
Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):
Mahârâja
Parîkshit Passes Away
Tekst
1:
S'rî
Sûta zei: "Toen Mahârâja Parîkchit, hij
die beschermd wordt door Vishnu, hoorde wat er door de wijze,
de gelijkgezinde ziener van de Opperziel, de zoon van
Vyâsa, was gezegd, naderde hij zijn lotusvoeten, boog hij
zijn hoofd voorover en zei hij tot hem met gevouwen handen het
volgende.
Sûta
Gosvâmî said: After hearing all that was
narrated to him by the self-realized and equipoised
S'ukadeva, the son of Vyâsadeva, Mahârâja
Parîkshit humbly approached his lotus feet. Bowing his
head down upon the sage's feet, the King, who had lived his
entire life under the protection of Lord Vishnu, folded his
hands in supplication and spoke as follows.
Tekst
2:
De koning zei:
'Met de grote genade getoond door uwe goedheid heb ik de
perfectie bereikt, omdat een mededogende ziel als u
rechtstreeks voor mij de Heer Zonder een Begin en een Einde
heeft beschreven.
Mahârâja
Parîkshit said: I have now achieved the purpose of my
life, because a great and merciful soul like you has shown
such kindness to me. You have personally spoken to me this
narration of the Supreme Personality of Godhead, Hari, who
is without beginning or end.
Tekst
3
Ik zie het in
het geheel niet als iets verrassends voor grote zielen om
verzonken in de Onfeilbare van genade te zijn voor de onwetende
geconditioneerde zielen gekweld door leed.
I
do not consider it at all amazing that great souls such as
yourself, whose minds are always absorbed in the infallible
Personality of Godhead, show mercy to the foolish
conditioned souls, tormented as we are by the problems of
material life.
Tekst
4
Wij
[alzo] vernamen van u deze verzameling van klassieke
verhalen waarin inderdaad de Allerhoogste Heer
Uttamas'loka
naar behoren wordt beschreven [*].
I
have heard from you this S'rîmad-Bhâgavatam,
which is the perfect summary of all the Purânas and
which perfectly describes the Supreme Lord,
Uttamahs'loka.
Tekst
5
Mijn Heer, ik
vrees Takshaka niet of enig ander levend wezen, noch ben ik
bang voor een herhaald sterven; Ik ben de Geest van het
Absolute binnengegaan onthuld door u als, exclusief aan al het
materiële, zijnde vrij van angst.
My
lord, I now have no fear of Takshaka or any other living
being, or even of repeated deaths, because I have absorbed
myself in that purely spiritual Absolute Truth, which you
have revealed and which destroys all fear.
Tekst
6
Sta het me
alstublieft toe, o brahmaan, om mijn spraak [en andere
zintuiglijke functies] te offeren aan Adhokshaja
zodat, met het verzinken van mijn geest na het hebben opgegeven
van alle lustige verlangens, ik mijn levensadem kan
opgeven.
O
brâhmana, please give me permission to resign my
speech and the functions of all my senses unto Lord
Adhokshaja. Allow me to absorb my mind, purified of lusty
desires, within Him and to thus give up my life.
Tekst
7
Met behulp van
u die de alleszins gunstige allerhoogste toevlucht toonde van
de Allerhoogste Heer, heb ik me kunnen concentreren in de
onstoffelijke kennis en wijsheid en is mijn onwetendheid
uitgebannen'."
You
have revealed to me that which is most auspicious, the
supreme personal feature of the Lord. I am now fixed in
knowledge and self-realization, and my ignorance has been
eradicated.
Tekst
8
Sûta zei:
"Aldus aangesproken verleende de machtige heilige, de zoon van
Vyâsa, hem toestemming en ging hij heen, aanbeden door
die god onder de mensen en door de verzaakte wijzen.
Sûta
Gosvâmî said: Thus requested, the saintly son of
S'rîla Vyâsadeva gave his permission to King
Parîkshit. Then, after being worshiped by the King and
all the sages present, S'ukadeva departed from that
place.
Tekst
9-10
Parîkchit,
de geheiligde koning, hem na, richtte met de macht van de rede
zijn geest naar zijn ziel en mediteerde op de Allerhoogste met
zijn lucht zo bewegingloos als een boom. Zittend op
darbha
gras naar het oosten gelegd op de oever van de Ganges brak de
grote yogî, met het gezicht naar het noorden, in het
volmaakte besef van God met alle twijfels.
Mahârâja
Parîkshit then sat down on the bank of the Ganges,
upon a seat made of darbha grass with the tips of its stalks
facing east, and turned himself toward the north. Having
attained the perfection of yoga, he experienced full
self-realization and was free of material attachment and
doubt. The saintly King settled his mind within his
spiritual self by pure intelligence and proceeded to
meditate upon the Supreme Absolute Truth. His life air
ceased to move, and he became as stationary as a
tree.
Tekst
11
Beste
geleerden, Takshaka, gestuurd door de kwaad geworden zoon van
[Samika] de tweemaal geborene, zag, toen hij met de
wens de koning te doden zich op weg begaf, Kas'yapa Muni
[zie 1.18].
