Me with fixed attention.
Tekst
47
Met de
verlangde en goede werken aldus geheel in Mij gevestigd van
eerbetoon zijnde verkrijgt men bij de genade van de
fijnzinnigheid van de dienstverlening duurzame bhakti en de
herinnering aan Mij [zie ook B.G. 5.29].'
One
who has executed sacrificial performances and pious works
for My satisfaction, and who thus worships Me with fixed
attention, obtains unflinching devotional service unto Me.
By the excellent quality of his service such a worshiper
obtains realized knowledge of Me.
Tekst
48
O Uddhava, over
het geheel genomen zijn er, zonder de bhakti-yoga gerealiseerd
door de omgang met de toegewijden, niet echt methoden te vinden
die echt werken, omdat Ik de ware weg ben voor hen die van de
deugd zijn [zie ook 4.31:
12].
My
dear Uddhava, I am personally the ultimate shelter and way
of life for saintly liberated persons, and thus if one does
not engage in My loving devotional service, which is made
possible by associating with My devotees, then for all
practical purposes, one possesses no effective means for
escaping from material existence.
Tekst
49
Daarom, o kind
van de Yadu's, zal Ik tot je spreken, omdat je er oren naar
hebt, over zelfs dit [nu volgende] meest vertrouwelijke
hoogste geheim [van de vertrouwelijke omgang],
aangezien je Mijn dienaar bent, Mijn weldoener en vriend
[vergelijk B. G. 18:
63 &
68].
My
dear Uddhava, O beloved of the Yadu dynasty, because you are
My servant, well-wisher and friend, I shall now speak to you
the most confidential knowledge. Please hear as I explain
these great mysteries to you.
*: De
paramparâ voegt toe: 'De Allerhoogste Persoonlijkheid van
God verschilt niet van Zijn vermogens, niettemin is Hij altijd
boven hen verheven als de hoogste beheerser.... Bevrijding
houdt in dat het levende wezen zichzelf moet overbrengen in het
spirituele vermogen van de Heer, welk kan worden verdeeld in
drie categorieën - hlâdinî, het vermogen van
de verrukking; sandhinî, het vermogen van het
eeuwigdurend bestaan; en samvit, het vermogen der
alwetendheid.' Dit is een andere formulering van de
goddelijkheid in de termen van sat-cit-ânanda; Krishna
als zijnde eeuwigheid, bewustzijn en gelukzaligheid.
**:
Citerend uit de Viveka, stelt S'rîla
Madhvâcârya dat nânâtva-bhramam,
de fout die men maakt met de materiële verscheidenheid,
wijst op de volgende illusies: denkend dat het levende wezen
het Allerhoogste is; denkend dat alle levende wezens
uiteindelijk één wezen zijn zonder een
afzonderlijke identiteit; denken dat er vele Goden zijn
[onafhankelijk van elkaar, zie: 5.18:
12];
denken dat Krishna God niet is [d.w.z. niet zowel
persoonlijk als onpersoonlijk het volkomen geheel is,
vâsudeva sarvam iti, 7:
19];
en denken dat het materiële universum [het
onpersoonlijke] de uiteindelijke werkelijkheid is [zie
ook 1.2:
11].
Al deze illusies worden tezamen bestreden in het twee uur per
dag zingen van de mahâmantra
of het zo lang aandacht besteden aan de
andere bhajans.