Canto
10
Hoofdstuk 85: Heer Krishna Instrueert Vasudeva en Haalt Devakî's Zoons Terug
(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Toen, bezochten op een dag Sankarshana en Acyuta, de twee zoons van Vasudeva, Hun vader die, nadat Ze zijn voeten hadden geëerd, Hen liefdevol begroette en Hen toesprak. (2) Nadat hij de woorden van de wijzen had gehoord met betrekking tot de vermogens van zijn twee zoons, was hij mede door Hun dappere daden van Hen overtuigd geraakt en zei hij, Ze bij hun naam aansprekend: (3) 'Krishna, o Krishna, o grootste yogi; o eeuwige Sankarshana, ik weet dat Jullie twee hier de rechtstreekse vertegenwoordigers zijn van de primaire natuur [of pradhâna] en het mannelijk principe [de purusha of persoon]. (4) Wat, hoe en wanneer ook, in, door, van, met of voor dit [universum] zijn bestaan vindt, vertegenwoordigt allemaal rechtstreeks Hem van het Overwicht, de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke natuur en persoon. (5) Dit gevarieerde universum dat Je uit Jezelf schiep, o Heer van het Voorbije, handhaaf Jij, o Ongeborene, er Zelf in binnengaand, als de Opperziel en het levensbeginsel van de vitaliteit en de individualiteit. (6) Van beide [de levende en niet levende] bestaansvormen welke, verschillend als ze zijn en allen behorend tot het Allerhoogste, dus afhankelijk zijn, ben Jij de Ene die het creatieve vermogen vormt dat schuilt in de levensadem en in de overige basiselementen van het universum [zie ook 2.5: 32-33]. (7) De gloed, de glans, de helderheid, het afzonderlijke van de maan, het vuur, de zon, de sterren en de bliksem [B.G. 15: 12], het permanente van de bergen en de geur en ondersteunende kracht van de aarde, zijn allen Jou in werkelijkheid. (8) Het lessende, het levenbrengende van water alsook het water zelf en haar smaak ben Jij o Heer. O Beheerser, van Jouw is er op basis van de lucht [zoals men dat zegt] de lichaamswarmte, de levenskracht op lichamelijk en geestelijk gebied, de ondernemingszin en het zich bewegen [zie ook B.G. 11: 39]. (9) Jij bent de windrichtingen en de gebieden die ze beschrijven, de alomtegenwoordige ether en het elementaire geluid dat erbij hoort. Jij bent de oerklank die de lettergreep AUM vormt en de differentiatie ervan in bepaalde vormen [van taal, zie ook B.G. 7: 8]. (10) Jij bent van de zinnen de macht van het waarnemen, Je bent hun goden [zie ook 3.12: 26] en van hen ben Je de genade; Jij bent van de intelligentie de macht te beslissen en van het levend wezen ben Je het vermogen zich de dingen te herinneren zoals ze zijn [B.G. 7: 10 & 15: 15]. (11) Jij, de voorwereldlijke Oorzaak aller Oorzaken, bent de bron van de stoffelijke elementen [tamas], de hartstochten der zinnen [rajas] en de stroom van bewustzijn van de scheppende goden [sattva, zie ook B.G. 14]. (12) Van de bestaansvormen die onderworpen zijn aan vernietiging in deze wereld ben Jij het onvergankelijk wezen, zoals de grondstof is in verhouding tot haar transformaties. (13) De geaardheden der goedheid, hartstocht en onwetendheid en hun functies zijn op deze manier binnenin Jou, binnen de Allerhoogste Absolute Waarheid, gereguleerd door het inwendig vermogen [de yogamâyâ van Je spel en vermaak]. (14) Op basis daarvan worden deze bestaansvormen niet [werkelijk] vernietigd als ze - andere keren inderdaad niet materieel zijnde - geconditioneerd in Jou als voortbrengselen van de schepping, Jou ook in hen aanwezig hebben [als een gelover, als de levenskracht caitanya, een eeuwig bevrijde, nitya-mukta, bewuste ziel of een jîvâtmâ, zie B.G 2: 12, 9: 4-5 & 8: 19]. (15) Zij dan zijn in deze wereld onwetend die, falend in het doorgronden van de bestemming die de Ziel van Alles is, er door hun karma toe gedreven zijn zich rond te bewegen in de stroom van de materiële oceaan. (16) Op de een of andere manier in dit leven de felst begeerde status van een menselijke leven te hebben bereikt - een status die zo moeilijk te verwerven is -, kan iemand die begoocheld is door de materiële energie [zoals ik], o Beheerser, [niettemin] zijn hele leven in verwarring hebben doorgebracht over wat zijn eigenbelang zou zijn. (17) Met Jij die allen in deze wereld samenbindt met de touwen der genegenheid is er met het lichaam en het nageslacht en andere relaties het 'dit ben ik' en 'dezen zijn van mij' dat erbij komt kijken [zie ook b.v. 2.9: 2, 4.28: 17, 4.29: 5, 5.5: 8 en 6.16: 41]. (18) Jullie twee zijn niet onze zoons maar duidelijk de Beheersers van pradhâna en purusha die nederdaalden om de last aan heersers weg te nemen van de aarde, zoals Jullie het Zelf gezegd hebben [10.50: 7-10]. (19) Daarom zoek ik vandaag Je beschutting, de lotusvoeten welke, van hen die zich overgaven, zij die te lijden hebben, de angst wegnemen van het verstrikt zijn o Vriend, en dat is alles. Genoeg, genoeg heb ik van dat gesmacht naar zinsbevrediging dat me bindt aan mijn sterfelijkheid en me Jou, de Allerhoogste, doet beschouwen als zijnde mijn kind. (20) In de kraamkamer zei Je inderdaad [zie 10.3: 44] dat Jij, toen Je ter wereld kwam met ons, de Ongeborene was die zo tijdperk na tijdperk optreedt ter verdediging van Je dharma en daarbij als een wolk verschillende lichamen aanneemt en weer loslaat [zie B.G. 4: 8]; o, wie kan het mystiek vermogen en de veelvoud doorgronden van Jou, de Heer die alles doordringt en alom gevierd wordt?'