O
learned brâhmanas, the snake-bird Takshaka, who had
been sent by the angry son of a brâhmana, was going
toward the King to kill him when he saw Kas'yapa Muni on the
path.
Tekst
12
Hij zorgde
ervoor dat hij, een deskundige op het gebied van het bestrijden
van vergif, door hem tevreden te stellen met kostbaarheden,
terug ging waarop hij, die elke gedaante kon aannemen die hij
maar wenste, zich vermomde als een brahmaan en de koning beet.
(
Takshaka
flattered Kas'yapa by presenting him with valuable offerings
and thereby stopped the sage, who was expert in
counteracting poison, from protecting Mahârâja
Parîkshit. Then the snakebird, who could assume any
form he wished, disguised himself as a brâhmana,
approached the King and bit him.
Tekst
13
Met alle
belichaamde zielen toekijkend veranderde, verteerd door het
vuur van het slangengif, het lichaam van de volledig
zelfverwerkelijkte heilige onder de koningen terstond tot
as.
While
living beings all over the universe looked on, the body of
the great self-realized saint among kings was immediately
burned to ashes by the fire of the snake's poison.
Tekst
14
Er deed zich
een luide jammerroep voor uit alle richtingen van de aarde en
de hemel met de ontzetting van vrijwel al de halfgoden,
demonen, menselijke wezens en andere schepselen.
There
arose a terrible cry of lamentation in all directions on the
earth and in the heavens, and all the demigods, demons,
human beings and other creatures were astonished.
Tekst
15
De godbewusten
lieten pauken klinken, de Gandharva's
en Apsara's
zongen en deden een regen van bloemen neerdalen en de wijzen
spraken woorden van lof.
Kettledrums
sounded in the regions of the demigods, and the celestial
Gandharvas and Apsarâs sang. The demigods showered
flowers and spoke words of praise.
Tekst
16
Toen Janamejaya
hoorde dat zijn vader door Takshaka was gebeten, offerde hij in
woede ontstoken in reactie daarop samen met de tweemaal
geborenen de slangen [van de hele wereld] als
offergaven in een grote offerplechtigheid.
Hearing
that his father had been fatally bitten by the snakebird,
Mahârâja Janamejaya became extremely angry and
had brâhmanas perform a mighty sacrifice in which he
offered all the snakes in the world into the sacrificial
fire.
Tekst
17
Takshaka die
zag hoe de grote serpenten werden verbrand in het laaiende vuur
van het slangenoffer, ging zeer verstoord door de angst naar
Indra om bij hem zijn toevlucht te zoeken.
When
Takshaka saw even the most powerful serpents being burned in
the blazing fire of that snake sacrifice, he was overwhelmed
with fear and approached Lord Indra for shelter.
Tekst
18
Koning
Janamejaya die Takshaka er niet bij zag zei tot de brahmanen:
'waarom is Takshaka, de laagste van alle serpenten, niet
verbrand?'
When
King Janamejaya did not see Takshaka entering his
sacrificial fire, he said to the brâhmanas: Why is not
Takshaka, the lowest of all serpents, burning in this
fire?
Tekst
19
[Ze
antwoordden:] 'O beste der koningen, hij heeft zijn
toevlucht genomen tot Indra en door hem behouden is de slang
aldus niet in het vuur beland.'
The
brâhmanas replied: O best of kings, the snake Takshaka
has not fallen into the fire because he is being protected
by Indra, whom he has approached for shelter. Indra is
holding him back from the fire.
Tekst
20
De machtig
intelligente zoon van Parîkchit die deze woorden hoorde
gaf de priesters ten antwoord: 'O geleerden, waarom werpen we
dan niet Takshaka samen met Indra in het vuur?'
The
intelligent King Janamejaya, hearing these words, replied to
the priests: Then, my dear brâhmanas, why not make
Takshaka fall into the fire, along with his protector,
Indra?
Tekst
21
Toen zij dat
hoorden volbrachten de geleerden het ritueel om Takshaka samen
met Indra te offeren: 'O Takshaka, moge je snel in het vuur
hier vallen samen met Indra en zijn schare halfgoden'.
Hearing
this, the priests then chanted this mantra for offering
Takshaka together with Indra as an oblation into the
sacrificial fire: O Takshaka, fall immediately into this
fire, together with Indra and his entire host of
demigods!
Tekst
22
Indra samen met
Takshaka en zijn vimâna
werd met een geest niet meer rustig door de beledigende woorden
aldus uitgesproken door de brahmanen uit zijn positie
geworpen.
When
Lord Indra, along with his airplane and Takshaka, was
suddenly thrown from his position by these insulting words
of the brâhmanas, he became very disturbed.
Tekst
23
Toen
Brihaspati
hem met Takshaka in zijn vimâna uit de hemel naar beneden
zag vallen, richtte de zoon van Angirâ
zich tot de koning:
Brihaspati,
the son of Angirâ Muni, seeing Indra falling from the
sky in his airplane along with Takshaka, approached King
Janamejaya and spoke to him as follows.
