S'rî
S'uka zei: 'Zeer gemotiveerd om met Krishna van aanbidding te
zijn, o beste der Kuru's, hield Nârada zich regelmatig op
in Dvârakâ, de hoofdstad beschermd door de armen
van Govinda [zie ook 6.5:
43 &
10.69].
S'rî
S'uka zei: 'Zeer gemotiveerd met Krishna van aanbidding als
hij was, o beste der Kuru's, hield Nârada zich
regelmatig op in Dvârakâ, de hoofdstad beschermd
door de armen van Govinda [zie ook 6.5: 43 &
10.69]. (Vedabase)
Tekst
2
Wie ook die
begiftigd is met zinnen zou, geplaatst voor de dood die van
alle kanten komt, o Koning, niet van aanbidding zijn voor de
lotusvoeten van Mukunda die zo aanbiddelijk is voor zelfs de
besten der onsterfelijken?
Wie
ook begiftigd met zinnen, geplaatst voor de dood die van
alle kanten komt, o Koning, zou niet van aanbidding zijn
voor de lotusvoeten van Mukunda zo aanbiddelijk voor de
besten der onsterfelijken? (Vedabase)
Tekst
3
Op een dag zei
Vasudeva het volgende tot de deva-rishi die bij hem was
langsgekomen en respectvol was verwelkomd, aanbeden met de
nodige hulpmiddelen en een comfortabele zitplaats was geboden.
Op
een dag zei Vasudeva het volgende tot de deva-rishi, die bij
zijn huis was aangekomen en respectvol was verwelkomd,
aanbeden was met de hulpmiddelen en een comfortabele
zitplaats was gegeven. (Vedabase)
Tekst
4
S'rî
Vasudeva zei: 'O grote heer, de komst van uw goede zelf, u die
er evenzogoed bent voor de miserabelen als voor allen op het
pad van Uttamas'loka,
is als de komst van een goede vader omdat u verschijnt voor het
heil van alle belichaamde zielen.
S'rî
Vasudeva zei: 'O grote heer, de komst van uw goede zelf is,
als van al degenen op het pad van Uttamas'loka aanwezig voor
de meest miserabelen, als de komst van een goede vader
present ten voordele van alle belichaamde zielen.
(Vedabase)
Tekst
5
Wat de goden
doen resulteert in zowel de misère als het geluk van de
levende wezens, maar wat heiligen zoals u doen die de
Onfeilbare als hun eigenlijke ziel aanvaardden, resulteert
enkel in geluk [zie ook 1.2:
25-26,
3.25:
21].
Wat
de goden doen, resulteert in zowel de misère als het
geluk van de levende wezens, maar wat heiligen zoals u doen
die de Onfeilbare als hun eigenlijke ziel aanvaardden,
resulteert enkel in geluk [zie ook 1.2: 25-26, 3.25:
21]. (Vedabase)
Tekst
6
De goden die
zich gedragen als je schaduw, zijn hun aanbidders van dienst
naar gelang het karma dat men heeft en het respect dat men voor
ze koestert, maar de heiligen zijn van genade voor de gevallen
zielen [ongeacht wat ze doen. Zie ook B.G.
1.3:
12,
1.4:
12,
1.7:
20-23].
Zoals
men de halfgoden aanbidt zullen de goden op dezelfde manier
in wederkeer van respect zijn; zoals met een schaduw zijn
zij de knechten van het karma, terwijl de heiligen degenen
zijn die zorg dragen voor de gevallenen [zie ook 1.3:
12, 1.4: 12, 1.7: 20-23]. (Vedabase)
Tekst
7
O brahmaan,
[ookal dacht u er misschien niet aan mij te
instrueren,] niettemin vraag ik u naar wat we het best
kunnen doen om de Allerhoogste Heer te behagen. Over Hem met
geloof te vernemen is voor zij die gedoemd zijn te sterven de
manier om bevrijd te raken van alle angst [vergelijk
10.2:
30-33].
O
brahmaan, niettemin doe ik navraag bij u over het dharma van
het zich verhouden tot de Allerhoogste Heer, waarover met
geloof te vernemen hij die gedoemd is te sterven bevrijd
raakt van alle angst [vergelijk 10.2: 30-33].
(Vedabase)
Tekst
8
Toen ik lang
geleden [in een voorgaand leven] Ananta, de Heer die de
Bevrijding Schenkt, aanbad, wilde ik begoocheld door Zijn
mâyâ een kind op de wereld zetten en
streefde ik er niet naar om bevrijd te raken [zie ook
10.3:
32-45 en
4.1:
20].
Ik
inderdaad een lange tijd geleden op aarde, begoocheld zijnde
door de Heer Zijn mâyâ, een kind wensend en niet
strevend naar de bevrijding, aanbad Ananta, de Heer die de
Bevrijding Schenkt [zie ook 10.3: 32-45 en 4.1:
20].
(Vedabase)
Tekst
9
O u waarachtig
in de gelofte, instrueer ons daarom alstublieft, zodat we door
u zonder veel moeite bevrijding mogen vinden uit deze wereld
die zo vol van gevaren ons steeds weer in angst verzet.'
