Sûta
zei: "Met het brengen van mijn eerbetuigingen voor Heer
Krishna, voor de schepper, voor de brahmanen en voor het
allerhoogste van het dharma, zal ik nu de eeuwige aard ervan
bespreken [in termen van de onderwerpen besproken in het
Bhâgavatam].
Sûta
zei: "Met mijn eerbetuigingen voor Heer Krishna, voor de
schepper, voor de brahmanen en voor het allerhoogste van het
dharma, zal ik het nu hebben over de duurzame aard ervan
[in termen van de onderwerpen besproken in het
Bhâgavatam]. (Vedabase)
Tekst
2
Ik vertelde u,
o wijzen, over deze wonderbaarlijke handelingen van Heer Vishnu
die zich bij uitstek lenen voor mensen met respect voor de
persoon.
Ik
vertelde u, owijzen, over deze prachtige wederwaardigheden
van Heer Vishnu Heer Vishnu die zich bij uitstek lenen voor
mensen met respect voor de persoon.
(Vedabase)
Tekst
3
In dit
[verhaal] gaat het zonder meer om de verheerlijking van
de Heer, Hij Die Alle Zonden Wegneemt, Nârâyana, de
Heer der Zinnen, de Allerhoogste Persoonlijkheid en Meester van
de Sâtvata's.
In
dit [verhaal] wordt rechtstreeks verheerlijkt de
Heer, Hij Die Alle Zonden Wegneemt, Nârâyana, de
Heer der Zinnen, de Allerhoogste Persoonlijkheid en Meester
van de Sâtvata's. (Vedabase)
Tekst
4
Hierin wordt de
schepping en vernietiging van dit universum en de
vertrouwelijke kennis van de Ene Op-zichzelf-bestaande
Allerhoogste Geest besproken, tezamen met het zuivere waarnemen
en hoe die realisatie moet worden gecultiveerd.
Hierin
wordt de schepping en vernietiging van dit universum en de
vertrouwelijke kennis van de Ene Op-zichzelf-bestaande
Allerhoogste Geest besproken, tezamen met de wijsheid en
haar cultvering. (Vedabase)
Tekst
5-6
Bhakti-yoga en
de verzaking die erbij hoort wordt uitvoerig besproken [in
1.2,
7.5-10
& Canto 11.29],
evenals de geschiedenis van Nârada
[1.4-6]
en het verhaal van Parîkchit dat beschrijft hoe de wijze
onder de koningen vast tot de dood erop volgt omdat hij door
[de zoon van] een wijze werd vervloekt en hij toen een
gesprek had met S'uka, de beste der brahmanen [zie Canto
1.8-18].
Uitvoerig
zijn besproken de Bhakti-yoga en de verzaking die erbij
hoort [in 1.2, 7.5-10 & Canto 11.29], evenals de
geschiedenis van Nârada [1.4-6] en het verhaal
van Parîkchit: het tot de dood vasten van
Parîkchit, de wijze onder de koningen, vanwege zijn
door een [zoon van een] geleerde vervloekt zijn en
het gesprek tussen Parîkchit en S'uka, de beste der
brahmanen [zie Canto 1.8-18].
(Vedabase)
Tekst
7
Wat volgt is
een bespreking van hoe men, als men moet sterven, de bevrijding
kan bereiken door zich te concentreren in de yoga
[2.2.15-21],
een gesprek tussen Nârada en Brahmâ
[2.5],
de reeks van avatâra's [1.3
& 2.7]
en hoe het evolutieproces tot stand komt vanuit de primaire
natuur [de pradhâna, 3.26.10-72].
Wat
volgt is een bespreking van het door zich in de yoga te
concentreren van de bevrijding als men doodgaat [2.2:
15-21], een gesprek tussen Nârada en Brahmâ
[2.5], de reeks van avatâra's [1.3 &
2.7] en hoe het evolutieproces tot stand komt vanuit de
primaire natuur [de pradhâna, 3.26: 10-72].
(Vedabase)
Tekst
8
Vervolgens is
er het gesprek dat Vidura voerde met Uddhava
[3.1.25-3.4],
het gesprek dat Vidura had met Maitreya
[3.5-4.31],
[voorafgegaan door] wat een Purâna inhoudt
[in algemene zin, zie 2.10:
1 en
12.7:
9-10], en
dan wordt het onderwerp besproken van het weer in Zich opnemen
van de schepping door de Mahâpurusha
[2.10:
6,
3.11:
30,
8.5:
35,
11.3:
8-15,
12.4].
Dan
is er het gesprek dat Vidura voerde met Uddhava [3.1:
25-3.4], het gesprek dat Vidura had met Maitreya
[3.5-4.31] en daarna wat de Purâna inhoudt
[in algemene zin, zie 2.10: 1 en 12.7: 9-10], en
vervolgens zijn er de onderzoekingen aangaande het weer in
Zich opnemen van de schepping door de Mahâpurusha
[2.10: 6, 3.11: 30, 8.5: 35, 11.3: 8-15, 12.4].
(Vedabase)
Tekst
9
Wat volgt is de
schepping zoals die plaatsvindt vanuit de [geaardheden van
de] materiële natuur en de totstandkoming van de zeven
afgeleiden [van mahat,
ahamkâra
en de tanmâtra's,
zie 3.20:
12-17],
die ontstaan met de evolutie van het ei van het universum
waaruit zich de universele gedaante van de Heer ontwikkelt
[3.6].