Tekst
24
'Deze
slangenvogel verdient het niet door u te worden gedood, o grote
heerser der mensen; door hem, de koning der slangen, werd de
nectar van de goden gedronken en derhalve is hij, zonder
twijfel vrij van ouderdom, praktisch
onsterfelijk!
O
King among men, it is not fitting that this king of snakes
meet death at your hands, for he has drunk the nectar of the
immortal demigods. Consequently he is not subject to the
ordinary symptoms of old age and death.
Tekst
25
Het leven en de
dood van een levend wezen en zijn bestemming in zijn volgende
leven o Koning, zijn enkel het resultaat van zijn karma; voor
hem is er geen andere instantie dan deze die hem geluk en
ongeluk verschaft.
The
life and death of an embodied soul and his destination in
the next life are all caused by himself through his own
activity. Therefore, O King, no other agent is actually
responsible for creating one's happiness and
distress.
Tekst
26
Iemand die
geboren werd kan de dood vinden door slangen, dieven, vuur en
bliksem, honger, dorst, ziekte en andere instanties o Koning,
maar hij ondergaat met dat alles de terugslagen op de dingen
die hij deed in het verleden.
When
a conditioned soul is killed by snakes, thieves, fire,
lightning, hunger, disease or anything else, he is
experiencing the reaction to his own past work.
Tekst
27
Daarom o Koning
moet met dit offer, uitgevoerd met de bedoeling om de slangen
geweld aan te doen, worden gestopt; met de onschuldigen
verbrand zullen inderdaad personen voor die gelasting moeten
boeten' [zie ook de Mahâbhârata
1.43]."
Therefore,
my dear King, please stop this sacrificial performance,
which was initiated with the intent of doing harm to others.
Many innocent snakes have already been burned to death.
Indeed, all persons must suffer the unforeseen consequences
of their past activities.
Tekst
28
Sûta zei:
"Aldus toegesproken zei hij met respect voor de woorden van de
grote wijze: 'Zo zij het!', en een einde makend aan het
slangenoffer vereerde hij de heer der welsprekendheid
[Brihaspati].
Sûta
Gosvâmî continued: Advised in this manner,
Mahârâja Janamejaya replied, "So be it."
Honoring the words of the great sage, he desisted from
performing the snake sacrifice and worshiped Brihaspati, the
most eloquent of sages.
Tekst
29
Deze zelfde
mahâmâyâ
van Vishnu kan niet worden tegengehouden of geminacht door hen
die als deel-en-een-geheel-vormende geestelijke zielen door Hem
verbijsterd raken vanwege hun gewone lichamelijke functioneren
naar de geaardheden van de natuur.
This
is indeed the Supreme Lord Vishnu's illusory energy, which
is unstoppable and difficult to perceive. Although the
individual spirit souls are part and parcel of the Lord,
through the influence of this illusory energy they are
bewildered by their identification with various material
bodies.
Tekst
30-31
De zichtbare
begoochelende energie waarin men, de vrede ontberend, denkt
'dat is een bedrieger', zal niet [overwegen] als men
constant van onderzoek is naar de aard van de ziel - in dat
waarvan de transcendentalisten spreken is men niet van
materialistische argumenten die vele vormen aannemen of van de
geest met zijn functies van beslissingen en twijfels daarop
gebaseerd. Daarin is het levende wezen niet van wereldse zaken,
hun oorzaken en de voordelen door hen behaald, noch van het
ik-besef dat zo sterk is in het verbonden zijn met de
geaardheden hetgeen daar uitgesloten is; een wijze behoort er
inderdaad behagen in te scheppen zich verre te houden van de
golven van de wereldse conditioneringen en van hen die aldus
verstrikt zijn [zie ook b.v. 6.4:
31-32].
But
there exists a supreme reality, in which the illusory energy
cannot fearlessly dominate, thinking, "I can control this
person because he is deceitful." In that highest reality
there are no illusory argumentative philosophies. Rather,
there the true students of spiritual science constantly
engage in authorized spiritual investigation. In that
supreme reality there is no manifestation of the material
mind, which functions in terms of alternating decision and
doubt. Created material products, their subtle causes and
the goals of enjoyment attained by their utilization do not
exist there. Furthermore, in that supreme reality there is
no conditioned spirit, covered by false ego and the three
modes of nature. That reality excludes everything limited or
limiting. One who is wise should therefore stop the waves of
material life and enjoy within that Supreme Truth.
Tekst
32
De allerhoogste
toevlucht van Heer Vishnu wordt door hen die verlangen het op
te geven omschreven als dat wat 'noch dit, noch dat' is
[zie ook neti
neti]; en
zo wijzen zij, met hun emoties nergens anders op gericht, het
kleinzielige materialisme af in het in hun harten omarmen van
het 'niet-dat' [de Ziel, Hem] waaraan zij die verzonken
zijn vasthouden.
Those
who desire to give up all that is not essentially real move
systematically, by negative discrimination of the
extraneous, to the supreme position of Lord Vishnu. Giving
up petty materialism, they offer their love exclusively to
the Absolute Truth within their hearts and embrace that
highest truth in fixed meditation.