O
u waarachtig in de gelofte, alstublieft instrueer ons, zodat
door u wij voorzeker en met gemak zelfs, bevrijding mogen
vinden uit deze wereld die vol van gevaren overal angst
aanjaagt.'
(Vedabase)
Tekst
10
S'rî
S'uka zei: 'O koning, aldus ertoe verzocht door de intelligente
Vasudeva was de deva-rishi blij zich tot hem te kunnen
richten want zijn kwaliteiten deden hem denken aan de
Heer.
S'rî
S'uka zei: 'O koning, aldus verzocht door de intelligente
Vasudeva sprak de deva-rishi, die door de kwaliteit werd
herinnerd aan de Heer, verheugd tot hem.
(Vedabase)
Tekst
11
S'rî
Nârada zei: 'De vraag die u stelde wat betreft het
bhâgavata-dharma
is de juiste, o beste van de Sâtvata's, want door dat
dharma wordt het hele universum gezuiverd.
S'rî
Nârada zei: 'Dit vragen van u naar het
bhâgavata-dharma is de juiste benadering, o beste van
de Sâtvata's, daar het het hele universum zuivert.
(Vedabase)
Tekst
12
Door erover te
horen of te praten, door erop te mediteren, het met eerbied te
aanvaarden of het te waarderen als anderen het volbrengen,
zuivert die rechtschapenheid met het ware terstond zelfs hen
die zich negatief opstellen tegenover de goden en de hele
wereld.
Erover
vernomen hebbend, in reactie erover gezongen hebbend, erop
gemediteerd hebbend, het met geloof aanvaard hebbend of
geprezen hebbend als het werd uitgevoerd door anderen,
zuivert de zuivere toegewijde dienst terstond zelfs hen die
zich negatief opstellen tegenover de goden en het
universum.(Vedabase)
Tekst
13
Vandaag bracht
u mij de Allerhoogste Heer in herinnering, de Persoonlijkheid
van God Nârâyana [zie ook 10.87:
5] over
wie te zingen en te horen men hemels gelukkig en vroom
wordt.
Vandaag
bracht u mij de Allerhoogste Heer in herinnering, de
Persoonlijkheid van God Nârâyana [zie ook
10.87: 5] over wie te zingen en te horen men hemels
gelukkig en vroom wordt. (Vedabase)
Tekst
14
Om
duidelijkheid in dezen te verschaffen haalt men vaak als
voorbeeld de volgende oude geschiedenis aan van een gesprek
tussen de zonen van Rishabha en de koning van Videha die een
ruimdenkende ziel was.
Aangaande
deze aangelegenheid wordt als voorbeeld deze oude
geschiedenis geboden van een gesprek van de zonen van
Rishabha met de koning van Videha die een ruimdenkende ziel
was.
(Vedabase)
Tekst
15
De zoon van
Svâyambhuva Manu genaamd Priyavrata had een zoon die
Âgnîdhra heette. Van hem was er Nâbhi en zijn
zoon herinnert men zich als Rishabhadeva [zie ook
5.3].
De
zoon van Svâyambhuva Manu genaamd Priyavrata had er
een genaamd Âgnîdhra; van hem was er Nâbhi
en zijn zoon herinnert men zich als Rishabhadeva [zie
ook 5.1]. (Vedabase)
Tekst
16
Hij
verschijnend in deze wereld met het verlangen om onderricht te
geven in het proces van het bereiken van de bevrijding,
beschouwt men als een volkomen expansie van Vâsudeva. Van
Hem waren er honderd zoons die de Veda's perfect in acht
namen.
Hij
verschijnend in deze wereld met het verlangen om onderricht
te geven in het proces van het bereiken van de bevrijding,
wordt gezien als een volkomen expansie van Vâsudeva;
van hem waren er honderd zoons die volmaakt de Veda's in
acht namen. (Vedabase)
Tekst
17
Van hen was de
oudste, Bharata [zie 5.7],
volledig Nârâyana toegewijd. Dit wonderschone deel
van de aarde genaamd Bhârata-varsha [of India]
heeft aan hem haar naam te danken.
Van
hen was inderdaad [zie 5.7] de oudste, Bharata,
volledig Nârâyana toegewijd; het is bij de
genade van zijn naam dat dit wonderschone deel van de aarde
befaamd is als Bhârata-varsha [of India].
(Vedabase)
Tekst
18
Toen er een
eind kwam aan zijn aardse genoegens en hij zijn materiële
bestaan afzwoer, verliet hij huis en haard en bereikte hij in
drie opeenvolgende geboorten biddend tot Heer Hari Zijn
bestemming met het beoefenen van verzakingen.
Hij
aan het eind van alle genoegens dit aardse bestaan
afzwerend, verliet zijn thuis en bereikte in aanbidding van
Heer Hari Zijn bestemming met het beoefenen van verzakingen
in drie geboorten. (Vedabase)
Tekst
19
Negen van Zijn
[Rishabha's] zoons waren de geheel souvereine meesters
over de negen afzonderlijke delen
[nava-dvîpa] van dit subcontinent terwijl
eenentachtig andere zonen tweemaal geboren brahmanen waren die
het [karma-kânda]
pad van vruchtdragende vedische offerplechtigheden vrijmaakten
[zie 5.2:
19-21].