Wat
volgt is de vorming uit de [geaardheden van de]
materiële natuur en het voortbrengen van de zeven
afgeleiden [van mahat, ahamkâra en de
tanmâtra's, zie 3.20: 12-17], die zich uitbreiden
met de constructie van het ei van het universum van waaruit
zich de universele gedaante van de Heer opwerpt
[3.6]. (Vedabase)
Tekst
10
De grove en
subtiele bewegingen van de tijd [3.11],
[komen eveneens aan bod alsook] hoe de lotus tot stand
komt [3.8]
en het doden van Hiranyâksha in verband met het bevrijden
van de aarde uit de oceaan [3.17-19].
De
grove en subtiele bewegingen van de tijd [3.11],
[komen eveneens aan bod als ook] het genereren van
de lotus [3.8] en het doden van Hiranyâksha in
samenhang met het bevrijden van de aarde uit de oceaan
[3.17-19]. (Vedabase)
Tekst
11
[En zo zijn
er] de schepping van de hogere wezens, de dieren en de
lagere schepselen [3.12:
37-48], de
geboorte van Rudra [3.12]
en het verschijnen van Svâyambhuva Manu vanuit de
man/vrouw verdeling van de Heer [zie 3.12:
49-53,
4.1].
[En
zo zijn er] de schepping van de hogere wezens, de dieren
en de lagere schepselen [3.12: 37-48], de geboorte
van Rudra [3.12] en het verschijnen van
Svâyambhuva Manu als de mannelijke en vrouwelijke
wederhelften van de Heer [zie 3.12: 49-53, 4.1].
(Vedabase)
Tekst
12-13
[Besproken
zijn] de nakomelingen van de uitnemende gemalin, de eerste
vrouw die S'atarûpâ
heette, en het nageslacht van [de negen dochters van]
de vrome echtgenote [Devahûti] van de stamvader
Kardama [zie 3.24:
20-25 en
4.1],
het nederdalen van de Opperziel, de Allerhoogste Persoon Heer
Kapila, en de conversatie van de geleerde Kapila met
Devahûti [4.25-33].
[Besproken
zijn] de nakomelingen van de uitnemende gemalin, de
eerste vrouw die S'atarûpâ was, en het
nageslacht van [de negen dochters van] de vrome
echtgenote [Devahûti] van de stamvader Kardama
[zie 3.24: 20-25 en 4.1], het nederdalen van de
Opperziel, de Allerhoogste Persoon Heer Kapila, en de
conversatie van de geleerde Kapila met Devahûti
[4.25-33]. (Vedabase)
Tekst
14-15
De nakomelingen
van de negen brahmanen [die met Kardama's dochters
trouwden, 4.1],
de vernietiging van Daksha's offerplechtigheid
[4.2-7]
en de geschiedenis van Dhruva [4.8-13]
wordt dan gevolgd door de verhalen over Prithu
[4.15-23]
en Prâcînabarhi [4.24-29],
zijn gesprek met Nârada [4.29],
de verhalen van Priyavrata [5.1],
o brahmanen, Nâbhi [5.3],
het leven van Rishabha [5.3-6],
en Bharata Mahârâja [5.7-13].
De
nakomelingen van de negen brahmanen [die met Kardama's
dochters trouwden, 4.1], de vernietiging van Daksha's
offerplechtigheid [4.2-7] en de geschiedenis van
Dhruva [4.8-13] wordt dan gevolgd door de verhalen
over Prithu [4.15-23] en Prâcînabarhi
[4.24-29], zijn gesprek met Nârada
[4.29], de verhalen van Priyavrata [5.1], o
brahmanen, Nâbhi [5.3], het leven van Rishabha
[5.3-6], en Bharata Mahârâja
[5.7-13]. (Vedabase)
Tekst
16
De continenten,
subcontinenten en de oceanen, de bergen en rivieren worden in
detail beschreven [5.19-20],
het uitspansel [5.21-23]
en hoe de lagere werelden en de hel zijn geregeld
[5.24-26].
De
continenten, subcontinenten en de oceanen, de bergen en
rivieren worden in detail beschreven [5.19-20], het
uitspansel [5.21-23] en hoe de lagere werelden en de
hel zijn geregeld [5.24-26].
(Vedabase)
Tekst
17
[Beschreven
zijn] Daksha's [weder-]geboorte als de zoon van de
Pracetâ's [6.4]
en de nakomelingen van zijn dochters van wie er de halfgoden,
de demonen en de menselijke wezens zijn, de
[zoog-]dieren, de serpenten, de vogels en de andere
diersoorten [6.6].
[Beschreven
zijn] Daksha's [weder-]geboorte als de zoon van
de Pracetâ's [6.4] en de nakomelingen van zijn
dochters van wie er de halfgoden, de demonen en de
menselijke wezens zijn, de [zoog-]dieren, de
serpenten, de vogels en de andere diersoorten [6.6].
(Vedabase)
Tekst
18
[Ook is
er] de geboorte en dood van [Vritra,
6.9-12]
de zoon van Tvashthâ en de twee zoons van Diti,
Hiranyâksha [3.14-19]
en Hiranyakas'ipu, o brahmanen, tezamen met de geschiedenis van
de grote ziel Prahlâda, de beheerser van de Daitya's
[7.2-8].