Tekst
33
Zij voor wie er
niet de corruptie is van het 'ik' en 'mijn' gebaseerd op een
huis en een lijf, komen aldus dan dit te weten wat het
allerhoogste verblijf van Vishnu vormt.
Such
devotees come to understand the supreme transcendental
situation of the Personality of Godhead, Lord Vishnu,
because they are no longer polluted by the concepts of "I"
and "my," which are based on body and home.
Tekst
34
Beledigende
woorden moet men [zo] verdragen, men moet nooit enig
iemand minachten noch moet men zich identificeren met dit
materiële lichaam of wrok koesteren jegens wie dan ook.
(
One
should tolerate all insults and never fail to show proper
respect to any person. Avoiding identification with the
material body, one should not create enmity with
anyone.
Tekst
35
Ik biedt Hem
mijn eerbetuigingen, de Allerhoogste Persoonlijkheid S'rî
Krishna, wiens macht nimmer overschaduwd wordt en op wiens
lotusvoeten mediterend ik mij deze verzameling van wijsheden
[samhitâ]
heb eigen gemaakt '."
I
offer my obeisances to the Supreme Personality of Godhead,
the invincible Lord S'rî Krishna. Simply by meditating
upon His lotus feet I have been able to study and appreciate
this great literature.
Tekst
36
S'rî
S'aunaka zei: "Alstublieft, zeg ons dit: hoe spraken Paila en
de andere hoogst intelligente discipelen van Vyâsa die
het vedische gezag vormen, over de Veda's en hoe verdeelden ze
ze?"
S'aunaka
Rishi said: O gentle Sûta, please narrate to us how
Paila and the other greatly intelligent disciples of
S'rîla Vyâsadeva, who are known as the standard
authorities of Vedic wisdom, spoke and edited the
Vedas.
Tekst
37
Sûta zei:
"O brahmaan, binnen in het hart van heer Brahmâ, het
meest verheven levende wezen, werd, samengesteld uit geest het
functioneren van de oren stoppend, het subtiele bovenzinnelijke
geluid [van ta-pa, 2.9:
6]
waargenomen dat oprees vanuit de ether [zie ook
s'abda].
Sûta
Gosvâmî said: O brâhmana, first the subtle
vibration of transcendental sound appeared from the sky of
the heart of the most elevated Lord Brahmâ, whose mind
was perfectly fixed in spiritual realization. One can
perceive this subtle vibration when one stops all external
hearing.
Tekst
38
Door het
aanbidden ervan, o brahmaan, zuiveren yogî's uit het hart
de besmetting weg die bekend staat als de substantie, de
handeling en de doener [**]
en bereiken ze het vrij zijn van herboren worden.
By
worship of this subtle form of the Vedas, O brâhmana,
mystic sages cleanse their hearts of all contamination
caused by impurity of substance, activity and doer, and thus
they attain freedom from repeated birth and death.
Tekst
39
Daarvan vond de
drieledige omkâra
zijn bestaan welke, ongezien van invloed zich manifesterend, de
representatie vormt van de Opperheer [bhagavân],
van de Absolute Waarheid [brahman] en van de Superziel
[paramâtmâ, zie ook 1.2:
11, B.G.
7:
8].
From
that transcendental subtle vibration arose the omkâra
composed of three sounds. The omkâra has unseen
potencies and manifests automatically within a purified
heart. It is the representation of the Absolute Truth in all
three of His phases-the Supreme Personality, the Supreme
Soul and the supreme impersonal truth.
Tekst
40-41
Hij [het
Allerhoogste Zelf] verneemt dit ongemanifesteerde, subtiele
geluid met [zelfs] de gehoorzin slapend en de macht van
het zien afwezig; daarvan wordt, zich ontwikkelend vanuit de
ziel en zich manifesterend in de ether, alles wat vedisch
gezegd wordt voortgebracht. Van het uit zichzelf voortkomende
brahman en het paramâtmâ is dit de rechtstreekse
uitdrukking, het is het eeuwige zaad van de Veda's dat het
geheim vormt van alle mantra's [zie ook
7.15:
31,
9.14:
48,
11.14:
34-35,
11.21:
36-40].
This
omkâra, ultimately nonmaterial and imperceptible, is
heard by the Supersoul without His possessing material ears
or any other material senses. The entire expanse of Vedic
sound is elaborated from omkâra, which appears from
the soul, within the sky of the heart. It is the direct
designation of the self-originating Absolute Truth, the
Supersoul, and is the secret essence and eternal seed of all
Vedic hymns.
Tekst
42
O eminentie van
Bhrigu, inderdaad daarvan vonden de drie klanken [A, U en
M] van het alfabet beginnende met de A hun bestaan, die de
drievoudige aspecten schragen van het materiële bestaan
van de guna's,
de namen [van de drie Veda's],
de doelen [de drie soorten van loka's]
en de staten van bewustzijn [avasthâtraya].