Negen
van Zijn [Rishabha's] zoons waren de meesters van
volledige soevereiniteit over de negen afzonderlijke delen
[nava-dvîpa] van dit subcontinent terwijl
eenentachtig anderen tweemaal geboren brahmanen waren die
het [karma-kânda] pad van vruchtbare vedische
offerplechtigheden openlegden [zie 5.2:
19-21].
(Vedabase)
Tekst
20-21
De negen
overige zoons, Kavi, Havir, Antarîksha, Prabuddha,
Pippalâyana, Âvirhotra, Drumila, Camasa en
Karabhâjana waren wijzen die zich bezighielden met de
uitleg van de Absolute Waarheid. Door hun geleerdheid in de
geesteswetenschap waren ze van een grote inzet en trokken ze
rond slechts gekleed door de wind [ofwel
naakt].
De
negen overige zoons, Kavi, Havir, Antarîksha,
Prabuddha, Pippalâyana, Âvirhotra, Drumila,
Camasa en Karabhâjana, waren wijzen inderdaad die zich
bezighielden met de uitleg van de Absolute Waarheid; geleerd
in de geesteswetenschap aldus van een grote inzet trokken ze
rond aangekleed door de wind [ofwel naakt].
(Vedabase)
Tekst
22
Zij
[genaamd de nava-yogendra's] trokken rond over
de aarde en zagen het ganse universum, bestaande uit het grove
en subtiele, als één en dezelfde gedaante van de
Allerhoogste Heer en als gelijkstaande aan het Zelf [zie
ook 1.5:
20 en B.G.
13:
14 &
15:
7].
Zij
[genaamd de nava-yogendra's] over de aarde
rondzwervend zagen het ganse universum, bestaande uit het
grove en subtiele, als een gedaante van de Allerhoogste Heer
niet-verschillend van het Zelf [zie ook 1.5: 20 en B.G.
13: 14 & 15: 7]. (Vedabase)
Tekst
23
Ongehinderd
naar believen gaan ze naar waar ze maar willen en reizen ze
aldus vrijelijk door de werelden van de goddelijken, de
vervolmaakten, de onderworpenen, de zangers van de hemel, de
schatbewaarders, de [gewone] mensen, zij die
bovennatuurlijke talenten hebben en de slangachtigen en
bezoeken ze de wijzen, de engelen, de geesten die S'iva volgen,
de wetenschappers, de tweemaal geborenen en de
koeien.
Ongehinderd
naar believen zich bewegend naar de werelden van de
goddelijken, de vervolmaakten, zij die overheerst zijn, de
zangers van de hemel, de schatbewaarders, de
[gewone] mensen, zij van bovennatuurlijke gaven en
de slangachtigen, bereizen ze vrijelijk welk bereik ook van
de wijzen, de engelen, de geesten die S'iva volgen, de
wetenschappers, de tweemaal geborenen of de koeien dat ze
maar willen. (Vedabase)
Tekst
24
Eens in
Ajanâbha [zoals India voorheen heette]
arriveerden ze tijdens de soma-offerplechtigheid van de grote
ziel Nimi [zie ook 9.13]
die werd uitgevoerd zoals de zieners het
wensten.
Eens
in Ajanâbha [de naam van India voor Bharata]
kwamen ze aan bij de soma-offerplechtigheid van de grote
ziel Nimi [zie ook 9.13] welke werd opgevoerd naar
de wensen van de zieners. (Vedabase)
Tekst
25
Toen ze de
zuivere toegewijden zagen die in hun schittering wedijverden
met de zon, o Koning, kwamen de uitvoerder van de
offerplechtigheid, de brahmanen, iedereen, neen zelfs de vuren,
overeind uit respect.
Met
het zien van die zuivere toegewijden die in hun schittering
wedijverden met de zon, o Koning, stonden de uitvoerder van
de offerplechtigheid, de brahmanen, iedereen, neen zelfs de
vuren, recht uit respect.
(Vedabase)
Tekst
26
De heerser van
Videha [Nimi], die ze herkende als toegewijden van
Nârâyana liet ze blij daarover plaats nemen en
betoonde ze alle respect die ze verdienden.
De
heerser van Videha [Nimi], die ze herkende als
toegewijden van Nârâyana liet erover tevreden ze
plaats nemen en betoonde ze de volle eer die ze verdienden.
(Vedabase)
Tekst
27
Nederig zich
verbuigend voor hen negen die zo straalden in hun luister als
de zonen van Brahmâ [zie 4.22:
6] ging de
koning, in opperste staat van bovenzinnelijke verrukking, ertoe
over hen vragen te stellen.
Nederig
voor hen negen neerbuigend die net als de zonen van
Brahmâ [zie 4.22: 6] straalden in hun eigen
gloed, ging de koning, helemaal in staat van bovenzinnelijke
verrukking, er toe over hen vragen te stellen.