(21) S'rî S'uka zei: 'Nadat Hij had gehoord wat Zijn vader zo zei, gaf de Allerhoogste Heer, de beste der Sâtvata's nederig buigend en breed glimlachend met een vriendelijke stem antwoord. (22) De Opperheer zei: 'Ik beschouw deze woorden van u als zeer toepasselijk vader, omdat u met het naar Ons, uw Zoons, verwijzen u het volledige van de werkelijkheid onder woorden hebt gebracht. (23) Ik, u, Hij, Mijn broer, en deze bewoners van Dvârakâ, moeten tezamen met alles wat rondbeweegt en niet rondbeweegt, allen op dezelfde manier worden bekeken [als expansies van Mij], o beste van de Yadu's [B.G. 9: 5 & 15 en de siddhânta]. (24) De Allerhoogste Ziel is waarlijk één, zelfverlicht, eeuwig en van de rest onderscheiden; terwijl Hij vrij is van de geaardheden ziet men Hem als veelvormig, met Zijn met behulp van de geaardheden uit Zichzelf geschapen hebben van de materiële verschijningsvormen die bij die geaardheden horen. (25) Het is als met de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde die - een enkel element zijnde - afhankelijk van waar ze zich bevinden, in hun voortbrengselen, of ze nu gemanifesteerd of niet gemanifesteerd zijn, klein dan wel groot, zich vertonen als een veelvoud [zie ook B.G. 13: 31].'
(26) S'rî S'uka zei: 'Vasudeva die op die manier werd toegesproken door de Allerhoogste Heer, o Koning, raakte bevrijd van zijn denken in tegenstellingen en werd, innerlijk voldaan, stil. (27-28) Toen op die plaats, o beste der Kuru's, verzocht duidelijk en helder Devakî, de aanbiddelijke godin van een ieder die tot haar grote verbazing had vernomen van [het terughalen van] de zoon van Hun goeroe [10.45], Krishna en Râma om haar eigen zoons die door Kamsa waren vermoord terug te brengen; en terugblikkend bij die gedachten was ze verdrietig en sprak ze innerlijk verscheurd met tranen in haar ogen. (29) S'rî Devakî zei: 'Râma, o Râma, o Onpeilbare Ziel; o Krishna, Leraar der Yogaleraren, ik weet dat Jullie beiden de Oorspronkelijke Persoonlijkheden zijn, de Meesters van de Scheppers van het Universum [zie ook catur-vyûha]. (30) Jullie zijn nu uit mij geboren nedergedaald vanwege de koningen die, in weerwil van de geschriften levend en met hun goede eigenschappen vernietigd door de tijd [van Kali-yuga], een overlast voor de wereld werden. (31) O Ziel van Allen der Schepping, vandaag kwam ik voor mijn beschutting naar Hem toe, naar Jou, die door een gedeeltelijke expansie [de geaardheden] van een expansie [de materiële energie] van een expansie [Nârâyana] aanleiding geeft tot het voortbrengen, gedijen en weer teloorgaan van het universum [zie ook 2.5]. (32-33) Er word beweerd dat Jullie, die van Je goeroe de opdracht kregen zijn reeds lang geleden gestorven zoon terug te halen, hem vanuit het bereik van de voorvaderen weer terughaalden als een gift uit dankbaarheid voor Jullie geestelijk leraar. AlsJeblieft, o Jullie twee Meesters van de Yogameesters, beantwoordt op dezelfde manier aan mijn verlangen: ik zou graag mijn zoons teruggebracht zien die door Kamsa ter dood werden gebracht [zie 10.4].' (34) De rishi [S'uka] zei: 'Aldus ertoe verzocht door Hun moeder, o afstammeling van Bharata gingen Râma en Krishna met gebruik van Hun inwendig vermogen de lagere wereld van Sutala binnen [zie 5.24: 18]. (35) Daar binnentredend stond de daitya koning [Bali] meteen op om tezamen met zijn hofhouding voor Hen te buigen. Hij was overmand door de vreugde Hen te zien, de Opperziel en Godheid van het Universum die zijn favoriete goddelijkheid van aanbidding vormden. (36) Koninklijke zetels voor Ze halend, was hij, toen Ze waren gezeten, er gelukkig mee de twee Grote Zielen Hun voeten te wassen, en daarvan nam hij samen met zijn volgelingen het water [op hun hoofden] dat zuiverde tot aan Brahmâ toe. (37) Hij, van aanbidding met al de weelde die hij en zijn familie bezaten, bood Hen aldus de meest kostbare rijkdommen, kleding, sierselen, geurige smeersels, betelnoot, lampen, nectargelijk voedsel en zo meer [*]. (38) Hij die Indra had overwonnen [zie 8.15] sprak, telkens weer opnieuw de voeten van de Opperheer vastgrijpend, met een hart vertederd van liefde, met tranen in zijn ogen van de vervoering en zijn haren overeind, o Koning, toen met een verstikte stem. (39) Bali zei: 'Mijn eerbetoon voor Ananta, het Grootste Wezen; mijn eerbetuigingen voor Krishna, de Absolute Waarheid, de Superziel, de Verbreider en Schepper van de analytische kennis [sânkhya, zie 3.25-32] en de wetenschap van de [bhakti-]yoga. (40) U voor ogen hebben is inderdaad iets dat, hoewel door de levende wezens zelden bereikt, niettemin nog steeds voor mensen als wij, die van nature in de hartstocht en de onwetendheid verkeren, niet moeilijk voor elkaar te krijgen is met de inspanning die U zich getroost om ons op Uw eigen initiatief te bereiken [zie B.G. 3: 21-23]. (41-43) De zonen van Diti en Dânu, de zangers van de hemel, de vervolmaakten, de wetenschappers, de eerbiedwaardigen, de schatbewaarders, de wilden, de vleeseters en de paranormalen, de mystici, de politici, wij en anderen zoals zij, voelen ons tot Je aangetrokken ondanks het feit dat we voortdurend ons verbijten in een zekere rancune tegen de Rechtstreekse Belichaming van de Zuivere Goedheid in de goddelijke gedaante van de geopenbaarde geschriften; sommigen zijn bijzonder obstinaat met hatelijkheid, sommigen zijn van toewijding met nevenmotieven, terwijl de verlichte zielen en de rest die zich verlustigt in de goedheid, zich in het geheel niet zo aangetrokken voelen [vergelijk: het âtmârâma-vers 1.7: 10]. (44) O Man der Beheersing, als zelfs niet de meesters van de begoochelende macht van Uw yoga kennen die hoofdzakelijk in dit soort termen [van het svarûpa en vis'esha identiteitsspel] wordt gekenschetst, wat houdt dat dan wel niet voor ons in? (45) Daarom, o toevlucht van de lotusvoeten waar de onzelfzuchtigen hun geest op richten, heb genade met me en leidt me weg uit de donkere put van het huishoudelijk bestaan, zodat ik in vrede alleen moge rondtrekken of dat anders samen kan doen met de vrienden van allen [de heiligen, toegewijden, Vaishnava's, wensbomen] die een ieder in de wereld behulpzaam zijn en aan wiens voeten men kan vinden wat men in het leven nodig heeft [de 'vritti']. (46) AlstUblieft geef ons leiding o beheerser van hen die beheerst zijn, maak ons zondeloos o Meester, maak van ons een persoon die met geloof tewerkgaand vrijkomt van [schriftuurlijke] fixaties.'