Omkâra
exhibited the three original sounds of the alphabet-A, U and
M. These three, O most eminent descendant of Bhrigu, sustain
all the different threefold aspects of material existence,
including the three modes of nature, the names of the Rig,
Yajur and Sâma Vedas, the goals known as the
Bhûr, Bhuvar and Svar planetary systems, and the three
functional platforms called waking consciousness, sleep and
deep sleep.
Tekst
43
De machtige
ongeboren heer [Brahmâ] schiep er de
verschillende geluiden uit van de gehele verzameling van
klinkers, sisklanken, semi-vocalen, en medeklinkers zoals men
ze kent in hun lange en korte maten.
From
that omkâra Lord Brahmâ created all the sounds
of the alphabet-the vowels, consonants, semivowels,
sibilants and others-distinguished by such features as long
and short measure.
Tekst
44
Met hen schiep
hij, de almachtige, naar zijn omkâra tezamen met zijn
vyâhriti aanheffingen [van de namen van de
zeven loka's],
uit zijn vier monden de vier Veda's naar zijn bedoeling de vier
offerplechtigheden onder woorden te brengen [zie
ritvik].
All-powerful
Brahmâ made use of this collection of sounds to
produce from his four faces the four Vedas, which appeared
together with the sacred omkâra and the seven
vyâhriti invocations. His intention was to propagate
the process of Vedic sacrifice according to the different
functions performed by the priests of each of the four
Vedas.
Tekst
45
Hij onderwees
ze aan zijn zoons, de grote rishi's
onder de brahmanen die hoogst bedreven zijn in de kunst van de
vedische recitatie, en zij op hun beurt gaven ze door aan hun
eigen zoons als hun leraren van het dharma
[âcârya's].
Brahmâ
taught these Vedas to his sons, who were great sages among
the brâhmanas and experts in the art of Vedic
recitation. They in turn took the role of
âcâryas and imparted the Vedas to their own
sons.
Tekst
46
Zo werden ze
gedurende al de vier yuga's de een na de ander, generatie op
generatie [in paramparâ]
ontvangen door de discipelen standvastig in hun geloften en
toen aan het einde van dvâpara-yuga
opgedeeld door de vooraanstaande wijzen.
In
this way, throughout the cycles of four ages, generation
aher generation of disciples-all firmly fixed in their
spiritual vows-have received these Vedas by disciplic
succession. At the end of each Dvâpara-yuga the Vedas
are edited into separate divisions by eminent sages.
Tekst
47
Met de
waarneming dat van kâla
minder intelligent en korter van levensduur [de mensen]
hun kracht was afgenomen, deelden de belangrijkste wijzen,
geïnspireerd door de Onfeilbare Heer die Zich in hun
harten bevindt, de Veda's op [zie ook 1.4:
16-18].
Observing
that people in general were diminished in their life span,
strength and intelligence by the influence of time, great
sages took inspiration from the Personality of Godhead
sitting within their hearts and systematically divided the
Vedas.
Tekst
48-49
O brahmaan, in
deze periode [van Manu], verzochten de heersers over de
werelden - Brahmâ en S'iva en anderen - de Allerhoogste
Heer, de Beschermer van het Universum, de principes van de
religie te beschermen. De Heer als een deel [Vishnu]
nederdalend verscheen toen als een deel van Zijn volkomen
expansie [Sankarshana], in de schoot van
Satyavatî als de zoon [genaamd Krishna
Dvaipâyana Vyâsa] van Parâs'ara om de
Veda in vieren op te splitsen.
O
brâhmana, in the present age of Vaivasvata Manu, the
leaders of the universe, led by Brahmâ and S'iva,
requested the Supreme Personality of Godhead, the protector
of all the worlds, to save the principles of religion. O
most fortunate S'aunaka, the almighty Lord, exhibiting a
divine spark of a portion of His plenary portion, then
appeared in the womb of Satyavatî as the son of
Parâs'ara. In this form, named Krishna
Dvaipâyana Vyâsa, he divided the one Veda into
four.
Tekst
50
Hij, deelde net
als met het sorteren van juwelen de verzameling van mantra's op
voorziend in de vier specifieke categorieën van
verzamelingen [of samhitâ's]: de Rig, Atharva,
Yajur en Sâma Veda [zie Veda's].
S'rîla
Vyâsadeva separated the mantras of the Rig, Atharva,
Yajur and Sâma Vedas into four divisions, just as one
sorts out a mixed collection of jewels into piles. Thus he
composed four distinct Vedic literatures.
Tekst
51
Aan de hand van
hen riep hij, de hoogst intelligente en machtige wijze, de een
na de ander vier van zijn leerlingen bij zich om aan ieder van
hen een verzameling over te dragen, o brahmaan.
S'rîla
Vyâsadeva separated the mantras of the Rig, Atharva,
Yajur and Sâma Vedas into four divisions, just as one
sorts out a mixed collection of jewels into piles. Thus he
composed four distinct Vedic literatures.