[Ook
is er] de geboorte en dood van [Vritra, 6.9-12]
de zoon van Tvashthâ en de twee zoons van Diti,
Hiranyâksha [3.14-19] en Hiranyakas'ipu, o
brahmanen, tezamen met de geschiedenis van de grote ziel
Prahlâda, de beheerser van de Daitya's
[7.2-8]. (Vedabase)
Tekst
19-20
In detail zijn
beschreven de regeerperioden van de Manu's
[8.1],
de verlossing van de koning der olifanten [Gajendra,
8.2-4]
en de avatâra's van Heer Vishnu voor iedere
periode van Manu [8.5
& 13]
zoals Hayas'îrshâ [8.24:
8 &
57;
5.18:
1],
Nrisimha [7.9-10],
Vâmana [8.18-22],
Mâtsya [8.24]
en Kûrma die er was voor het doel van het karnen van de
nectar uit de melkoceaan door de bewoners van de hemel
[8.7-8].
In
detail zijn beschreven de regeerperioden van de Manu's
[8.1], de verlossing van de koning der olifanten
[Gajendra, 8.2-4] en de avatâra's van Heer
Vishnu voor iedere periode van Manu [8.5 & 13]
zoals Hayas'îrshâ [8.24: 8 & 57; 5.18:
1], Nrisimha [7.9-10], Vâmana
[8.18-22], Mâtsya [8.24] en
Kûrma die er was voor het doel van het karnen van de
nectar uit de melkoceaan door de bewoners van de hemel
[8.7-8]. (Vedabase)
Tekst
21
De grote oorlog
tussen de demonen en de goden wordt beschreven
[8.10]
alsook systematisch de dynastieën van de koningen
[9.2,
7,
9,
12,
13,
17,
20
-24]; de
dynastie van Sudyumna [9.1]
en de geboorte van Ikshvâku en zijn dynastie
[9.6].
De
grote oorlog tussen de demonen en de goden wordt beschreven
[8.10] als ook systematisch de dynastieën van
de koningen [9.2, 7, 9, 12, 13, 17, 20 -24]; de
dynastie van Sudyumna [9.1] en de geboorte van
Ikshvâku en zijn dynastie [9.6].
(Vedabase)
Tekst
22
Er is verslag
gedaan van de verhalen over Ilâ
[9.1:
16-27] en
Târâ
[9.14:
4-13] en
er is ook een relaas over de afstammelingen van de
Sûrya-vams'a, zoals daar zijn S'as'âda
[Vikukshi, 9.6:
6-11] en
Nriga
[9.1:
11-12,
9.2:
17 &
10:
64].
Er
is verslag gedaan van de verhalen over Ilâ [9.1.
16-27] en Târâ [9.14: 4-13] als ook
een vertelling over de afstammelingen van de
Sûrya-vams'a, zoals S'as'âda [Vikukshi, 9.6:
6-11] en Nriga [9.1: 11-12, 9.2: 17 & 10:
64]. (Vedabase)
Tekst
23
Er zijn de
verhalen over Sukanyâ [9.3],
[de dochter van] S'aryâti, de intelligente
Kakutstha [Purañjaya, 9.6:
12-19],
Mândhâtâ [9.6:
33-37 &
9.7],
Saubhari [9.6],
Sagara [9.8]
en Khathvânga [9.9:
41-47].
Er
zijn de verhalen over Sukanyâ [9.3], [de
dochter van] S'aryâti, de intelligente Kakutstha
[Purañjaya, 9.6: 12-19],
Mândhâtâ [9.6: 33-37 & 9.7],
Saubhari [9.6], Sagara [9.8] en
Khathvânga [9.9: 41-47].
(Vedabase)
Tekst
24
[Gepresenteerd
zijn] de wederwaardigheden van Heer Râmacandra, de
Koning van Kosala, welke alle zonde verdrijven
[9.10
& 11],
Nimi, die zijn materiële lichaam opgaf
[9.13],
en het verschijnen van de nakomelingen van koning Janaka
[of S'îradhvaja, 9.13:
18-27].
[Gepresenteerd
zijn] de wederwaardigheden van Heer Râmacandra, de
Koning van Kosala, welke alle zonde verdrijven [9.10
& 11], Nimi, die zijn materiële lichaam opgaf
[9.13], en het verschijnen van de nakomelingen van
koning Janaka [of S'îradhvaja, 9.13: 18-27].
(Vedabase)
Tekst
25-26
[Gesproken
is over] het uitroeien van de heersende klasse door Heer
Paras'urâma, de Grootste van Bhrigu
[9.15
& 16];
over Aila [Purûravâ, 9.14
& 15],
Nahusha [9.18:
1],
Yayâti [9.18
& 19],
Dushmanta's zoon Bharata [9.20],
S'ântanu [9.22:
12-13] en
S'ântanu's zoon Bhîshma [9.22:
18-19] van
de Candra-vams'a, alsook over de gevierde dynastie van Yadu, de
oudste zoon van Yayâti [9.23:
18-29].
[Gesproken
is over] het uitroeien van de heersende klasse door Heer
Paras'urâma, de Grootste van Bhrigu [9.15 &
16]; over Aila [Purûravâ, 9.14 &
15], Nahusha [9.18: 1], Yayâti [9.18
& 19], Dushmanta's zoon Bharata [9.20],
S'ântanu [9.22: 12-13] en S'ântanu's
zoon Bhîshma [9.22: 19-19] van de
candra-vams'a, als ook over de de gevierde dynastie van
Yadu, de oudste zoon van Yayâti [9.23: 19-29].