(47) De Opperheer zei: 'Eens, ten tijde van de eerste Manu, waren er van Marîci zes zonen geboren uit Ûrnâ, halfgoden, die lachten toen ze zagen dat hij die van de liefde is ['kam', of Brahmâ in dit geval] wilde copuleren met zijn dochter [genaamd Vâk, zie 3.12: 28-35, vergelijk 3.20: 23]. (48-49) Vanwege die overtreding belandden ze prompt in een baarmoeder waar ze door Hiranyakas'ipu verwekt waren. Ze werden toen door Yogamâyâ overgebracht om geboorte te nemen uit de schoot van Devakî, o Koning, en werden door Kamsa vermoord. Zij weeklaagt over hen als zijnde haar zoons; zij, deze zelfde zoons leven hier nu bij u [zie ook ** en 10.2*]. (50) We willen ze hier weghalen om een einde te maken aan de droefenis van hun moeder; als daarna de vloek is opgeheven zullen ze bevrijd van de ellende naar hun eigen wereld terugkomen. (51) Bij Mijn genade zullen deze zes - Smara [Kîrtimân, zie 10.1: 57], Udgîtha, Parishvanga, Patanga, Kshudrabhrit en Ghrinî - terugkeren naar de bestemming der geheiligden.'
(52) Na aldus te hebben gesproken namen Ze, beiden geëerd door Bali, hen mee terug naar Dvârakâ en presenteerden Ze de zoons aan hun moeder. (53) Toen de godin de jongens weer zag deed de liefde voor haar zoons haar borsten vloeien. Ze nam ze op haar schoot en omhelsde ze, waarbij ze keer op keer hun hoofden besnuffelde. (54) Verbijsterd door Vishnu's begoochelend vermogen als gevolg waarvan de schepping zijn bestaan vindt, liet ze liefdevol haar zoons drinken van haar borsten die nat waren zo gauw ze hen aanraakten. (55-56) Nadat ze van haar nectargelijke melk hadden gedronken die over was van de melk die de hanteerder van de Knots dronk [voordat Vasudeva Hem naar Gokula droeg], herkregen ze, omdat ze in aanraking kwamen met het lichaam van Nârâyana, het bewustzijn van hun oorspronkelijke zelven. Buigend voor Govinda, Devakî, hun vader en Balarâma gingen ze, voor ogen van iedereen, naar de plaats waar de goden zich ophouden. (57) Met het aanschouwen van dit wederkeren en weer vertrekken van de doden, dacht de goddelijke Devakî in grote verwondering na over de magie zoals die was beschikt door Krishna, o Koning. (58) Van Krishna, de Opperziel die onbegrensd is in Zijn heldenmoed, bestaan er eindeloos veel heldendaden als deze, o nazaat van Bharata.'
(59) S'rî Sûta zei [te Naimishâranya, 1.1: 4]: "Wie ook die, zoals beschreven door Vyâsa's gerespecteerde zoon, devoot luistert naar of vertelt over deze wederwaardigheid van Murâri aan wiens glorie geen grenzen gesteld zijn, zal, met deze ware verrukking voor de oren van Zijn toegewijden die de zonden van het levend wezen totaal uitbant, met het vestigen van zijn geest op de Allerhoogste Heer, naar Zijn aan alle zegeningen rijke hemelse verblijfplaats gaan."
Tweede editie, geladen 16 januari 2009
Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:
De zoon van Vyâsa zei: 'Toen, bezochten op een dag Sankarshana en Acyuta, de twee zoons van Vasudeva, Hun vader die, nadat Ze zijn voeten hadden geëerd, Hen liefdevol begroette en Hen toesprak.De zoon van Vyâsa zei: 'Toen, kwamen op een dag Sankarshana en Acyuta, de twee zoons van Vasudeva, naar hem toe die, nadat Ze zijn voeten hadden geëerd, Hen begroette en vol liefde toesprak. (Vedabase)
Nadat hij de woorden van de wijzen had gehoord met betrekking tot de vermogens van zijn twee zoons, was hij mede door Hun dappere daden van Hen overtuigd geraakt en zei hij, Ze bij hun naam aansprekend:
Na de woorden van de wijzen te hebben gehoord met betrekking tot de vermogens van zijn twee zoons, had zich bij hem aangaande hun dappere daden de overtuiging ontwikkeld en zei hij, Ze bij hun naam aansprekend: (Vedabase)
'Krishna, o Krishna, o grootste yogi; o eeuwige Sankarshana, ik weet dat Jullie twee hier de rechtstreekse vertegenwoordigers zijn van de primaire natuur [of pradhâna] en het mannelijk principe [de purusha of persoon].
'Krishna, o Krishna, o grootste yogî; o eeuwige Sankarshana, ik weet dat jullie twee alhier rechtstreeks de primaire natuur [of pradhâna] en het mannelijk principe [de purusha of persoon] zijn. (Vedabase)
Wat, hoe en wanneer ook, in, door, van, met of voor dit [universum] zijn bestaan vindt, vertegenwoordigt allemaal rechtstreeks Hem van het Overwicht, de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke natuur en persoon.
Wat, hoe en wanneer ook, in, door, van, met of voor dit [universum] zijn bestaan vindt, is allemaal rechtstreeks de Overweger, de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke natuur en persoon. (Vedabase)
Dit gevarieerde universum dat Je uit Jezelf schiep, o Heer van het Voorbije, handhaaf Jij, o Ongeborene, er Zelf in binnengaand, als de Opperziel en het levensbeginsel van de vitaliteit en de individualiteit.