(Vedabase)
Tekst
28
S'rî
Videha [Nimi] zei: 'Ik beschouw u als de directe
metgezellen van de Allerhoogste Heer, de vijand van Madhu, als
de dienaren van Vishnu die rondtrekken terwille van de
zuivering van alle werelden.
S'rî
Videha [Nimi] zei: 'Ik beschouw u als directe
metgezellen van de Allerhoogste Heer, de vijand van Madhu;
inderdaad als zijnde dienaren van Vishnu die zich
rondbewegen voor de zuivering van alle werelden.
(Vedabase)
Tekst
29
Ik denk dat het
bereiken van de omgang met hen die de Heer van Vaikunthha
dierbaar zijn net zo moeilijk is als het voor belichaamde
wezens is om een menselijk lichaam te verwerven dat men ieder
moment weer kan verliezen [zie ook B.G.
8:
16 &
16:
19-20].
Ik
denk dat het reiken tot de omgang met hen die de Heer van
Vaikunthha dierbaar zijn net zo moeilijk is als het voor
belichaamde wezens is het menselijk lichaam te verwerven dat
men ieder moment weer kan verliezen [zie ook B.G. 8: 16
& 16: 19-20]. (Vedabase)
Tekst
30
Derhalve vraag
ik u, o zondelozen, wat het hoogste goed zou zijn in deze
materiële oceaan alwaar het voor menselijke wezens slechts
voor de duur van een seconde genieten van het gezelschap van de
waarachtigen de grootste schat inhoudt.
Derhalve
vraag ik u, o zondenlozen, wat het hoogste goed is in deze
materiële oceaan, alwaar het maar voor een seconde
genieten van het gezelschap van de waarachtigen de grootste
schat inhoudt voor de menselijke wezens.
(Vedabase)
Tekst
31
Alstublieft
spreek over de wetenschap van de toegewijde dienst als u ons
ertoe in staat acht daarover te vernemen; daarmee tevreden zal
Hij, de Ongeboren Heer, Zich zelfs geven aan degenen die Zijn
toevlucht zochten.'
Alstublieft
spreek over de wetenschap van de toegewijde dienst voor
zover we er toe in staat zijn het te volgen; er bevrediging
door vindend zal Hij, de Ongeboren Heer, zelfs Zichzelf
geven aan degenen die Zijn toevlucht zochten.'
(Vedabase)
Tekst
32
S'rî
Nârada zei: 'Zij, de grootsten der groten spraken aldus
er door Nimi toe verzocht, o Vasudeva, op hun beurt eerbiedig
vol genegenheid tot de koning in de aanwezigheid van de
priesters en de deelnemers aan de
offerplechtigheid.
S'rî
Nârada zei: 'Zij, de grootsten der groten, aldus door
Nimi verzocht, o Vasudeva, spraken in reactie eerbiedig vol
genegenheid tot de koning in het gezelschap van de priesters
en de leden van de bijeenkomst voor de offerplechtigheid.
(Vedabase)
Tekst
33
S'rî Kavi
zei: 'Ik zie het zo dat als men in zijn intelligentie
voortdurend verstoord aanwezig is in deze wereld omdat men het
tijdelijke [lichaam] aanziet voor het ware zelf, de
staat van het waarlijk van geen kant ook maar iets te vrezen
hebben wordt gevonden als men de lotusvoeten aanbidt van de
Onfeilbare, aangezien alle vrees zijn einde vindt in die staat
[zie 3.9:
6 en b.v. B.G.
2:
56,
2:
71,
4:
10,
12:
13-14].
S'rî
Kavi zei: 'Ik zie het zo dat het met de intelligentie
voortdurend verstoord aanwezig zijn in deze wereld, het
tijdelijke [lichaam] houdend voor het ware zelf, de
staat van het waarlijk van geen kant ook maar iets te vrezen
hebben wordt gevonden met de aanbidding van de lotusvoeten
van de Onfeilbare, aangezien daarin alle vrees zijn einde
vindt. [zie 3.9: 6 en b.v. B.G. 2: 56, 2: 71, 4: 10, 12:
13-14].
(Vedabase)
Tekst
34
De juiste
methode is besproken door de Allerhoogste Heer en staat bekend
als het bhâgavata
dharma
waarmee de mens die worstelt met zijn intelligentie met gemak
inzicht kan krijgen in de Allerhoogste Ziel.
De
juiste methode is besproken door de Allerhoogste Heer en
staat bekend als het bhâgavata dharma waarmee de
mensen, worstelend met hun intelligentie, met gemak inzicht
kunnen krijgen in de Allerhoogste Ziel.
(Vedabase)
Tekst
35
Een mens die
dat aanvaardt, o Koning, is nooit verbijsterd en zal, zelfs nog
niet als hij met zijn ogen dicht rent, in dezen komen te
struikelen of te vallen [zie ook de catuh-s'loki
van B.G. 10:
8-11 en vers
5:
17].
(35)
Een mens die dat aanvaardt, o Koning, is nooit verbijsterd
en zal, zelfs nog niet als hij met zijn ogen dicht rent, in
dezen komen te struikelen of te vallen [zie ook de
catuh-s'loki van B.G. 10: 8-11 en vers 5: 17].