(Vedabase)
Tekst
27
[Het
is] de dynastie waarin - in het huis van Vasudeva - de
Opperheer bekendstaande als Krishna, de Beheerser van het
Levende Wezen, nederdaalde; [vervolgens wordt
beschreven] Zijn geboorte [10.3]
en hoe Hij opgroeide in Gokula [10.4-10].
[Het
is] de dynastie waarin in het huis van Vasudeva de
Opperheer bekend staande als Krishna, de Beheerser van het
Levende Wezen, nederdaalde; [vervolgens wordt
beschreven] Zijn geboorte [10-3] en hoe Hij
opgroeide in Gokula [10.4-10].
(Vedabase)
Tekst
28-30
Zijn talloze
wapenfeiten worden [vervolgens] verheerlijkt [in de
beschrijvingen van]: hoe Hij de melk samen met de
levensadem wegzoog uit Pûtanâ
[10.6],
hoe Hij als een kind de kar kapot maakte en Trinâvarta
eronder kreeg [10.7],
en Hij Baka, Vatsa [10.11]
en Agha doodde [10.12],
[hoe Hij tewerk ging met] Brahmâ die de kalveren
en de jongens had weggeborgen [10.13
& 14],
hoe Hij met Zijn metgezellen een eind maakte aan Dhenuka
[10.15]
en Pralamba [10.18],
en hoe Hij hen [de gopa's] redde uit een
bosbrand die hen had ingesloten [10.17
& 19].
Zijn
talloze wapenfeiten worden [vervolgens] verheerlijkt
[in de beschrijvingen van]: hoe Hij de melk samen
met de levensadem wegzoog uit Pûtanâ
[10.6], hoe Hij als een kind de kar kapot maakte en
Trinâvarta eronder kreeg [10.7], en Hij Baka,
Vatsa [10.11] en Agha doodde [10.12],
[hoe Hij tewerk ging met] Brahmâ die de
kalveren en de jongens had weggeborgen [10.13 &
14], hoe Hij een eind maakte aan Dhenuka [10.15]
en Pralamba [10.18] met Zijn metgezellen, , en hoe
Hij hen redde uit een bosbrand die hen had ingesloten
[10.17 & 19]. (Vedabase)
Tekst
31-33
[Verslag
werd gedaan van] het onderwerpen van de slang Kâliya
[10.16-17];
de geloften die naar de tevredenheid van de Onfeilbare in acht
werden genomen door de jonge gopî's
[10.21
& 22];
de genade voor de spijtige brahmaanse vrouwen
[10.23];
het optillen van de berg Govardhana [10.25]
en de aanbidding en het rituele baden dat vervolgens werd
uitgevoerd door Indra en Surabhi [10.27];
Krishna's spel en vermaak met de gopî's gedurende
de nachten [10.29-33],
het redden van Nanda Mahârâja [uit de bek]
van een groot serpent [10.34]
en het doden van de dwaze S'ankhacûda
[10.34],
Arishtha [10.36]
en Kes'î [10.37].
[Verslag
werd gedaan van] het onderwerpen van de slang
Kâliya [10: 16-17]; de geloften die naar de
tevredenheid van de Onfeilbare in acht werden genomen door
de jonge gopî's [10.21 & 22]; de genade
voor de spijtige brahmaanse vrouwen [10.23]; het
optillen van de berg Govardhana [10.25] en de
aanbidding en het rituele baden vervolgens uitgevoerd door
Indra en Surabhi [10.27]; Krishna's spel en vermaak
met de gopî's gedurende de nachten [10.29-33],
het redden van Nanda Mahârâja [uit de
bek] van een groot serpent [10.34] en het doden
van de dwaze S'ankhacûda [10.34], Arishtha
[10.36] en Kes'î [10.37].
(Vedabase)
Tekst
34
Daarna
arriveert Akrûra [10.38]
en is er het vertrek van Râma en Krishna, het treuren van
de vrouwen van Vraja [10.39]
en de rondgang door Mathurâ [10.41].
Daarna
arriveert Akrûra [10.38] en is er het vertrek
van Râma en Krishna, het treuren van de vrouwen van
Vraja [10.39] en de rondgang door Mathurâ
[10.41]. (Vedabase)
Tekst
35
Er is het doden
van de olifant Kuvalayâpîda
[10.43],
de worstelaars Mushthika, Cânûra, en Kamsa en
anderen [10.44],
alsook het weer terughalen van de zoon van
Sândîpani, de goeroe [10.45].
Er
is het doden van de olifant Kuvalayâpîda
[10.43], de worstelaars Mushthika,
Cânûra, en Kamsa en anderen [10.44], als
ook het weer terughalen van de zoon van
Sândîpani, de goeroe [10.45].
(Vedabase)
Tekst
36
Verblijvend in
Mathurâ in het gezelschap van Uddhava en Balarâma,
werden, o brahmanen, door de Heer avonturen aan de dag gelegd
om de kring der Yadu's een plezier te doen
[10.48].
Verblijvend
in Mathurâ in het gezelschap van Uddhava en
Balarâma, werden door de Heer, o brahmanen, avonturen
aan de dag gelegd om de kring der Yadu's een plezier te doen
[10.48]. (Vedabase)
Tekst
37
[Vervolgens
is er] de vele malen herhaalde vernietiging van de troepen
bijeengebracht door Jarasândha [10.50],
het grondvesten van Dvârakâ en het doden van de
barbaarse koning [10.51].