Dit gevarieerde universum van Jezelf, o Heer van het Voorbije, handhaaf Jij, o Ongeborene, het met Jezelf binnengaand, als de Opperziel en het principe van vitaliteit en individualiteit. (Vedabase)
Van beide [de levende en niet levende] bestaansvormen welke, verschillend als ze zijn en allen behorend tot het Allerhoogste, dus afhankelijk zijn, ben Jij de Ene die het creatieve vermogen vormt dat schuilt in de levensadem en in de overige basiselementen van het universum [zie ook 2.5: 32-33].
Van beide [levende en niet levende] bestaansvormen welke, verschillend als ze zijn, allen behorend tot het Allerhoogste dus afhankelijk zijn, ben Jij de Ene die de creatieve factoren en vermogens van de levensadem en dat alles in het universum in beweging brengt [zie ook 2.5: 32-33]. (Vedabase)
De gloed, de glans, de helderheid, het afzonderlijke van de maan, het vuur, de zon, de sterren en de bliksem [B.G. 15: 12], het permanente van de bergen en de geur en ondersteunende kracht van de aarde, zijn allen Jou in werkelijkheid.
De gloed, de glans, de helderheid, het afzonderlijke van de maan, het vuur, de zon, de sterren en de bliksem [B.G. 15: 12], het permanente van de bergen en de geur en ondersteunende kracht van de aarde, zijn allen in waarheid Jijzelf. (Vedabase)
Het lessende, het levenbrengende van water alsook het water zelf en haar smaak ben Jij o Heer. O Beheerser, van Jouw is er op basis van de lucht [zoals men dat zegt] de lichaamswarmte, de levenskracht op lichamelijk en geestelijk gebied, de ondernemingszin en het zich bewegen [zie ook B.G. 11: 39].
Het lessen, het levenbrengende van water als ook het water zelf en haar smaak ben Jij o Heer; o Beheerser, het Jouwe is de lichaamswarmte, de levenskracht geestelijk en fysiek, de inzet en de beweging [allen naar verluid] van de lucht [zie ook B.G. 11: 39]. (Vedabase)
Jij bent de windrichtingen en de gebieden die ze beschrijven, de alomtegenwoordige ether en het elementaire geluid dat erbij hoort. Jij bent de oerklank die de lettergreep AUM vormt en de differentiatie ervan in bepaalde vormen [van taal, zie ook B.G. 7: 8].
Jij bent de richtingen hun bereiken, de ether alom, het elementaire geluid daar gevestigd, de oerklank die de lettergreep AUM vormt en zijn differentiatie in bepaalde vormen [van taal, zie ook B.G. 7: 8]. (Vedabase)
Jij bent van de zinnen de macht van het waarnemen, Je bent hun goden [zie ook 3.12: 26] en van hen ben Je de genade; Jij bent van de intelligentie de macht te beslissen en van het levend wezen ben Je het vermogen zich de dingen te herinneren zoals ze zijn [B.G. 7: 10 & 15: 15].
Jij bent van de zinnen de macht van het waarnemen, hun goden [3.12: 26] en van hen de genade; Jij bent van de intelligentie de macht te beslissen en van het levend wezen het vermogen tot correct herinneren [B.G. 7: 10 15: 15]. (Vedabase)
Jij, de voorwereldlijke Oorzaak aller Oorzaken, bent de bron van de stoffelijke elementen [tamas], de hartstochten der zinnen [rajas] en de stroom van bewustzijn van de scheppende goden [sattva, zie ook B.G. 14].
Jij, de Veroorzaker aan Allen vooraf, bent de bron van de stoffelijke elementen [tamas], de hartstochten der zinnen [rajas] en de emoties veranderend met de keuze aan goden [sattva, zie ook B.G. 14]. (Vedabase)
Van de bestaansvormen die onderworpen zijn aan vernietiging in deze wereld ben Jij het onvergankelijk wezen, zoals de grondstof is in verhouding tot haar transformaties.
Onder de bestaansvormen onderworpen aan vernietiging in deze wereld ben Jij de onvergankelijke, precies zoals de grondstof dat is in verhouding tot haar transformaties. (Vedabase)
De geaardheden der goedheid, hartstocht en onwetendheid en hun functies zijn op deze manier binnenin Jou, binnen de Allerhoogste Absolute Waarheid, gereguleerd door het inwendig vermogen [de yogamâyâ van Je spel en vermaak].
De geaardheden der goedheid, hartstocht en onwetendheid en hun functies zijn op deze manier binnen in Jou, binnen de Allerhoogste Absolute Waarheid, gereguleerd door het inwendig vermogen [de yogamâyâ van Je spel en vermaak]. (Vedabase)
Op basis daarvan worden deze bestaansvormen niet [werkelijk] vernietigd als ze - andere keren inderdaad niet materieel zijnde - geconditioneerd in Jou als voortbrengselen van de schepping, Jou ook in hen aanwezig hebben [als een gelover, als de levenskracht caitanya, een eeuwig bevrijde, nitya-mukta, bewuste ziel of een jîvâtmâ, zie B.G 2: 12, 9: 4-5 & 8: 19].
Op basis daarvan worden deze bestaansvormen niet [werkelijk] vernietigd als ze - andere keren inderdaad niet materieel zijnde - geconditioneerd in Jou als voortbrengselen van de schepping, Jou ook in zich hebben [als een gelover, als caitanya, een nitya-mukta bewuste ziel of jivâtmâ, zie B.G 2: 12, 9: 4-5 & 8: 19]. (Vedabase)
Zij dan zijn in deze wereld onwetend die, falend in het doorgronden van de bestemming die de Ziel van Alles is, er door hun karma toe gedreven zijn zich rond te bewegen in de stroom van de materiële oceaan.
Zij dan zijn in deze wereld onwetend die, falend in het doorgronden van de bestemming van de Ziel van Alles, ertoe gedreven door hun karma rondbewegen in de stroom van de materiële oceaan. (Vedabase)
Op de een of andere manier in dit leven de felst begeerde status van een menselijke leven te hebben bereikt - een status die zo moeilijk te verwerven is -, kan iemand die begoocheld is door de materiële energie [zoals ik], o Beheerser, [niettemin] zijn hele leven in verwarring hebben doorgebracht over wat zijn eigenbelang zou zijn.
Op de een of andere manier in dit leven het allergeschikste van de menselijke status te hebben bereikt die zo moeilijk te verwerven valt, kan iemand begoocheld door de materiële energie [zoals ik], o Beheerser, [nog steeds] zijn hele leven in verwarring hebben doorgebracht over wat zijn eigen belang zou zijn. (Vedabase)
Met Jij die allen in deze wereld samenbindt met de touwen der genegenheid is er met het lichaam en het nageslacht en andere relaties het 'dit ben ik' en 'dezen zijn van mij' dat erbij komt kijken [zie ook b.v. 2.9: 2, 4.28: 17, 4.29: 5, 5.5: 8 en 6.16: 41].