(Vedabase)
Tekst
36
Wat men met het
volgen van de eigen aard ook doet met het lichaam, de spraak,
het denken, de zinnen, de intelligentie of het gezuiverde
bewustzijn, behoort men allemaal op te dragen aan het
Allerhoogste met de gedachte: 'Dit is voor
Nârâyana' ['nârâyanâya
iti', vergelijk B.G.
3: 9 en
9:
27].
Wat
men ook doet met het navolgen van de eigen aard met het
lichaam, de spraak, het denken, de zinnen, met de
intelligentie of het gezuiverde bewustzijn, behoort men
allemaal op te dragen aan het Allerhoogste met de gedachte:
'Dit is voor Nârâyana'
['nârâyanâya iti', vergelijk B.G. 3: 9
en 9: 27]. (Vedabase)
Tekst
37
Voor degenen
die geleid door de begoochelende energie en vergeetachtig met
God zich afkeerden in het zich valselijk identificeren [met
het lichaam] zal de angst zich opwerpen vanwege het
verzonken zijn in dingen die de Heer op de tweede plaats
stellen. Om die reden behoort een intelligent persoon Hem, de
Heer, volledig en zuiver toegewijd te aanbidden en zijn
geestelijk leraar te beschouwen als zijn Heer en Ziel [zie
ook B.G. 4:
34,
1.5:
12 en B.G.
7:
14,
15:
7].
Voor
degenen die geleid door de illusieverwekkende energie,
vergeetachtig met God, zich afkeerden in misidentificatie
zal de angst zich opwerpen vanwege het verzonken zijn in
dingen die de Heer op de tweede plaats stellen; om die reden
behoort een intelligent persoon, met het beschouwen van zijn
goeroe als zijn Heer en Ziel [zie ook B.G. 4: 34],
Hem, de Heer, volledig met onvermengde toewijding te
aanbidden [zie ook 1.5: 12 en B.G. 7: 14, 15:
7].
(Vedabase)
Tekst
38
Door de
intelligentie van de dualistische ervaring kan men als in een
droom zich dingen zien manifesteren of kan men verlangens
opmerken die buiten de werkelijkheid staan. Een intelligent
iemand moet om die reden de geest onder controle krijgen die
vanuit de materiële handelingen begaan is met positieve en
negatieve verlangens, en aldus onbevreesd zijn [zie ook
B.G. 6:
35].
Door
de intelligentie van de dualistische ervaring inderdaad
zoals in een droom zich dingen zien manifesterend of
verlangens bemerkend die er in werkelijkheid niet zijn, moet
een intelligent persoon om die reden de geest onder controle
brengen die vanuit de materiële handelingen begaan is
met positieve en negatieve verlangens, en aldus onbevreesd
zijn [zie ook B.G. 6:
35].
(Vedabase)
Tekst
39
Vernemend over
de in alle opzichten gunstige verschijningen en handelingen van
Hem met het Wiel in de Hand [zie 1.9:
37] van
Wie de daarmee samenhangende namen worden bezongen in deze
wereld, moet men zingend zonder de materiële omgang die
men heeft [met een vrouw, een huis en kinderen] vrij en
zonder schaamte zich in alle richtingen bewegen.
Vernemend
over de alleszins gunstige verschijningen en handelingen van
Hem met het Wiel in de Hand [zie 1.9: 37] van wie de
bijbehorende namen worden bezongen in deze wereld, moet men,
zonder de materiële omgang [van een vrouw, een huis
en kinderen] zingend, vrijelijk, en zonder schaamte zich
in alle richtingen bewegen.
(Vedabase)
Tekst
40
Als men daarbij
zweert ontwikkelt men door het zingen van Zijn zo dierbare,
heilige naam, de gehechtheid van een geest die op is gegaan in
een luidkeels lachen, hardop huilen en in een als een
waanzinnige opgewonden raken waarbij gezongen en gedanst wordt
zonder zich te bekommeren om buitenstaanders
[*].
Aldus
gezworen ontwikkelt men door het zingen van Zijn eigen, zo
dierbare, heilige naam, de gehechtheid van een geest die op
is gegaan met luidkeels lachen en huilen, en opgewonden
raken als een waanzinnige met zingen en dansen zonder zich
te bekommeren om buitenstaanders [*].
(Vedabase)
Tekst
41
Voor de ether,
de lucht, het vuur, het water, de aarde en de hemellichten,
voor alle levende wezens, de windrichtingen, de bomen en andere
niet bewegende wezens, de rivieren en oceanen en wat er ook
moge bestaan in het lichaam der schepping van de Allerhoogste
Heer, moet men zich verbuigen, daarbij niets als losstaand
beschouwend [**].
Voor
de ether, de lucht, het vuur, het water, de aarde en de
hemellichten, voor alle levende wezens, de windrichtingen,
de bomen en andere niet bewegende wezens, de rivieren en
oceanen en wat er ook moge bestaan in het lichaam der
schepping van de Allerhoogste Heer, moet men zich verbuigen,
daarbij niets als losstaand beschouwend [**].