[Vervolgens
is er] de vele malen herhaalde vernietiging van de
troepen bijeengebracht door Jarasândha
[10.50], het grondvesten van Dvârakâ en
het doden van de barbaarse koning [10.51].
(Vedabase)
Tekst
38
Er is de
ontvoering van Rukminî waarbij de Heer Zijn rivalen in de
strijd versloeg [10.53]
en het [van Indra, 10.50:
54] in
ontvangst nemen van de pârijâta uit de hemel samen
met de Sudharmâ-vergaderzaal.
Er
is de ontvoering van Rukminî waarbij de Heer Zijn
rivalen in de strijd versloeg [10.53] en het
[van Indra, 10.50: 54] in ontvangst nemen van de
pârijâta uit de hemel samen met de
Sudharmâ-vergaderzaal. (Vedabase)
Tekst
39
Het ter dood
brengen van de meester van Prâgjyotishapura [Bhauma
ofwel Naraka] en het redden van de jonge maagden [komt
ter sprake in 10.59]
met vervolgens het afgedwongen gapen van S'iva in de slag met
Bâna en het wegsnijden van Bâna's armen
[10.63].
Het
ter dood brengen van de meester van Prâgjyotishapura
[Bhauma ofwel Naraka] en het redden van de jonge
maagden [komt ter sprake in 10.59] met vervolgens
het afgedwongen gapen van S'iva in de slag met Bâna en
het wegsnijden van Bâna's armen [10.63].
(Vedabase)
Tekst
40-41
Het
[Bhâgavatam verschaft ook uitleg over] het kunnen
en de dood van Pañcajana [10.45:
40-41],
S'ambara [10.55],
Pîthha [10.59],
Mura [10.59],
Dvivida [10.67],
de koning van Cedi [10.74],
S'âlva [10.76-77],
de dwaze Dantavakra [10.78],
en anderen, hoe de Pândava's de directe aanleiding
vormden [voor Krishna] om de last van de aarde weg te
nemen [10.49],
en het afbranden van Vârânasî
[10.66].
Het
[Bhâgavatam zet zich ook uiteen met] het
kunnen en de dood van van Pañcajana [10.45:
40-41], S'ambara [10.55], Pîthha
[10.59], Mura [10.59], Dvivida
[10.67], de koning van Cedi [10.74],
S'âlva [10.76-77], de dwaze Dantavakra
[10.78], en anderen; hoe de Pândava's de
directe aanleiding vormden [voor Krishna] om de last
van de aarde weg te nemen [10.49], en het afbranden
van Vârânasî [10.66].
(Vedabase)
Tekst
42-43
[Ook kwam
aan bod] het terugtrekken van Zijn eigen familie
[11.30]
onder het voorwendsel van de vloek van de geleerden
[11.1]
en de schitterende conversatie die Vâsudeva had met
Uddhava waarin de wetenschap van het ware zelf zijn volle
uitdrukking vond met het vaststellen van het dharma [hoe
men moet leven nu Krishna niet meer lijfelijk aanwezig is, zie
11.6-29],
met vervolgens Zijn verzaken van de wereld der sterfelijken bij
machte van Zijn eigen mystieke vermogen
[11.31].
[Ook
kwam aan bod] het terugtrekken van Zijn eigen familie
[11.30] onder het voorwendsel van de vloek van de
geleerden [11.1] en de schitterende conversatie die
Vâsudeva had met Uddhava waarin de wetenschap van het
ware zelf zijn volle uitdrukking vond met het vaststellen
van het dharma [van hoe men moet leven met Krishna niet
meer lijfelijk aanwezig, zie 11.6-29], met daarop Zijn
verzaken van de wereld der sterfelijken bij machte van Zijn
eigen mystieke vermogen [11.31].
(Vedabase)
Tekst
44
[Ook
besproken zijn] de kenmerken van de verschillende
yuga's en de handelingen die daarmee overeenkomen
[11.17
& 12.3],
de algehele verstoordheid van de mensen in Kali-yuga
[12.1-3]
en de vier typen van vernietiging en drie [guna]
soorten van schepping [12.4].
[Ook
besproken zijn] de kenmerken van de verschillende yuga's
en de handelingen die daarmee overeenkomen [11.17 &
12.3], de algehele verstoordheid van de mensen in
Kali-yuga [12.1-3] en de vier typen van vernietiging
en drie [guna] soorten van schepping [12.4].
(Vedabase)
Tekst
45
[Ten slotte
is er een verslag van] Vishnurata
[Parîkchit], de intelligente godvruchtige koning
die zijn lichaam moest opgeven [12.5-6],
hoe de ziener [Vyâsa en anderen] de verschillende
takken van de Veda overdroeg [12.6-7],
de vrome geschiedenis van Mârkandeya
[12.8-10]
en de inrichting van de [ledematen van de]
Mahâpurusha alsmede de regeling [van de tijd] in
relatie tot de zon, het Zelf van het levende wezen dat het
Universum is [12.11].
[Ten
slotte is er een verslag van] Vishnurata
[Parîkchit], de intelligente godvruchtige
koning die zijn lichaam moest opgeven [12.6-7], hoe
de ziener [Vyâsa en anderen] de verschillende
takken van de Veda overdroegen [12.6-7], de vrome
geschiedenis van Mârkandeya [12.8-10] en de
regeling naar de zon [zoals begrepen] van de
Mahâpurusha, het Zelf van het levende wezen dat het
Universum is [12.11]. (Vedabase)
Tekst
46
Aldus zijn door
mij, naar aanleiding van uw vragen, o beste van de tweemaal
geborenen, in dit relaas de handelingen van de
lîlâ-avatâra's
in hun volle glorie beproken.