Tekst
52-53
Hij onderrichte
Paila de eerste verzameling [de Rig Veda] die hij de
Bahvrica noemde ['vele verzen'], voor
Vais'ampâyana sprak hij de verzameling van de Yajur
mantra's uit en die noemde hij Nigada ['het
gereciteerde'], de Sâma mantra's genaamd Chandoga
['de zanger van het metrum'] leerde hij Jaimini, en de
mantra's naar de namen van Atharva en Angirâ
vertrouwde hij zijn geliefde leerling Sumantu toe [zie ook
4.21:
22].
S'rîla
Vyâsadeva taught the first samhitâ, the Rig
Veda, to Paila and gave this collection the name Bahvrica.
To the sage Vais'ampâyana he spoke the collection of
Yajur mantras named Nigada. He taught the Sâma Veda
mantras, designated as the Chandoga-samhitâ, to
Jaimini, and he spoke the Atharva Veda to his dear disciple
Sumantu.
Tekst
54-56
Paila sprak
zijn samhitâ [in tweeën gedeeld] voor
Indrapramiti en Bâshkala en de laatstgenoemde gaf ze
verder door, zijn verzameling in vieren delend, o zoon van
Bhrigu [S'aunaka], aan zijn discipelen Bodhya,
Yâjñavalkya, Parâs'ara en Agnimitra.
Indrapramiti, zelf-beheerst, onderwees zijn verzameling aan de
geschoolde ziener [zijn zoon] Mândûkeya,
wiens discipel Devamitra ze onderrichtte aan Saubhari en
anderen.
After
dividing his samhitâ into two parts, the wise Paila
spoke it to Indrapramiti and Bâshkala. Bâshkala
further divided his collection into four parts, O
Bhârgava, and instructed them to his disciples Bodhya,
Yâjñavalkya, Parâs'ara and Agnimitra.
Indrapramiti, the self-controlled sage, taught his
samhitâ to the learned mystic Mândûkeya,
whose disciple Devamitra later passed down the divisions of
the Rig Veda to Saubhari and others.
Tekst
57
S'âkalya,
zijn zoon, verdeelde zijn verzameling in vijf delen die hij gaf
aan Vâtsya, Mudgala, S'âlîya, Gokhalya en
S'is'ira.
The
son of Mândûkeya, named S'âkalya, divided
his own collection into five, entrusting one subdivision
each to Vâtsya, Mudgala, S'âlîya, Gokhalya
and S'is'ira.
Tekst
58
De wijze
Jâtûkarnya, ook een leerling van hem
[S'âkalya], voegde aan de collectie die hij
ontving een woordenlijst toe toen hij hem doorgaf aan
Balâka, [een tweede] Paila, Jâbâla en
Viraja.
The
sage Jâtûkarnya was also a disciple of
S'âkalya, and after dividing the samhitâ he
received from S'âkalya into three parts, he added a
fourth section, a Vedic glossary. He taught one of these
parts to each of four disciples-Balâka, the second
Paila, Jâbâla and Viraja.
Tekst
59
Bâshkali
[de zoon van Bâshkala] stelde uit al de
verschillende afdelingen [van de Rigveda] de
verzameling genaamd de Vâlakhilya-samhitâ samen
welke aldus daarop werd aangenomen door [de daitya
zonen] Vâlâyani, Bhajya en
Kâs'âra.
Bâshkali
assembled the Vâlakhilya-samhitâ, a collection
from all the branches of the Rig Veda. This collection was
received by Vâlâyani, Bhajya and
Kâs'âra.
Tekst
60
Op deze manier
werden de verzamelingen van deze vele verzen door deze
brahmaanse rishi's in overtuiging [van erfopvolging]
hoog gehouden; als men verneemt over de verdeling van deze
heilige verzen raakt men bevrijd van alle zonden.
Thus
these various samhitâs of the Rig Veda were maintained
through disciplic succession by these saintly
brâhmanas. Simply by hearing of this distribution of
the Vedic hymns, one will be freed from all sins.
Tekst
61
De leerlingen
van Vais'ampâyana ontwikkelden zich tot autoriteiten in
de Atharva Veda en staan bekend als de Caraka's ['de
gezworenen'] omdat ze zich hielden aan strikte geloften om
af te doen met de zonde van hun goeroe van het doden van een
brahmaan.
The
disciples of Vais'ampâyana became authorities in the
Atharva Veda. They were known as the Carakas because they
executed strict vows to free their guru from his sin of
killing a brâhmana.
Tekst
62
Yâjñavalkya,
een van zijn discipelen, had in dezen gezegd: 'O meester, wat
is nu de waarde van de pogingen van deze zwakke makkers? Ik zal
een hoogst moeilijke boetedoening volbrengen!'
Once
Yâjñavalkya, one of the disciples of
Vais'ampâyana, said: O master, how much benefit will
be derived from the feeble endeavors of these weak disciples
of yours? I will personally perform some outstanding
penance.
Tekst
63
Aldus
aangesproken werd zijn geestelijk leraar kwaad en zei: 'Ga weg,
genoeg heb ik van dat beledigen van de geschoolden; geef nu
meteen alles op wat je van me geleerd hebt!'
Addressed
thus, the spiritual master Vais'ampâyana became angry
and said: Go away from here! Enough of you, O disciple who
insults brâhmanas! Furthermore, you must immediately
give back everything I have taught you.