Met Jij die allen in deze wereld bindt met de touwen der genegenheid is er naar het lichaam en het nageslacht en andere relaties het 'dit ben ik' en 'dezen zijn van mij' dat erbij komt kijken. [zie ook b.v. 2.9: 2, 4.28: 17, 4.29: 5, 5.5: 8 en 6.16: 41]. (Vedabase)
Jullie twee zijn niet onze zoons maar duidelijk de Beheersers van pradhâna en purusha die nederdaalden om de last aan heersers weg te nemen van de aarde, zoals Jullie het Zelf gezegd hebben [10.50: 7-10].
Jullie twee zijn niet onze zoons maar duidelijk de Beheersers van pradhâna en purusha die nederdaalden om de last aan heersers weg te nemen van de aarde, zoals Jullie het Zelf gezegd hebben [10.50: 7-10]. (Vedabase)
Daarom zoek ik vandaag Je beschutting, de lotusvoeten welke, van hen die zich overgaven, zij die te lijden hebben, de angst wegnemen van het verstrikt zijn o Vriend, en dat is alles. Genoeg, genoeg heb ik van dat gesmacht naar zinsbevrediging dat me bindt aan mijn sterfelijkheid en me Jou, de Allerhoogste, doet beschouwen als zijnde mijn kind.
Daarom kom ik vandaag voor Jouw beschutting, voor de lotusvoeten welke, bij de overgegevenen, zij die lijden, de angst wegnemen van het verstrikt zijn, o Vriend, en dat is alles; genoeg, genoeg van dat gesmacht naar zinsbevrediging dat me mezelf doet zien als zijnde sterfelijk en me Jou, de Allerhoogste, doet beschouwen als zijnde mijn kind. (Vedabase)
In de kraamkamer zei Je inderdaad [zie 10.3: 44] dat Jij, toen Je ter wereld kwam met ons, de Ongeborene was die zo tijdperk na tijdperk optreedt ter verdediging van Je dharma en daarbij als een wolk verschillende lichamen aanneemt en weer loslaat [zie B.G. 4: 8]; o, wie kan het mystiek vermogen en de veelvoud doorgronden van Jou, de Heer die alles doordringt en alom gevierd wordt?'
In de kraamkamer zei Je inderdaad [zie 10.3: 44] dat Jij, geboorte nemend met ons, de Ongeborene was en aldus zo tijdperk na tijdperk te werk gaat ter verdediging van Je dharma, gelijk een wolk verschillende lichamen oppakkend en weer loslatend [zie B.G. 4: 8]; o, wie kan het mystiek vermogen en de veelvoud doorgronden van Jou, allesdoordringend en alom gevierd?' (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Nadat Hij had gehoord wat Zijn vader zo zei, gaf de Allerhoogste Heer, de beste der Sâtvata's nederig buigend en breed glimlachend met een vriendelijke stem antwoord.
S'rî S'uka zei: 'Alzo de uitlatingen horend van Zijn vader gaf de Allerhoogste Heer, de beste der sâtvata's nederig buigend, breed glimlachend met een vriendelijke stem antwoord. (Vedabase)
De Opperheer zei: 'Ik beschouw deze woorden van u als zeer toepasselijk vader, omdat u met het naar Ons, uw Zoons, verwijzen u het volledige van de werkelijkheid onder woorden hebt gebracht.
De Opperheer zei: 'Ik beschouw deze woorden van u als heel gepast, o vader, aangezien met het naar Ons verwijzen, uw Zoons, u uitdrukking gaf aan de ganse werkelijkheid. (Vedabase)
Ik, u, Hij, Mijn broer, en deze bewoners van Dvârakâ, moeten tezamen met alles wat rondbeweegt en niet rondbeweegt, allen op dezelfde manier worden bekeken [als expansies van Mij], o beste van de Yadu's [B.G. 9: 5 & 15 en de siddhânta].
Ik, u, Hij, Mijn broer, en deze bewoners van Dvârakâ zelfs, moeten allen op dezelfde manier worden bekeken (als expansies van Mij), o beste van de Yadu's, tezamen met alles wat rondbeweegt en niet rondbeweegt [B.G. 9: 5 & 15 en de siddhânta]. (Vedabase)
De Allerhoogste Ziel is waarlijk één, zelfverlicht, eeuwig en van de rest onderscheiden; terwijl Hij vrij is van de geaardheden ziet men Hem als veelvormig, met Zijn met behulp van de geaardheden uit Zichzelf geschapen hebben van de materiële verschijningsvormen die bij die geaardheden horen.
De Allerhoogste Ziel is waarlijk één, zelfverlichtend, eeuwig en onderscheiden; vrij van de geaardheden wordt Hij, met behulp van de geaardheden uit Zichzelf de materiële verschijningsvormen als hun producten geschapen hebbend, gezien als veelvormig. (Vedabase)
Het is als met de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde die - een enkel element zijnde - afhankelijk van waar ze zich bevinden, in hun voortbrengselen, of ze nu gemanifesteerd of niet gemanifesteerd zijn, klein dan wel groot, zich vertonen als een veelvoud [zie ook B.G. 13: 31].'
Het is als met de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde die - één zijnde - afhankelijk van waar ze zich bevinden, in hun voortbrengselen, gemanifesteerd of niet gemanifesteerd, klein dan wel groot, zich voordoen als zijnde velen [zie ook B.G. 13: 31].' (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Vasudeva die op die manier werd toegesproken door de Allerhoogste Heer, o Koning, raakte bevrijd van zijn denken in tegenstellingen en werd, innerlijk voldaan, stil.
S'rî S'uka zei: 'Van Vasudeva aldus aangesproken door de Allerhoogste Heer, o Koning, was het denken in tegenstellingen vernietigd en was hij, innerlijk voldaan, stil. (Vedabase)
Toen op die plaats, o beste der Kuru's, verzocht duidelijk en helder Devakî, de aanbiddelijke godin van een ieder die tot haar grote verbazing had vernomen van [het terughalen van] de zoon van Hun goeroe [10.45], Krishna en Râma om haar eigen zoons die door Kamsa waren vermoord terug te brengen; en terugblikkend bij die gedachten was ze verdrietig en sprak ze innerlijk verscheurd met tranen in haar ogen.