Aldus
zijn door mij, naar aanleiding van uw vragen, o beste van de
tweemaal geborenen, in dezen de handelingen besproken van de
lîlâ-avatâra's naar het volle van hun
glorie. (Vedabase)
Tekst
47
Als men valt,
struikelt, zich bezeert of niest en dan spontaan hardop
uitroept 'haraye namah' (eerbetuigingen aan Hari), raakt
men bevrijd van alles wat tot een val leidt.
Als
men, met vallen, struikelen, zich bezeren of niezen spontaan
hardop uitroept 'haraye namah' (eerbetuigingen aan Hari),
raakt men bevrijd van alles wat tot een val leidt.
(Vedabase)
Tekst
48
Van personen
die zoals het hoort zingen over de Opperheer en kennis nemen
van waar de Onbegrensde toe in staat is, wordt de ellende die
in het hart doordringt geheel weggewassen, precies zoals de zon
de duisternis wegneemt of een sterke wind de wolken
verdrijft.
Van
personen, die naar behoren zingen over de Opperheer en
vernemen over het vermogen van de Onbegrensde, wordt de
ellende die in het hart doordringt geheel weggewassen,
precies zoals de zon de duisternis wegneemt of een sterke
wind de wolken verdrijft. (Vedabase)
Tekst
49
IJdel inderdaad
zijn die woorden over en besprekingen van de relatieve waarheid
waarin van Hem die in het Bezit is van de Volheden, de Heer in
het Voorbije, geen gewag wordt gemaakt; enkel dat is waar,
alleen dat is goedgunstig, enkel dat is verdienstelijk wat de
kwaliteiten van de Fortuinlijke naar boven haalt.
IJdel
inderdaad zijn die woorden over en besprekingen van de
relatieve waarheid waarin van Hem die in het Bezit is van de
Volheden, de Heer in het Voorbije, geen melding wordt
gemaakt; enkel dat is waar, alleen dat is goedgunstig, enkel
dat is verdienstelijk wat de kwaliteiten van de Fortuinlijke
naar boven haalt. (Vedabase)
Tekst
50
Datgene
voorzeker is aantrekkelijk, is nieuwer en nieuwer; datgene
inderdaad wat een voortdurend, groot feest inhoudt; dat
[zich uitdrukken] wat voor personen feitelijk de oceaan
der misère drooglegt, is waarin de heerlijkheden van de
Beste van de Verzen, Uttamas'loka, bij herhaling worden
bezongen.
Datgene
voorzeker is aantrekkelijk, is nieuwer en nieuwer; dat
inderdaad is een voortdurend, groot feest voor de geest; dat
[zich uitdrukken] in feite legt voor personen de
oceaan der misère droog, waarin de heerlijkheden van
de Beste van de Verzen, Uttamas'loka, bij herhaling worden
bezongen. (Vedabase)
Tekst
51
Een uitdrukking
in verduidelijkende termen die nimmer de zegenrijke
heerlijkheden van de Heer beschrijft is te vergelijken met een
bedevaartsoord voor kraaien en daarvan zullen zich nimmer de
zwaangelijken bedienen, de zuivere heiligen die alleen maar aan
Acyuta denken [als in 1.5:
10].
Die
uitdrukking in illustratieve termen welke nimmer de
zegenende heerlijkheden van de Heer beschrijft is als een
bedevaartsoord voor kraaien en wordt nimmer gediend door de
zwaangelijken, de zuivere heiligen die alleen maar aan
Acyuta denken [als in 1.5: 10].
(Vedabase)
Tekst
52
Die creatie van
woorden die de revolutie afkondigt over de zonden van de mensen
en waarin, hoewel onvolkomen van samenstelling, ieder vers
verwijst naar de namen en de heerlijkheden van de Heer zonder
beperkingen, wordt gehoord, bezongen en aanvaard door hen die
gezuiverd en oprecht zijn [identiek aan
1.5:
11].
Die
creatie van woorden die de revolutie afkondigt over de
zonden van de mensen en waarin, hoewel onvolkomen van
samenstelling, ieder vers verwijst naar de namen en de
heerlijkheden van de Heer zonder beperkingen, wordt gehoord,
bezongen en aanvaard door diegenen die gezuiverd en oprecht
zijn [identiek aan 1.5: 11].
(Vedabase)
Tekst
53
Ondanks dat de
zelfverwerkelijking vrij is van materiële motieven, ziet
de kennis van het onfeilbare die is verstoken van liefde
[of toewijding voor de Opperheer] er niet goed uit. Zou
inderdaad het zich inspannen voor een resultaat ook maar iets
uithalen als men er niet in slaagt het onovertroffen werk te
volbrengen dat men verricht voor de Heer [als in
1.5:
11]?
Ondanks
zelfverwerkelijking vrij van materiële motieven, ziet
de kennis van het onfeilbare er niet goed uit verstoken van
genegenheid. Zou inderdaad het werken voor een resultaat ook
maar enig goed doen als men mislukt in het
ongeëvenaarde werk dat wordt verricht voor de Heer
[als in 1.5: 11]? (Vedabase)
Tekst
54
Als men
boetvaardig is en luistert naar de geschriften en dergelijke is
men, terwille van zijn reputatie en een materieel resultaat,
van grote inspanning in het dienen van het varnâs'rama
systeem. Maar als men luistert naar en respect oefent voor - en
zo meer - de lotusvoeten van de Instandhouder van de Godin van
het Fortuin, is men van de heugenis omdat men dan leeft in
bevestiging van de kwaliteiten.