Tekst
64-65
De zoon van
Devarâta hoestte toen de verzamelde Yajur mantra's op en
vertrok van daar. De wijzen die begeertig keken naar deze Yajur
mantra's, raapten ze, veranderend in patrijzen, op; aldus
raakten deze gedeelten van de Yayur-veda bekend als de
allerprachtigste Taittirîya-samhitâ ['de
patrijzen-verzameling'].
Yâjñavalkya,
the son of Devarâta, then vomited the mantras of the
Yajur Veda and went away from there. The assembled
disciples, looking greedily upon these yajur hymns, assumed
the form of partridges and picked them all up. These
divisions of the Yajur Veda therefore became known as the
most beautiful Taittirîya-samhitâ, the hymns
collected by partridges [tittirâh].
Tekst
66
O brahmaan,
Yâjñavalkya, die daarop naar aanvullende mantra's
zocht die zelfs zijn geestelijk leraar niet bekend waren, droeg
met zorg gebeden op aan de machtige beheerser die de zon is.
My
dear brâhmana S'aunaka, Yâjñavalkya then
desired to find out new yajur-mantras unknown to even his
spiritual master. With this in mind he offered attentive
worship to the powerful lord of the sun.
Tekst
67
S'rî
Yâjñavalkya zei: 'Mijn eerbetuigingen voor de
Hoogste Persoonlijkheid van God die, verschijnend als de zon,
in de vorm van de Superziel aanwezig is [als de
Beheerser] in de vorm van de Tijd in de harten van de vier
soorten van levende wezens vanaf Brahmâ tot aan de
grassprieten [als geboren uit eieren, baarmoeders, vocht en
zaad, zie ook 2.10
37-40]. Op
dezelfde manier dat de hemel niet wordt gedekt door
materiële aanduidingen ['wolken'] brengt U in Uw
eentje met de stroom der jaren bestaande uit de kleine
fragmenten van de kshana's, lava's en nimesha's [zie
3.11:
7] de
handhaving van dit universum op door het wegnemen en weer
retourneren van het water [in de vorm van regen].
S'rî
Yâjñavalkya said: I offer my respectful
obeisances to the Supreme Personality of Godhead appearing
as the sun. You are present as the controller of the four
kinds of living entities, beginning from Brahmâ and
extending down to the blades of grass. Just as the sky is
present both inside and outside every living being, you
exist both within the hearts of all as the Supersoul and
externally in the form of time. Just as the sky cannot be
covered by the clouds present within it, you are never
covered by any false material designation. By the flow of
years, which are made up of the tiny fragments of time
called kshanas, lavas and nimeshas, you alone maintain this
world, drying up the waters and giving them back as
rain.
Tekst
68
O Heer van de
Zon, o Stralende, o Beste onder de Ontwaakten, met de regels
van de heilige traditie mediteer ik dagelijks op de
[drie] keerpunten van de dag met volle aandacht op de
gloeiende bol van U, de machtige beheerser, die van al diegenen
die gebeden opdragen alle zonden verbrandt, het lijden als
gevolg ervan en datgene wat er toe leidde [zie ook
11.14:
35 en de
Gâyatrî].
O
glowing one, O powerful lord of the sun, you are the chief
of all the demigods. I meditate with careful attention on
your fiery globe, because for those who offer prayers to you
three times daily according to the Vedic method passed down
through authorized disciplic succession, you burn away all
sinful activities, all consequent suffering and even the
original seed of desire.
Tekst
69
U bent in deze
wereld inderdaad de Heer die verblijft in de harten van de
bewegende en niet-bewegende levende wezens die afhankelijk zijn
van de toevlucht die U bent die de niet-levende materie van de
geest, de zinnen en de verschillende vitale luchten [de
vâyu's]
tot leven wekt.
You
are personally present as the indwelling lord in the hearts
of all moving and nonmoving beings, who depend completely on
your shelter. Indeed, you animate their material minds,
senses and vital airs to act.
Tekst
70
U, hoogst
grootmoedig en alleen, genadevol Uw blik werpend doet, met de
macht van het zien, de slapende geesten opstaan van deze wereld
die, gegrepen en verzwolgen door de schrikwekkende mond van de
python gekend als de duisternis, voor dood in het onbewuste
viel; naar het begin, halverwege en aan het eind van de dag
betrekt U zo, dag na dag, opdat de ziel wordt gevonden, de
vromen in het uiteindelijke goed dat bekend staat als hun
persoonlijke plichtsbetrachting en aard van dienst
[svadharma].
The
world has been seized and swallowed by the python of
darkness in its horrible mouth and has become unconscious,
as if dead. But mercifully glancing upon the sleeping people
of the world, you raise them up with the gift of sight. Thus
you are most magnanimous. At the three sacred junctures of
each day, you engage the pious in the path of ultimate good,
inducing them to perform religious duties that situate them
in their spiritual position.