(Vedabase)
Tekst
42
Toewijding, de
aanwezigheid ervaren van de Allerhoogste Heer en onthechting
van al het overige, zijn de drie [kenmerken] die zich
op hetzelfde moment voordoen bij iemand die in het proces
verkeert van het toevlucht zoeken - ongeveer zoals dat gaat met
iemand die bezig is met eten en dan de bevrediging vindt met de
voeding die hij krijgt en de honger die hij terugdringt.
Toewijding,
rechtstreeks waarnemen van de Allerhoogste Heer en
onthechting van al het overige, zijn de drie die zich op
hetzelfde moment voordoen voor degene in het proces
verkerend van toevlucht zoeken - op de zelfde manier als
voor degene die bezig is met eten, zich de bevrediging
voordoet met de voeding en het terugdringen van de honger.
(Vedabase)
Tekst
43
Voor de
toegewijde die aldus de voeten van Acyuta vereert zal
toewijding, onthechting en kennis van de Opperheer zich
manifesteren, o koning Nimi, en als gevolg daarvan zal hij dan
direct de bovenzinnelijke vrede bereiken [zie B.G.
2:
71].'
Voor
de toegewijde die aldus de voeten van Acyuta vereert zal
toewijding, onthechting en kennis van de Opperheer zich
manifesteren, o koning Nimi, waarop hij dan rechtstreeks de
bovenzinnelijke vrede zal bereiken [zie ook B.G. 2: 71
].' (Vedabase)
Tekst
44
De koning zei:
'Alstublieft vertel me nu over de toegewijde van de
Fortuinlijke; wat zijn zijn plichten, wat is zijn aard, hoe
gedraagt hij zich onder de mensen, wat zegt hij en dankzij
welke kenmerken is hij de Heer dierbaar?'
De
koning zei: 'Alstublieft vertel me vervolgens over de
toegewijde van de Fortuinlijke; wat zijn zijn plichten, wat
is zijn aard, hoe gedraagt hij zich onder de mensen, wat
zegt hij en door welke kenmerken is hij de Heer dierbaar?'
(Vedabase)
Tekst
45
S'rî
Havir zei: 'Hij is de meest gevorderde van toewijding voor de
Heer [een uttama
adhikârî]
die deze Ziel, dit basisprincipe van het gehele bestaan, ziet
in alle bestaansvormen [van de materie en de geest]
èn tegelijkertijd in staat is van toegewijde dienst te
zijn voor de Allerhoogste Geestelijke Ziel vanuit het
gezichtspunt dat alle bestaansvormen zich bevinden in de
[gigantische universele gedaante van de] Allerhoogste
Heer [zie ook B.G. 6:
29 & 30].
S'rî
Havir zei: 'Hij is de meest gevorderde van toewijding voor
de Heer [een uttama adhikâri] die deze Ziel,
dit basis principe van het gehele bestaan, ziet in alle
voorwerpen [van de materie en de geest] èn in
staat is van toegewijde dienst te zijn voor de Allerhoogste
Geestelijke Ziel met het zien van alle wezens [als
bestaande] in de [gigantische universele gedaante
van de] Allerhoogste Heer [zie ook B.G. 6: 29 &
30].
(Vedabase)
Tekst
46
In de
voorgaande fase, het middelste platform, is hij [de
madhyama], van liefde voor de Allerhoogste Heer, van
vriendschap voor personen die gevorderd zijn, van genade voor
de nieuwkomers en slaat hij geen acht op de afgunstigen
[zie ook 4.24:
57,
7.9:
43, B.G.
4:
8 &
15:
7 en
***].
Hij
daarop volgend, op het middelste platform [de
madhyâma], is van liefde voor de Allerhoogste
Heer, van vriendschap voor personen die gevorderd zijn, van
genade voor de nieuwkomers en heeft geen oog voor de
afgunstigen [zie ook 4.24: 57, 7.9: 43, B.G. 4: 8 &
15: 7 en ***]. (Vedabase)
Tekst
47
Hij die in zijn
toewijding voor de Heer gewetensvol in de weer is met de
beeltenis [de mûrti]
maar niet zo respectvol omgaat met de toegewijden noch met
mensen in het algemeen, is een materialistische toegewijde
[een prâkrita of een beginner, een
kanishthha, zie ook B.G. 7:
20 en
3.29:
24-25
7.14:
40].
Hij
die zeker van aanbidding voor de Heer gewetensvol aan de
slag gaat met de beeltenis [de mûrti] maar
niet zo is met de toegewijden noch naar mensen toe in het
algemeen, is een materialistische toegewijde [een
prâkrita of een beginner, een kanishthha, zie ook B.G.
7: 20 en 3.29: 24-25 7.14: 40
].
(Vedabase)
Tekst
48
Hij die ondanks
dat zijn zintuigen bezig zijn met de zinsobjecten geen afkeer
koestert noch zich verheugt en dit universum ziet als de
begoochelende materiële energie van Vishnu is
daadwerkelijk een eersteklas toegewijde [zie ook
B.G.
5: 3].
Ook
al aanvaardt hij met zijn zinnen de zinsobjecten is hij die,
hatend noch zich verheugend, dit universum ziet als de
begoochelende materiële energie van Vishnu, inderdaad
een eersteklas toegewijde [zie ook B.G. 5: 3].