Met
boete en het luisteren naar de geschriften en zo voorts is
men, terwille van reputatie en een materieel resultaat, van
grote inspanning in het dienen van het varnâs'rama
ssysteem, maar door het luisteren naar en respecteren van,
enzovoorts, de lotusvoeten van de Handhaver van de Godin van
het Fortuin, is men, levend in bevestiging van de
kwaliteiten, van heugenis. (Vedabase)
Tekst
55
De heugenis van
Heer Krishna's lotusvoeten doet al het ongunstige teniet, leidt
tot het grootste geluk, tot zuivering van het hart en,
verbonden in de wijsheid en onthechting, tot spiritueel weten
en toewijding voor de Allerhoogste Ziel.
De
heugenis van Heer Krishna's lotusvoeten doet al het
ongunstige te niet, leidt tot goed geluk, tot zuivering van
het hart en, verbonden in de wijsheid en onthechting, tot
spiritueel weten en toewijding voor de Allerhoogste Ziel.
(Vedabase)
Tekst
56
U allen o
hoogst eminente brahmanen, bent zo gelukkig uw stabiliteit
gevonden te hebben met Nârâyana, de Oorspronkelijke
Ziel en Godheid van allen, nu u de Heer van de Hemel Voorbij
Wie er Geen Andere te Vinden is in uw hart hebt
geïnstalleerd. Wees dan nu onversaagd in uw liefde van
aanbidding.
U
allen o hoogst eminente brahmanen, bent zo gelukkig uw
stabiliteit gevonden te hebben met Nârâyana, de
Oorspronkelijke Ziel en Godheid van allen, nu U de Heer van
de Hemel Voorbij Wie er Geen Andere te Vinden is in uw hart
hebt verankerd. daarom moet u, met onversaagde liefde van
aanbidding zijnd, Hem in uw harten plaatsen.
(Vedabase)
Tekst
57
Ook mij werd
deze wetenschap van de Ziel in herinnering gebracht toen ik
haar, net als u aanwezig in een vergadering van aandachtig
luisterende grote wijzen, vernam uit de mond van S'uka, de
grootste der wijzen, toen koning Parîkchit tot de dood
toe aan het vasten was.
Ook
mij werd deze wetenschap van de Ziel weer in herinnering
gebracht welke ik, [eveneens] in een vergadering van
grote wijzen die allen toehoorden, voorheen vernam uit de
mond van S'uka, de grootste der wijzen, tijdens het tot de
dood toe vasten van koning Parîkchit.
(Vedabase)
Tekst
58
Dit wat ik u, o
geschoolden, vertelde over de heerlijkheden van Vâsudeva,
Hij van de Grote Daden Allerwaardigst om te Worden Beschreven,
maakt geheel en al een einde aan al het ongunstige.
Dit
wat ik u, o geschoolden, vertelde over de heerlijkheden van
Vâsudeva, Hij van de Grote daden Allerwaardigst om te
Worden Beschreven, maakt geheel en al een einde aan al het
ongunstige. (Vedabase)
Tekst
59
Hij die met een
niet aflatende aandacht iedere yâma
[periode van drie uur] en iedere kshana [een
moment of 1.6 seconde] met geloof anderen doet luisteren of
trouw zelf luistert naar slechts een enkel vers of zelfs maar
een half vers, een enkele versregel of zelfs maar een halve,
zal de ziel zelf zuiveren.
Hij
die met een niet aflatende aandacht iedere yâma
[periode van drie uur] en iedere kshana [een
moment of 1.6 seconde] met geloof anderen doet luisteren
of trouw zelf luistert naar slechts een enkel vers of een
half vers, een enkele versregel of zelfs maar een halve, zal
de ziel zelf zuiveren. (Vedabase)
Tekst
60
Als men, niet
gegeten hebbend, nauwlettend reciteert uit of luistert
[naar het Bhâgavatam] op de elfde dan wel de
twaalfde dag [van een vijftiendaagse halve maanmaand, met
Ekâdas'î dus, zie 3.11:
10], zal
een hoge leeftijd bereiken en verlost worden van alles wat hem
ten val brengt.
Als
men, niet gegeten hebbend, nauwlettend reciteert uit of
luistert [naar het Bhâgavatam] op de elfde
danwel de twaalfde dag [van een vijftiendaagse halve
maandmaand, zie 3.11: 10], zal een hoge leeftijd
bereiken en verlost worden van alles wat hem ten val brengt.
(Vedabase)
Tekst
61
Als men
zelfbeheerst zonder te hebben gegeten deze verzameling van
verzen reciteert in [de heilige plaatsen] Pushkara,
Mathurâ of Dvârakâ, zal men bevrijd raken van
de angst [voor de Tijd, of voor een materieel leven, zie
ook 1.13:
19].
Zelfbeheerst
niet gegeten hebbend, deze verzameling van verzen reciterend
in [de heilige plaatsen] Pushkara, Mathurâ of
Dvârakâ, zal men bevrijd raken van de angst
[voor de Tijd, of voor een materieel leven, zie ook
1.13: 19]. (Vedabase)
Tekst
62
Als men bezingt
of luistert als men van die verheerlijking is, zullen de
halfgoden en de wijzen, de vervolmaakten en de voorvaderen, de
stamvaders en de koningen, alles vergunnen wat er wordt
verlangd.