Toen op die plaats, o beste der Kuru's, vroeg duidelijk en helder Devakî, de aanbiddelijke godin van een ieder, aan Krishna en Râma, daar ze tot haar grote verbazing had gehoord van [Hun terughalen van] de zoon van Hun goeroe [10.45], om haar eigen zoons vermoord door Kamsa terug te brengen; bij de gedachte waarvan ze verdrietig terugkijkend, innerlijk verscheurd sprak met tranen in haar ogen. (Vedabase)
S'rî Devakî zei: 'Râma, o Râma, o Onpeilbare Ziel; o Krishna, Leraar der Yogaleraren, ik weet dat Jullie beiden de Oorspronkelijke Persoonlijkheden zijn, de Meesters van de Scheppers van het Universum [zie ook catur-vyûha].
S'rî Devakî zei: 'Râma, o Râma, o Onpeilbare Ziel; o Krishna, Meester van de Yogameesters, ik weet dat Jullie beiden de Oorspronkelijke Persoonlijkheden zijn, de Heren van de Scheppers van het Universum [zie ook catur-vyûha]. (Vedabase)
Jullie zijn nu uit mij geboren nedergedaald vanwege de koningen die, in weerwil van de geschriften levend en met hun goede eigenschappen vernietigd door de tijd [van Kali-yuga], een overlast voor de wereld werden.
Jullie zijn nu daadwerkelijk nedergedaald tot mij terwille van de koningen die, buiten de geschriften om levend met hun goede eigenschappen vernietigd door de tijd [van Kali-yuga], een overlast voor de wereld werden. (Vedabase)
O Ziel van Allen der Schepping, vandaag kwam ik voor mijn beschutting naar Hem toe, naar Jou, die door een gedeeltelijke expansie [de geaardheden] van een expansie [de materiële energie] van een expansie [Nârâyana] aanleiding geeft tot het voortbrengen, gedijen en weer teloorgaan van het universum [zie ook 2.5].
O Zielen van Allen die er Zijn, vandaag kwam ik voor beschutting naar Hem, Jij, die door een gedeeltelijke expansie [de geaardheden] van een expansie [de materiële energie] van een expansie [Nârâyana] aanleiding geeft tot het voortbrengen, gedijen en weer opgaan van het universum [zie ook 2.5]. (Vedabase)
Er word beweerd dat Jullie, die van Je goeroe de opdracht kregen zijn reeds lang geleden gestorven zoon terug te halen, hem vanuit het bereik van de voorvaderen weer terughaalden als een gift uit dankbaarheid voor Jullie geestelijk leraar. AlsJeblieft, o Jullie twee Meesters van de Yogameesters, beantwoordt op dezelfde manier aan mijn verlangen: ik zou graag mijn zoons teruggebracht zien die door Kamsa ter dood werden gebracht [zie 10.4].'
Er word gezegd dat, door Jullie goeroe opgedragen om zijn reeds lang geleden gestorven zoon terug te halen, Jullie hem van de plaats der voorvaderen terugbrachten naar Jullie geestelijk leraar als een gift uit dankbaarheid voor de leraar. AlsJeblieft, o Jullie twee Meesters van de Yogameesters, beantwoordt op dezelfde manier aan mijn verlangen: ik zou graag mijn zoons teruggebracht zien die door Kamsa ter dood werden gebracht' [zie 10.4]. (Vedabase)
De rishi [S'uka] zei: 'Aldus ertoe verzocht door Hun moeder, o afstammeling van Bharata gingen Râma en Krishna met gebruik van Hun inwendig vermogen de lagere wereld van Sutala binnen [zie 5.24: 18].
De rishi [S'uka] zei: 'Aldus ertoe verzocht door hun moeder, o afstammeling van Bharata gingen Râma en Krishna met gebruik van hun inwendig vermogen de lagere wereld van Sûtala binnen [zie 5.24: 18]. (Vedabase)
Daar binnentredend stond de daitya koning [Bali] meteen op om tezamen met zijn hofhouding voor Hen te buigen. Hij was overmand door de vreugde Hen te zien, de Opperziel en Godheid van het Universum die zijn favoriete goddelijkheid van aanbidding vormden.
Daar binnentredend stond de daityakoning [Bali] meteen op om tezamen met zijn hofhouding voor Hen te buigen, overmand door vreugde als hij was Hen te zien, de Opperziel en Godheid van het Universum en in het bijzonder van hem. (Vedabase)
Koninklijke zetels voor Ze halend, was hij, toen Ze waren gezeten, er gelukkig mee de twee Grote Zielen Hun voeten te wassen, en daarvan nam hij samen met zijn volgelingen het water [op hun hoofden] dat zuiverde tot aan Brahmâ toe.
Koninklijke zetels voor ze halend, was hij, toen ze neerzaten, er gelukkig mee om, van Hen twee Grote Zielen, de voeten te wassen, waarvan hij tezamen met zijn volgelingen tot aan Brahmâ het zuiverende water [op hun hoofden] namen. (Vedabase)
Hij, van aanbidding met al de weelde die hij en zijn familie bezaten, bood Hen aldus de meest kostbare rijkdommen, kleding, sierselen, geurige smeersels, betelnoot, lampen, nectargelijk voedsel en zo meer [*].
Hij, met het offeren van de weelde die van hem en zijn familie was, aanbad Hen aldus met de meest kostbare rijkdommen, kleding, sierselen, geurige smeersels, betelnoot, lampen, nectargelijk voedsel en zo meer [*]. (Vedabase)
Hij die Indra had overwonnen [zie 8.15] sprak, telkens weer opnieuw de voeten van de Opperheer vastgrijpend, met een hart vertederd van liefde, met tranen in zijn ogen van de vervoering en zijn haren overeind, o Koning, toen met een verstikte stem.
Hij die Indra had overwonnen [zie 8.15], telkens weer opnieuw de voeten van de Opperheer vastgrijpend, sprak, met een hart vertederd van liefde, tranen in zijn ogen van de vervoering en zijn haren overeind, o Koning, met zijn woorden gesmoord. (Vedabase)
Bali zei: 'Mijn eerbetoon voor Ananta, het Grootste Wezen; mijn eerbetuigingen voor Krishna, de Absolute Waarheid, de Superziel, de Verbreider en Schepper van de analytische kennis [sânkhya, zie 3.25-32] en de wetenschap van de [bhakti-]yoga.