(Vedabase)
Tekst
49
Hij die door de
geboorte, het verval, de honger, de angst en de dorst van het
lichaam, de levensadem, de geest en de intelligentie niet is
begoocheld, hij die niet is begoocheld door de onvermijdelijke
kenmerken van een materieel leven omdat hij de Heer in
gedachten houdt [zie ook 6.2:
14], is de
meest vooraanstaande toegewijde [zie ook B.G.
2:
56-57].
Hij
die door de geboorte, het verval, de honger, de angst en de
dorst van het lichaam, de levensadem, de geest en de
intelligentie niet is begoocheld; hij die niet is begoocheld
door de onvermijdelijke kenmerken van een materieel leven
met het houden van de Heer in zijn gedachten [zie ook
6.2: 14], is de meest vooraanstaande toegewijde [zie
ook B.G. 2: 56-57]. (Vedabase)
Tekst
50
In de geest van
degene die zich enkel ophoudt in Vâsudeva bestaat er geen
kans dat de lust [zie B.G. 3:
37-43] of
het karmisch hunkeren naar resultaten [zie ook B.G.
6:
4] zich
zal ontwikkelen; zo een iemand is waarlijk een eersteklas
toegewijde.
In
de geest van degene die zich enkel ophoudt in Vâsudeva
bestaat er geen kans dat de lust [zie B.G. 3: 37-43]
of het karmisch hunkeren naar resultaten [zie ook B.G.
6: 4] zich zal ontwikkelen; zo een iemand is waarlijk
een eersteklas toegewijde. (Vedabase)
Tekst
51
Hij is de Heer
dierbaar die niet gehecht is in het egobepaalde sentiment van
een lichamelijk begrip van bestaan in de zin van het hebben van
een goede geboorte, het zijn van verdienstelijke daden, het
behoren tot een bepaalde varnâs'rama
statusoriëntatie of tot een bepaalde groepering of ras
[zie B.G. 2:
71 &
12:
13-14].
Hij
is de Heer dierbaar die niet gehecht is in het egotistische
sentiment van een lichamelijk begrip van het zijn van een
goede geboorte, het zijn van verdienstelijke daden, van een
bepaalde varnâs'rama statusoriëntatie of van een
bepaalde groepering of ras [zie B.G. 2: 71 & 12:
13-14]. (Vedabase)
Tekst
52
Hij die niet
van het dualistisch denken is van 'mijn' en 'dijn' wat betreft
bezittingen of het lichaam, iemand die van gelijkheid en vrede
is met alle levende wezens, is waarachtig de beste der
toegewijden [zie B.G. 13:
28-31 &
14:
22-25].
Met
hem bij wie er niet het dualistisch denken is van 'het
mijne' en 'het jouwe' wat betreft bezittingen of het
lichaam; zo een iemand, van gelijkheid en vrede met alle
levende wezens, is waarachtig de beste der toegewijden
[zie B.G. 13: 28-31 & 14: 22-25].
(Vedabase)
Tekst
53
Hij die niet
verleidt door de vormen van weelde die er zijn in de drie
werelden, nog niet een ogenblik, een seconde of een onderdeel
van een seconde zich wegbeweegt van de lotusvoeten van de
Allerhoogste Heer die de toevlucht vormen voor de goddelijken
en anderen die - onverstoord in hun heugenis - de
Onoverwinnelijke als hun eigen ziel zien, is de grootste
Vaishnava
[zie ook 18:
66].
Hij
die niet terwille van de vormen van weelde van de drie
werelden, noch zelfs niet een ogenblik, een seconde of een
onderdeel van een seconde zich wegbeweegt van de lotusvoeten
van de Allerhoogste Heer, welke worden gezocht door de
goddelijken en anderen van wie - onverstoord in hun heugenis
- de Onoverwinnelijke hun eigen ziel is, is de grootste
vaishnava [zie ook 18: 66].
(Vedabase)
Tekst
54
Nogmaals: hoe
kan van de tenen van de Allerhoogste Heer Zijn voeten, de
voeten van al die grootste heldendaden, hoe kan er van de
maneschijn van zijn juweel-gelijke nagels die de pijn in de
harten wegneemt, er voor hen die van aanbidding zijn nog enige
pijn van betekenis zijn? De brandende hitte van de zon kan toch
ook geen werking hebben als de maan is opgekomen [zie ook
10.14:
58]?
Hoe
kan van de tenen van de Allerhoogste Heer Zijn voeten die zo
groots zijn in hun heldhaftigheid, van de maneschijn van
zijn juweel-gelijke nagels die de pijn in de harten
wegneemt, dan andermaal met hen die van aanbidding zijn die
pijn nog van enig effect zijn; precies zoals de brandende
hitte van de zon geen effect kan hebben als de maan is
gerezen [zie ook 10.14: 58].
(Vedabase)
Tekst
55
Hij verlaat
nimmer het hart van degene die men beschouwt als Zijn meest
vooraanstaande toegewijde, ookal riep die maar per toeval Hem
direct aan [door Zijn namen], Hij die, gebonden door de
banden der liefde, de zonden vernietigt ongeacht hoeveel die
zich ook hadden opgehoopt [zie ook B.G.