Tekst
71
Gelijk een
aardse koning reist U overal rond angst opwekkend bij de
onheiligen, terwijl de godheden die de windrichtingen beheersen
van verschillende kanten lotusbloemen vasthouden en met
gevouwen handpalmen hun eer betuigen.
Just
like an earthly king, you travel about everywhere spreading
fear among the unholy as the powerful deities of the
directions offer you in their folded palms lotus flowers and
other respectful presentations.
Tekst
72
Aldus benader
ik, in het verlangen naar yajur-mantra's die niet bekend zijn
bij anderen, met aanbidding inderdaad Uw twee lotusvoeten, o
Heer, die worden vereerd door de geestelijk leraren van de drie
werelden [de loka's,
en zie 5.23:
8]'."
Therefore,
my lord, I am prayerfully approaching your lotus feet, which
are honored by the spiritual masters of the three worlds,
because I hope to receive from you mantras of the Yajur Veda
unknown to anyone else.
Tekst
73
Sûta zei:
"Hij, de Allerhoogste Heer van de Zon tevreden gesteld,
presenteerde met het aannemen van de gedaante van een paard, de
yajur-mantra's nimmer door enige andere sterveling gekend aan
de wijze [zie ook 5.18:
6].
Sûta
Gosvâmî said: Satisfied by such glorification,
the powerful sun-god assumed the form of a horse and
presented to the sage Yâjñavalkya yajur-mantras
previously unknown in human society.
Tekst
74
Met de
honderden yajur-mantra's voorzag de machtige wijze in vijftien
afdelingen en aangenomen door de discipelen Kânva en
Mâdhyandina staan zij, voortgebracht uit de manen van het
paard, aldus bekend als Vâjaseneyi.
From
these countless hundreds of mantras of the Yajur Veda, the
powerful sage compiled fifteen new branches of Vedic
literature. These became known as the
Vâjasaneyi-samhitâ because they were produced
from the hairs of the horse's mane, and they were accepted
in disciplic succession by the followers of Kânva,
Mâdhyandina and other rishis.
Tekst
75
Van Jaimini
Rishi, de reciteerder van de Sâma Veda, was er een zoon
Sumantu zowel als zijn kleinzoon Sutvân; voor ieder van
hen sprak hij een van de twee delen van de
verzameling.
Jaimini
Rishi, the authority of the Sâma Veda, had a son named
Sumantu, and the son of Sumantu was Sutvân. The sage
Jaimini spoke to each of them a different part of the
Sâma-veda-samhitâ.
Tekst
76-77
Sukarmâ,
een andere leerling en groot denker [van Jaimini],
verdeelde de drie van de Sâma-veda in een duizendtal
verzamelingen van sâma-mantra's waarna, o brahmaan, de
twee discipelen Hiranyanâbha, de zoon van Kus'ala, en
Paushyañji plus een andere, Âvantya, ver gevorderd
in het spirituele inzicht, de zorg op zich namen voor de
sâma-mantra's.
Sukarmâ,
another disciple of Jaimini, was a great scholar. He divided
the mighty tree of the Sâma Veda into one thousand
samhitâs. Then, O brâhmana, three disciples of
Sukarmâ-Hiranyanâbha, the son of Kus'ala;
Pausyañji; and Âvantya, who was very advanced
in spiritual realization-took charge of the
sâma-mantras.
Tekst
78
Er waren in
totaal vijfhonderd discipelen van Paushyañji en
Âvantya die de Sâma Veda zangers van het noorden
worden genoemd, als ook daarvan verschillend [in latere
tijden, enkelen van hen] als de oostelijke zangers.
The
five hundred disciples of Paushyañji and
Âvantya became known as the northern singers of the
Sâma Veda, and in later times some of them also became
known as eastern singers.
Tekst
79
Andere
leerlingen van Paushyañji, namelijk Laugâkshi,
Mângali, Kulya, Kus'îda en Kukshi, namen ieder een
honderdtal verzamelingen van mantra's op zich.
Five
other disciples of Paushyañji, namely
Laugâkshi, Mângali, Kulya, Kus'îda and
Kukshi, each received one hundred samhitâs.
Tekst
80
Krita, de
discipel van Hiranyanâbha, sprak vierentwintig
samhitâ's voor zijn leerlingen; de resterende
samhitâ's werden gesproken door de zelfverwerkelijkte
wijze Âvantya.
Krita,
the disciple of Hiranyanâbha, spoke twenty four
samhitâs to his own disciples, and the remaining
collections were passed down by the self-realized sage
Âvantya.
*
Het S'rîmad Bhâgavatam staat ook bekend onder de
naam 'Paramahamsa Samhitâ': de verzameling van
verhalen over de Allerhoogste Zwaangelijke Heer.
**:
De substantie, de handeling en de doener als onzuiverheden
worden begrepen als manifestaties van de tot ego inspirerende
geaardheden van de onwetendheid van de inerte materie, de
hartstocht van de beweging en de goedheid van de kennis, ookwel
bekend als de adhibhautika hindernis van het lichaam, de
adhyâtmika hindernis van de organen van handelen
en de adhidaivika hindernis van de waarnemende zinnen
[zie kles'a].