Bali zei: 'Mijn eerbetoon voor Ananta, het Grootste Wezen; mijn eerbetuigingen voor Krishna, de Absolute Waarheid, de Superziel, de Verbreider en Schepper van de analytische kennis [sânkhya, zie 3.25-32] en de wetenschap van de [bhakti-]yoga. (Vedabase)
U voor ogen hebben is inderdaad iets dat, hoewel door de levende wezens zelden bereikt, niettemin nog steeds voor mensen als wij, die van nature in de hartstocht en de onwetendheid verkeren, niet moeilijk voor elkaar te krijgen is met de inspanning die U zich getroost om ons op Uw eigen initiatief te bereiken [zie B.G. 3: 21-23].
U voor ogen hebben is inderdaad iets dat, hoewel door de levende wezens zelden bereikt, niettemin nog steeds voor mensen als wij, die van nature in de hartstocht en de onwetendheid verkeren, niet moeilijk voor elkaar te krijgen is met U zich inspannend ons op eigen initiatief te bereiken [zie B.G. 3: 21-23]. (Vedabase)
De zonen van Diti en Dânu, de zangers van de hemel, de vervolmaakten, de wetenschappers, de eerbiedwaardigen, de schatbewaarders, de wilden, de vleeseters en de paranormalen, de mystici, de politici, wij en anderen zoals zij, voelen ons tot Je aangetrokken ondanks het feit dat we voortdurend ons verbijten in een zekere rancune tegen de Rechtstreekse Belichaming van de Zuivere Goedheid in de goddelijke gedaante van de geopenbaarde geschriften; sommigen zijn bijzonder obstinaat met hatelijkheid, sommigen zijn van toewijding met nevenmotieven, terwijl de verlichte zielen en de rest die zich verlustigt in de goedheid, zich in het geheel niet zo aangetrokken voelen [vergelijk: het âtmârâma-vers 1.7:10].
De zonen van Diti en Dânu, de zangers van de hemel, de vervolmaakten, de wetenschappers, de eerbiedwaardigen, de schatbewaarders, de wilden, de vleeseters en de paranormalen, de mystici, de politici, wij en anderen zoals zij, zijn voortdurend gefixeerd met een zekere rancune jegens de Rechtstreekse Belichaming van de Zuivere Goedheid wiens goddelijke gedaante de geopenbaarde geschriften omvat; sommigen zijn bijzonder obstinaat met hatelijkheid, sommigen zijn van toewijding met nevenmotieven, terwijl de verlichte zielen en de rest, verzot in de goedheid, niet zo aangetrokken zijn [en toch weer wel, vergelijk: het atmarâma-vers 1.7: 1]. (Vedabase)
O Man der Beheersing, als zelfs niet de meesters van de begoochelende macht van Uw yoga kennen die hoofdzakelijk in dit soort termen [van het svarûpa en vis'esha identiteitsspel] wordt gekenschetst, wat houdt dat dan wel niet voor ons in?
O Beheerser, als zelfs niet de meesters van de yoga Uw begoochelende yoga kennen die merendeels in dit soort termen [van het svarûpa en vis'esha identiteitsspel] wordt gekenschetst, wat houdt dat dan wel niet voor ons in? (Vedabase)
Daarom, o toevlucht van de lotusvoeten waar de onzelfzuchtigen hun geest op richten, heb genade met me en leidt me weg uit de donkere put van het huishoudelijk bestaan, zodat ik in vrede alleen moge rondtrekken of dat anders samen kan doen met de vrienden van allen [de heiligen, toegewijden, Vaishnava's, wensbomen] die een ieder in de wereld behulpzaam zijn en aan wiens voeten men kan vinden wat men in het leven nodig heeft [de 'vritti'].
Daarom, o toevlucht van de lotusvoeten waar de onzelfzuchtigen naar op zoek zijn, heb genade met ons en leidt ons weg uit de donkere put van het huishoudelijk bestaan, zodat ik in vrede alleen moge rondtrekken of anders tezamen met de vrienden van allen [de heiligen, toegewijden, vaishnava's, wensbomen] een ieder in de wereld behulpzaam, aan wiens voeten het onderhoud [de 'vritti'] wordt verkregen. (Vedabase)
AlstUblieft geef ons leiding o beheerser van hen die beheerst zijn, maak ons zondeloos o Meester, maak van ons een persoon die met geloof tewerkgaand vrijkomt van [schriftuurlijke] fixaties.'
AlstUblieft geef ons leiding o beheerser van hen die beheerst zijn, maak ons zondeloos o Meester, maak van ons een persoon die met geloof te werk gaand vrij komt van [schriftuurlijke] fixaties.' (Vedabase)
De Opperheer zei: 'Eens, ten tijde van de eerste Manu, waren er van Marîci zes zonen geboren uit Ûrnâ, halfgoden, die lachten toen ze zagen dat hij die van de liefde is ['kam', of Brahmâ in dit geval] wilde copuleren met zijn dochter [genaamd Vâk, zie 3.12: 28-35, vergelijk 3.20: 23].
De Opperheer zei: 'Eens, ten tijde van de eerste Manu, waren er van Marîci zes zonen geboren uit Ûrnâ, halfgoden, die lachten bij het zien van het ja [van 'kam', of Brahmâ in dit geval] ter voorbereiding van het copuleren met een dochter [genaamd Vâk, zie 3.12: 28-35, vergelijk 3.20: 23]. (Vedabase)
Vanwege die overtreding belandden ze prompt in een baarmoeder waar ze door Hiranyakas'ipu verwekt waren. Ze werden toen door Yogamâyâ overgebracht om geboorte te nemen uit de schoot van Devakî, o Koning, en werden door Kamsa vermoord. Zij weeklaagt over hen als zijnde haar zoons; zij, deze zelfde zoons leven hier nu bij u [zie ook ** en 10.2*].
Daarmee belandden ze, van het onverlichte van de ongepaste daad, prompt in een baarmoeder om van Hiranyakas'ipu geboorte te nemen, waarna zij, door Yogamâyâ overgebracht, geboorte namen uit de schoot van Devakî, o Koning, en door Kamsa werden vermoord. Zij weeklaagt over hen als zijnde haar zoons; zij, deze zelfde zoons leven hier bij u [zie ook ** en 10.2*]. (Vedabase)
We willen ze hier weghalen om een einde te maken aan de droefenis van hun moeder; als daarna de vloek is opgeheven zullen ze bevrijd van de ellende naar hun eigen wereld terugkomen.