4:
36
en
*4].'
Hij
verlaat nimmer het hart van degene - te worden betiteld als
de meest vooraanstaande toegewijde - die maar slechts
toevalligerwijze rechtstreeks [door Zijn namen] riep
om de Heer die, gebonden door de banden der liefde, de
zonden vernietigt hoezeer die zich ook hadden opgehoopt
[zie ook B.G. 4: 36 en *4].'
(Vedabase)
*:
S'rî Caitanya Mahâprabhu benadrukte dit ook
citerend: 'harer
nâma harer nâma harer nâmaiva kevalam kalau
nâsty eva nâsty eva nâsty eva gatir
anyathâ [Adi 17.21]':
'In dit
tijdperk van Kali bestaat er geen alternatief, er is geen
alternatief, er is geen alternatief voor de geestelijke
vooruitgang anders dan de heilige naam, de heilige naam, de
heilige naam van de Heer.' Ook S'rîla
Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura beveelt
hierbij aan dat men het volgende vers
bestudeert:
'parivadatu
jano yathâ tathâ vâ nanu mukharo na vayam
vicârayâmah
hari-rasa-madirâ-madâti-mattâ bhuvi
viluthhâmo nathâmo nirvis'âmah': 'Laat de
praatzieke bevolking zeggen wat ze maar wil; we zullen geen
acht op ze slaan. Tot in de kern gek van de extase van de
bedwelmende drank van de liefde voor Krishna, zullen we van het
leven genieten door rond te rennen, over de grond te rollen en
te dansen in extase.' (Padyâvalî 73) Dit is wat het
Krishna-bewustzijn definieert.
**:
S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî
Thhâkura heeft ons gewaarschuwd dat als we niet alles
zien als een manifestatie van de Hoogste Persoonlijkheid van
God, we het slachtoffer zullen worden van
phalgu-vairâgya, of onvolwassen
verzaking.
***:
De paramparâ voegt hier toe: 'S'rîla
Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura heeft een
fraai voorbeeld gegeven van het verschil tussen arcana
en bhajana. Arcana heeft betrekking op het
platform van de sâdhana-bhakti, waarin men
de Heer dient om gevolg te geven aan de regels en voorschriften
van het proces. Iemand die de toevlucht van de Heer Zijn
heilige namen heeft bereikt en geheel opgaat in de poging de
Heer te dienen moet worden geacht te verkeren op het
bhajana platform, ook al mogen zijn uiterlijke
handelingen somtijds minder strikt zijn dan die van de
nieuwkomer bezig met arcana. Dit klaarblijkelijke gebrek
aan striktheid echter, heeft geen betrekking op laksheid in de
basis principes of een verstandige gedragswijze en verzaking
van zinsbevrediging, maar eerder in de details van de
Vaishnava-ceremoniën.'
*4:
Nimi, de koning van Videha, stelde, zo helpt ons de
paramparâ, de volgende negen vragen aan de negen
Yogendra's, de heilige zonen van Rishabha. (1) Wat is het
hoogste goed? (2.30); (2) Wat zijn de religieuze beginselen
(dharma), de natuurlijke geneigdheden (svabhâva),
het gedrag (âcâra), de spraak
(vâkya) en de uiterlijke kenmerken
(lakshana) van een bhâgavata, een Vaishnava
toegewijde van de Heer? (2.44); (3) Wat is de uitwendige
energie van Vishnu, de Opperheer? (3.1); (4) hoe kan men zich
losmaken van deze mâyâ? (3.17); (5) Wat is
de ware identiteit van Brahman? (3.34); (6) Wat zijn de drie
soorten van karma, namelijk karma gebaseerd op het genieten van
de vruchten van de arbeid, karma opgedragen aan de Allerhoogste
Heer, en naishkarmya? (3.41); (7) Wat zijn de
verschillende vormen van spel en vermaak van de verschillende
incarnaties van God? (4.1); (8) Wat is het doel of de
bestemming van iemand die tegen de Opperheer is en het
ontbreekt aan bhakti (of in andere woorden, een
niet-toegewijde)? (5.1); en (9) Wat zijn de respectievelijke
kleuren, gedaanten en namen van de vier
yugâvatâra's, de vier incarnaties van de
Allerhoogste Heer die verschijnt in de vier tijdperken, en wat
is het proces van het aanbidden van ieder van Hen?
(5.19).
De
bovenzinnelijke antwoorden op deze vragen werden gegeven door
de grote toegewijden Kavi, Havir, Antarîksha, Prabuddha,
Pippalâyana, Âvirhotra, Drumila, Camasa en
Karabhâjana. Deze negen paramahamsa's
beantwoordden de negen vragen, ieder op zijn beurt, in de
volgende verzen: (1) 2.33-43; (2) 2.45-55; (3) 3.3-16; (4)
3.18-33; (5) 3.35-40; (6) 3.43-55; (7) 4.2-23; (8) 5.2-18; en
(9) 5.20-42.