Met
het chanten over of luisteren naar wat van die
verheerlijking is, zullen de halfgoden en de wijzen, de
vervolmaakten en de voorvaderen, de stamvaders en de
koningen, vergunnen wat wordt verlangd.
(Vedabase)
Tekst
63
Een tweemaal
geboren ziel die [op deze tekst] studeert verkrijgt als
resultaat dezelfde rivieren van honing, ghee en melk die men
verwerft met het bestuderen van de rig-, yajur-
en sâma-verzen.
Een
tweemaal geboren ziel die [op deze tekst] studeert
verkrijgt als resultaat de rivieren van honing, ghee en melk
die men verwerft met het bestuderen van de rig-, yajur- en
sâma-verzen. (Vedabase)
Tekst
64
IJverig deze
essentiële verzameling van klassieke verhalen bestuderend
zal een tweemaal geborene bijgevolg de allerhoogste positie
bereiken zoals die werd beschreven door de Allerhoogste
Persoonlijkheid.
IJverig
deze essentiële verzameling van klassieke verhalen
bestuderend zal een tweemaal geborene bijgevolg de
allerhoogste positie bereiken zoals die werd beschreven door
de Allerhoogste Persoonlijkheid.
(Vedabase)
Tekst
65
Een man van
scholing die het bestudeert bereikt geestelijk inzicht, een
koning bereikt het overwicht ermee, een zakenman de
heerlijkheid der schatten en een werknemer ontdoet zich ermee
van alles wat hem ten valt brengt.
Een
man van scholing die het bestudeert bereikt geestelijk
inzicht, een koning aldus bereikt het overwicht, een
zakenman de heerlijkheid der schatten en een werknemer het
uitzuiveren van alle oorzaken van het ten val komen
(Vedabase)
Tekst
66
Omdat in
Kali-yuga Hari, de Heer van een Ieder en de Vernietiger van de
Besmetting, niet [werkelijk of in die mate] op een
andere plaats dan hier wordt beschreven, wordt, om ter
compensatie voldoende gewicht in de schaal te leggen,
Bhagavân die Zich expandeert in talloze gedaanten in
ieder vers beschreven in de vorm van de verhalen zoals ze zijn
verteld.
Omdat
in Kali-yuga Hari, de Heer van een Ieder en de Vernietiger
van de Besmetting, niet [werkelijk of in die mate]
op een andere plaats dan hier wordt beschreven, wordt, om
ter compensatie voldoende gewicht in de schaal te leggen,
Bhagavân die Zich expandeert in talloze gedaanten in
ieder vers beschreven in de vorm van de verhalen zoals ze
zijn verteld. (Vedabase)
Tekst
67
Ik buig mij
voor Hem het Ongeboren, Onbegrensde, Ware Zelf door wiens
energieën er de schepping, handhaving en vernietiging van
het universum is, voor Hem de Onfeilbare Heer die niet te
doorgronden is in Zijn heerlijkheid voor [zelfs] de
meesters van de hemel die onder leiding staan van de ongeziene
[Aja of Brahmâ], de machtige [S'akra of
Indra], en de goedgunstige [S'ankara of
S'iva].
Voor
Hem het Ongeboren, Onbegrensde, Ware Zelf bij wiens
energieën er de schepping, handhaving en vernietiging
van het universum is, voor Hem die niet te doorgronden is in
Zijn heerlijkheid voor [zelfs] de meester van de
hemel onder leiding van de ongeziene [Aja of
Brahmâ], de machtige [S'akra of Indra], en
de goedgunstige [S'ankara of S'iva]; voor de Heer
Onfeilbaar, ben ik voorover gebogen.
(Vedabase)
Tekst
68
Mijn
eerbetuigingen voor de Eeuwige Heer, de beste van Al de Goden,
voor de Fortuinlijke wiens Manifestatie Zuiver Bewustzijn is en
die middels Zijn negen machten [s'akti's
of vermogens]
voorzag in Zijn eigen Zelf als de veilige haven voor de zich
bewegende en niet bewegende levende wezens.
Mijn
eerbetuigingen voor de Eeuwige Heer, de beste van Al de
Goden, voor de Fortuinlijke wiens Manifestatie Zuiver
Bewustzijn is en die middels Zijn negen machten
[s'akti's of vermogens] voorzag in Zijn eigen
Zelf als het thuis voor de zich bewegende en nie t bewegende
levende wezens. (Vedabase)
Tekst
69
Ik verbuig me
voor hem, de zoon van Vyâsa die al het ongunstige
verslaat en die, aangetrokken in zijn hart door de
wederwaardigheden van Zijn handelingen, teneinde de
Onoverwinnelijke te behagen, met het ontkennen van ieder andere
type van bewustzijn zo intelligent was zijn solitaire geluk op
te geven en genadevol de [Bhâgavata]
Purâna, het licht van de werkelijkheid, te
openbaren."
Ik
verbuig me voor hem, de zoon van Vyâsa die al het
ongunstige verslaat, die, aangetrokken in zijn hart door de
wederwaardigheden van Zijn handelingen, ten einde de
Onoverwinnelijke te behagen, met het ontkennen van ieder
ander type van bewustzijn zo intelligent was zijn solitaire
geluk op te geven en genadevol de [Bhagavata]
Purâna, het licht van de werkelijkheid, te openbaren.
(Vedabase)