We willen ze van hier meenemen om een einde te maken aan de droefenis van hun moeder; daarna zullen ze, met de vloek opgeheven, vrij van de koorts naar hun eigen wereld gaan. (Vedabase)
Bij Mijn genade zullen deze zes - Smara [Kîrtimân, zie 10.1: 57], Udgîtha, Parishvanga, Patanga, Kshudrabhrit en Ghrinî - terugkeren naar de bestemming der geheiligden.'
(51) Bij Mijn genade zullen deze zes - Smara [Kîrtimân, zie 10.1: 57], Udgîtha, Parishvanga, Patanga, Kshudrabhrit en Ghrinî - terugkeren naar de bestemming der geheiligden.'(Vedabase)
Na aldus te hebben gesproken namen Ze, beiden geëerd door Bali, hen mee terug naar Dvârakâ en presenteerden Ze de zoons aan hun moeder.
Aldus sprekend namen Ze, beiden geëerd door Bali, hen mee terug naar Dvârakâ en presenteerden Ze de zoons aan hun moeder. (Vedabase)
Toen de godin de jongens weer zag deed de liefde voor haar zoons haar borsten vloeien. Ze nam ze op haar schoot en omhelsde ze, waarbij ze keer op keer hun hoofden besnuffelde.
Het de jongens weerzien deed de borsten van de godin door de genegenheid voor haar zoons vloeien, en ze op haar schoot nemend omhelsde ze hen, steeds weer hun hoofden beruikend. (Vedabase)
Verbijsterd door Vishnu's begoochelend vermogen als gevolg waarvan de schepping zijn bestaan vindt, liet ze liefdevol haar zoons drinken van haar borsten die nat waren zo gauw ze hen aanraakten.
Verbijsterd door Vishnu's illusiewekkende vermogen waarvan de schepping zijn bestaan vindt, stond ze het haar zoons liefdevol toe van haar borsten nat van hun aanraken te drinken. (Vedabase)
Nadat ze van haar nectargelijke melk hadden gedronken die over was van de melk die de hanteerder van de Knots dronk [voordat Vasudeva Hem naar Gokula droeg], herkregen ze, omdat ze in aanraking kwamen met het lichaam van Nârâyana, het bewustzijn van hun oorspronkelijke zelven. Buigend voor Govinda, Devakî, hun vader en Balarâma gingen ze, voor ogen van iedereen, naar de plaats waar de goden zich ophouden.
Na haar nectargelijke melk gedronken te hebben, die restte van de melk die de hanteerder van de Knots dronk [voordat Vasudeva Hem naar Gokula droeg], herwonnen zij door de aanraking van het lichaam van Nârâyana het zicht op hun oorspronkelijke zelven. Neerbuigend voor Govinda, Devakî, hun vader en Balarâma gingen ze, met alle mensen gadeslaand, naar de plaats waar de goden zich ophouden. (Vedabase)
Met het aanschouwen van dit wederkeren en weer vertrekken van de doden, dacht de goddelijke Devakî in grote verwondering na over de magie zoals die was beschikt door Krishna, o Koning.
Met het aanschouwen van dit wederkeren en weer vertrekken van de doden, dacht de goddelijke Devakî in grote verwondering na over de magie zoals beschikt door Krishna, o Koning. (Vedabase)
Van Krishna, de Opperziel die onbegrensd is in Zijn heldenmoed, bestaan er eindeloos veel heldendaden als deze, o nazaat van Bharata.'
Van Krishna, de Opperziel onbegrensd in Zijn heldenmoed, bestaan er een talloos aantal heldendaden als deze, o nazaat van Bharata.' (Vedabase)
S'rî Sûta zei [te Naimishâranya, 1.1: 4]: "Wie ook die, zoals beschreven door Vyâsa's gerespecteerde zoon, devoot luistert naar of vertelt over deze wederwaardigheid van Murâri aan wiens glorie geen grenzen gesteld zijn, zal, met deze ware verrukking voor de oren van Zijn toegewijden die de zonden van het levend wezen totaal uitbant, met het vestigen van zijn geest op de Allerhoogste Heer, naar Zijn aan alle zegeningen rijke hemelse verblijfplaats gaan."
S'rî Sûta zei [te Naimishâranya, 1.1: 4]: "Wie ook die, zoals beschreven door Vyâsa's gerespecteerde zoon, devoot luistert naar of vertelt over deze wederwaardigheid van Murâri aan wiens glorie geen grenzen gesteld zijn, zal, met deze ware verrukking voor de oren van Zijn toegewijden die de zonden van het levend wezen totaal uitbant, met het vestigen van zijn geest op de Allerhoogste Heer, naar Zijn aan alle zegeningen rijke hemelse verblijfplaats gaan." (Vedabase)
* De paramparâ voegt hier aan toe dat er negen standaardprocessen van toegewijde dienst zijn zoals Prahlâda dat aangeeft in 7.5: 23-24, en dat de laatste, âtma-samarpanam, het overdragen van je rijkdom zoals voorgeleefd door Bali Mahârâja ter wille van de âtma-nivedanam van zelfcommunicatie met de Heer, de culminatie is waar ieder ondernemen op uit zou moeten zijn. Als men poogt de Heer onder de indruk te brengen met rijkdom, macht, intelligentie enzovoorts maar er niet in slaagt zichzelf nederig te begrijpen als zijnde Zijn dienaar, is iemands zogenaamde toewijding slechts een aanmatigende vertoning. De paramparâ waarschuwt hier aldus tegen de valse religie van pompeuze ceremoniën zonder achting voor het zich terugtrekken in de yoga als met Daksha in 4.2. Zie ook B.G 2: 42-43.
** De paramparâ legt met de âcârya's S'rîdhara Svâmî en Vis'vanâtha Cakravartî uit dat na het van Hiranyakas'ipu wegnemen van Marîci's zes zoons, Heer Krishna's Yogamâyâ ze eerst deed belanden in nog een extra leven als de kinderen van een andere grote demon, Kâlanemi [de voorgaande incarnatie van Kamsa, zie 10.1: 68], en toen bracht ze ze tenslotte over naar de schoot van Devakî. Zie voor het volledige verhaal voetnoot 10.1***.
Voor
deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van
Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn
vertaling van het Bhâgavatam.
Zie
de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina.
Het schilderij op deze pagina is van B.K. Mitra.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd.